Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 5: Revalidanten trokken voorbij (vrij naar Fabricius)

Na de intensieve weken in het ziekenhuis is het thuis een oase van rust, vredigheid en ontprikkeling. In plaats van het warme bad dat ik dacht dat het zou zijn, kom ik terecht in een draaikolk van verwarring, emoties, afkickverschijnselen en uitputting. De uitputting is het eenvoudigst te verklaren: het is een zware ingreep geweest, mijn lichaam heeft elke cel en calorie nodig om te herstellen en mentaal en emotioneel is het ook een stevige slag geweest. Dat werkt na en daar kun je behoorlijk moe van zijn, merk ik.

Het is tevens even wennen aan de enorme organisatie en planning die gepaard gaat met medicijngebruik. Ik heb het geluk dat ik verder gezond ben en mijn hart geen schade heeft opgelopen: daardoor kan ik met vrij weinig medicatie volstaan. Wederom iets om dankbaar voor te zijn. En ik word keer op keer gered door mijn lieverd. Juliëtte is onvermoeibaar, onveranderlijk scherp en houdt mijn proces goed in de gaten. Telkens wanneer ik de moed verlies (zo’n 22 keer per dag) helpt Juliëtte me er in no time bovenop. Ze laat me keer op keer merken hoe blij ze is dat de dood en ik hebben besloten pas veel later te gaan daten, en zorgt dat het me aan werkelijk niets ontbreekt.

Mijn lieve, prachtige, wonderschone Juliëtte, die een paar weken geleden van de chirurg te horen kreeg: “Hij ligt nu op de operatietafel, we gaan beginnen en ik bel je zodra het klaar is.” Die vanaf dat moment in een soort vacuüm liep. Letterlijk liep; rondjes om het ziekenhuis, telefoon in de hand: vrezend voor en wachtend op nieuws. Wat moet dat een hel zijn geweest. Wat een volkomen verlatenheid. Een operatie ondergaan is zwaar – mentaal, emotioneel en fysiek – maar het is een peulenschil vergeleken bij wat degene moet doorstaan die, na de aanloop van een paar weken, uren in een luchtledig universum van machteloosheid en pure, gedwongen overgave verblijft. Je krijgt je partner terug of je bent ‘m kwijt – de kosmische loterij waarvoor je niet eens een lot hoeft te kopen: dat krijg je gratis. Eeuwige bewondering, liefste van mijn hart, voor de kracht en moed waarmee je dit hebt doorstaan. Mij was het niet op die manier gelukt; ik zou volkomen zijn doorgedraaid als jij daar had gelegen.

Je kracht is legendarisch.

Drugsverslaving

Mijn kracht is een heel ander verhaal. De eerste dagen en nachten lig ik op de bank in de huiskamer, met een opgerold dekbed in de rug om een beetje rechtop te kunnen rochelen. Het is lastig om de balans te vinden tussen pijn en ontspanning, maar het lukt me redelijk. Slapen gaat bij stukjes en beetjes en ik merk dat ik veel onrust ervaar: vooral ’s nachts. En ineens, tijdens een van die doorwaakte nachten waarin ik probeer diep door te ademen om een pijnaanval te laten afnemen, zie ik zuster Birgit voor me, althans haar contouren omdat ik haar alleen in haar nachtdienst heb gezien – schemerig. Het beeld van zuster Birgit wordt indringender en groter en ik voel me enorm beroerd worden. De pijn in mijn borst golft af en aan, meer aan dan af, en is allesoverheersend. Ik probeer uit te vissen wat er met me aan de hand is en waarom dat beeld van zuster Birgit er zo prominent bij aanwezig is: ik heb slechts een paar woorden met haar gewisseld en dan nog alleen als ik wakker lag van de pijn en zij mij een paar tabletten…

En dan, ‘pling!’ valt het kwartje: zuster Birgit was de zuster die mij de laatste nachten in het ziekenhuis voorzag van alle lekkers om de pijn te dempen, in slaap te komen, te kalmeren, enzovoort. Birgit was mijn dealer, mijn redder in nood – die een pijnaanval kon verzachten. Geen wonder dat ik op dit moment – waarin de pijn overheerst – aan zuster Birgit lig te denken. Ik schiet in de lach, wat me een stevige extra pijnscheut oplevert en krijg van Juliëtte – die dag èn nacht voor me zorgt – een lekkere pijnstiller: mijn eigen, lieve huisdealer! Na een half uurtje zakt de pijn, kom ik tot rust en dommel ik af en toe even weg. Ik ben een junk, maar wel een junk met voortschrijdend inzicht. Dat is ook wat waard.

Zo zijn er meer momenten van verwarring, somberheid, verdriet, kwaadheid en andere emoties. Alleen kan ik het vrij snel en gemakkelijk plaatsen allemaal. Het is de hospitalisatie: het afkicken van de zorg, van de afhankelijkheid. Wat een klus!

Zuuraanval

Naast de hospitalisatie, die gelukkig vrij snel oplost, gaat het erg goed. Mijn eerste wandelingetje van zo’n honderd meter is een genot. Ik kan zonder benauwdheid, druk op de borst, hartritmestoornissen en pijn gewoon een stukje lopen! Wat er voor in de plaats is gekomen is een enorm brandende pijn in mijn benen: verzuring van de spieren. Het schijnt normaal te zijn en na verloop van tijd weg te trekken, dus we maken ons er geen zorgen om. De huisarts komt langs, controleert alles en ziet dat het goed is.

Een complicatie is de wond in mijn onderarm, die aanvankelijk aardig geneest, maar dan gaat ontsteken. Het is de arm waaruit een ader is gehaald om een van de omleidingen bij de kransslagader te maken. Ik krijg een antibioticakuur en het is weer rustig. Na een week begint het toch opnieuw te ontsteken en zit ik opnieuw aan een – nu sterkere – antibioticakuur. Dat geeft wat extra bijwerkingen en dat is vervelend, maar al met al heb ik geen klagen en geniet ik van mijn nieuwe kans.

De wereld herzien

Buiten al die lichamelijke ontwikkelingen gebeurt er geestelijk nog veel meer. Door het hele traject van schrik, vooronderzoeken, operatie en nazorg (en alles wat daar omheen gebeurt) heb ik een spoedcursus relativeren gekregen en is mijn leven een stuk overzichtelijker en aangenamer geworden. Ik had niet gedacht dat ik dat op mijn oude dag nog zou meemaken, en kennelijk heb ik deze harde les nodig gehad omdat ik anders was blijven volharden in mijn oude denkbeelden.

Ik zie wel degelijk het nut, de voordelen van mijn hartproblemen en de operatie die daarop volgde in. Totdat Juliëtte me naar de dokter stuurde, was ik gewend om alles wat naar medische wereld rook buiten mijn blikveld te houden, en om diep na te denken over het leven, de mensen, mijzelf, God, universum, et cetera. En daar is ook niets op tegen natuurlijk. Ik ervaar het nu enigszins anders; eenvoudiger, minder hoogdravend en vrij helder. Een van de dingen waar ik met de neus bovenop ben gedrukt is te ontdekken wat werkelijk waarde heeft. Ik schrijf er vast nog wel eens iets over. Laat ik voor nu volstaan met te zeggen dat de afgelopen maanden mij naast een nieuwe kans ook een flinke reset hebben gegeven: het leven 2.0 om het populair uit te drukken.

Het revalideert me niet

Een aantal zaken die na een hartoperatie opvallen zijn onder meer een volkomen verlies van conditie; die staat werkelijk op nul (en voelt als min-dertig). Dan zijn er de nodige aanpassingen gewenst in ritme, en moeten veel patronen worden herzien. Door medicijngebruik en de bijwerkingen die daarbij optreden, zoals hevige spierpijnen, moet het bewegingspatroon aangepast worden, smaak en eetlust zijn veranderd en ook dat vergt aanpassing. Kortom: er verandert veel na zo’n operatie.

Het ziekenhuis waar ik ben geopereerd voorziet in een uitgebreid revalidatiepgrogramma om de patiënt weer zo snel mogelijk in een gezond en goed ritme te krijgen en mee te laten draaien in de maatschappij. Volledig revalideren neemt ongeveer een jaar in beslag, is de ervaring. Na dat jaar worden de pijnen geacht verdwenen of nauwelijks merkbaar te zijn, de lichaamskracht weer op een redelijk niveau en de conditie dusdanig dat men de dag weer normaal doorkomt.

Afgelopen week zijn Juliëtte en ik naar een voorlichtingsbijeenkomst geweest over de revalidatie, die binnenkort van start gaat. Een cardioloog legde van alles uit over hartproblemen, de behandeling en de gevolgen, verdere risico’s en hoe daarmee om te gaan. Samen met zo’n twintig lotgenoten zaten we in een zaaltje te kijken naar een powerpoint-presentatie met plaatjes van vernauwde bloedvaten en nog meer moois. De cardioloog in kwestie vertelde exact hetzelfde als wat we in de brochures van het ziekenhuis al hadden gelezen, dus we hadden alle tijd om eens te kijken en te luisteren naar de mensen om ons heen, die ook met hartproblemen worstelen of net geopereerd zijn. Ik heb geprobeerd overeenkomsten te vinden, in de zin van: wat is nou typisch het type hartpatiënt? Ik heb ze niet gevonden, die overeenkomsten; anders dan dat we met zijn allen in het zaaltje zaten te luisteren naar de voorlichting over de revalidatie.

Praktische U-vorm

De tafels en stoelen staan in een praktische U-vorm opgesteld zodat we elkaar kunnen zien. Tegenover Juliëtte en mij zit een gekweld kijkende vrouw met een wat schuchter kijkende man naast zich; het is een stel, blijkt later. De vrouw kijkt voortdurend de zaal rond met die gekwelde blik. Het komt op mij over alsof ze duidelijk wil maken: “Ja, ik lijd. Ik lijd verschrikkelijk: maar ik draag mijn lot.” De gepijnigde glimlach versterkt mijn vermoeden. Maar het is een aanname van mij uiteraard: ik probeer ook alleen maar mijn tijd uit te zitten bij het verhaal van de dokter. Het verhaal dat we al kennen. Achteraf blijkt dat ik ongelijk heb: de vrouw is geen hartpatiënt, maar de partner van de man naast haar, die dezelfde ingreep als ik heeft ondergaan. Daar komen we achter als het vragenstelrondje begint en de vrouw met gedragen stem het woord neemt. Ze kijkt hierbij goed het zaaltje rond, al voordat ze begint te praten: dan weet je al dat er geen echte vraag aan de spreker komt, maar een oratie, een preek, een les, een ‘ik heb jullie iets te leren’-verhaal.

“Het is natuurlijk heel belangrijk,” begint ze. “Dat de patiënt in kwestie ook zijn gevoelens deelt met zijn partner, nietwaar?” Ze wacht totdat de cardioloog en tenminste twee mensen uit het publiek blijk geven dat ze haar hebben gehoord en gaat dan verder. Wat opvalt is de manier waarop ze het woord ‘partner’ uitspreekt: met een langgerekte ‘a’, onuitgesproken ‘r’ en veel extra ademsteun bij de eerste lettergreep. “PAHHHWDNEHHH”. Waarschijnlijk is het de bedoeling dat het heel Engels klinkt, alleen heb ik drie keer luisteren en heel veel context nodig om te snappen welk woord het is.

“Want als de patiënt in kwestie niet aan zijn PAHWDNEH aangeeft wat hij voelt, kan zijn pahwdneh ook niets voor hem betekenen en blijft zij de hele tijd in het ongewisse.” Gaat ze verder. Bij dat laatste gedeelte van haar zin schiet het volume even omhoog en ik vermoed dat de persoonlijke pijn die zij ervaart omdat haar man niet voortdurend zijn gevoelens met haar deelt, verpakt wordt in een lesje voor de zaal, maar dus eigenlijk is bedoeld voor haar man. Ik let op hem en zien hem steeds kleiner worden: hij kijkt alsof hij het liefst direct weg zou lopen, maar het niet durft. Allemaal invullingen van mij, ik weet het.

Naast de verdere dooddoeners zoals die overal voorkomen (op een van de powerpoint-sheets stond: “Roken? heel eenvoudig, gewoon stoppen!” waarbij de cardioloog godzijdank het fatsoen had om daar excuses voor aan te bieden) was er weinig nieuws. Na de cardioloog kwam er een fysiotherapeut voorlichting geven over het bewegingsprogramma en dat was wel interessant. Wat ik mooi vind is dat het programma voorziet in informatie voor degenen die hun lichaam minder goed kennen en/of geen idee hebben hoe men kan leren weer mee te draaien, en daar een bewegingsplan op afstemt.

Gezellie met mijn hartevriendjes basketballen (NIET)

De revalidatie zoals die wordt aangeboden door het ziekenhuis is net zo strak en goed georganiseerd als de zorg, en ik heb daar bewondering voor. Er is echter een aantal zaken waarop ik afhaak: onder meer het programma-onderdeel: ‘gezamenlijke sport- en spelactiviteiten’ en het punt ‘het (weer) oppakken van sociale interactie / terugkeer in het maatschappelijk verkeer’

Voor wat het eerste punt betreft: ik houd niet van gezamenlijke activiteiten, of het moet met goede vrienden zijn. Als ik ergens een hekel aan heb is het teamsport beoefenen. Als ik al sport is het solo, of duaal. Ik heb jaren karate en aikido gedaan; hardgelopen en gezwommen en daar veel plezier aan beleefd (behalve van het hardlopen; dat deed ik voor de conditie). Maar volley-, basket-, soft-, hand-, korf- en overige -bal heeft me nooit aangetrokken. Gelukkig wordt mijn vraag (“Ik heb een hekel aan teamsporten en gezamenlijke activiteiten. Is het mogelijk om van de teamsporten af te zien en daar een individuele vorm van beweging voor in de plaats te doen?”) bevestigend beantwoord: dat is heel goed mogelijk, en ik moet eerlijk toegeven dat ik best een beetje geniet van de paar hatelijke en/of bedenkelijke blikken in mijn richting van mederevalidanten die waarschijnlijk wel van teamsporten houden. Ook zie ik een paar lotgenoten snel een notitie neerkrabbelen: die waren zo verstandig om te wachten totdat ik het zou vragen. Er is niet veel veranderd sinds mijn schooltijd.

Wat het tweede punt betreft, het weer oppakken van sociale interactie en terugkeer in het maatschappelijk verkeer: dat is een lastige. Terugkeer in wiens maatschappelijk verkeer? Volgens welke visie? Wiens visie? Op basis van welke aannames? In mijn geval is er geen terugkeer; ik heb al jaren niet vertoefd in de habitat van degenen die eens per vier jaar gaan stemmen, die de schijf van vijf aanhangen of bestrijden, die opgelegd fatsoen verwarren met oprechtheid, die kaarsjes branden voor de slachtoffers van elke ramp die breed uitgemeten in het nieuws komt, en ondertussen de buurman niet zien die als ‘verward’ gediagnosticeerd naar de klote gaat, enzovoort. Niet om te klagen over anderen: respect voor ieders visie. Alleen ik hoor er simpelweg niet tussen. Ik doe mijn plicht, zorg dat ik anderen niet tot last ben, houd me aan de wet en betaal netjes voor wat ik gebruik. Als ik daarnaast iemand blij kan maken door ergens mee te helpen, doe ik dat. En ik heb genoeg ego om me daar goed bij te voelen. Maar ‘terugkeer in het maatschappelijk verkeer’? Nee, niet voor mij. Gelukkig worden wij hartpatiënten nergens toe gedwongen. Dat is geweldig.

Wil ik deze serie verhaaltjes afsluiten met de constatering dat ik enorm blij ben met wat er is gebeurd en wat er nog steeds gebeurt; het heeft mij veel gegeven wat me verrijkt, en ook iets afgenomen wat me verzwaarde. Juliëtte en ik wandelen, fietsen en belliconnen liefst dagelijks (Googelt u maar even op ‘Bellicon’ om te ontdekken welk een feestvreugde er achter deze pret zit). We voelen ons daar erg goed bij. Ik merk dat mijn kracht en uithoudingsvermogen terugkomen en heb veel vertrouwen in mijn lichaam en de rest van mezelf.

Als je tot hier bent gekomen: dank voor je geduld – en leuk dat je meegelezen hebt. Deze serie artikelen verduidelijkt hopelijk waarom ik graag iets voor de zorg wil terugdoen.

Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 4: Postoperatieve prikkels

Terug op de verpleegafdeling word ik verpleegd, verzorgd, in de watten gelegd, in de gaten gehouden, gesedeerd, verdoofd, gevoerd, gewassen.

Gelukkig duurt dat niet lang: na twee dagen mag ik zelfstandig douchen, met de nodige voorbereidingen: we willen immers niet dat de wonden opengaan of infecteren; de verbanden doorweken, de infuusgaten vollopen en wat dies meer zij. Nee, dat willen we niet dus ik houd mij braaf aan de instructies.

En dan dat gevoel: helemaal alleen onder de douche met de schuifdeur gewoon dicht. Nou ja: op een kiertje want ik heb de verpleegkundige beloofd dat ik zou roepen als er iets niet goed gaat. Even boven de vloer is een draad bevestigd langs alle wanden van de badkamer zodat ik ook als ik er even bij kom te liggen alleen maar aan het touwtje hoef te trekken om hulp binnen te halen. Gelukkig gaat alles goed, hoef ik niet liggend te douchen en wat is dat lekker zeg, na alle verzorging – hoe vakkundig en liefdevol ook.

Vervlaving

Na de operatie moet ik nog een paar dagen in het ziekenhuis blijven, totdat de artsen en verpleegkundigen er redelijk zeker van zijn dat er geen ernstige complicaties zijn, zoals infecties, verwarring na de narcose of ander ongemak. In die paar dagen heb ik alle gelegenheid en tijd om te ervaren hoe het is om overgeleverd te zijn aan anderen. Ik kan erg weinig de eerste tijd. Ik ben slap, misselijk, versuft. Door de medicatie heb ik geen trek in eten terwijl mij meerdere keren per dag op het hart (!) gedrukt wordt dat ik stevig moet eten om te genezen. Dat is wel een dilemma. De voedingsassistente raadt me aan om het eens met een bakje vanillevla te proberen: iets wat ik anders nooit eet. Ik probeer het en wonderwel houd ik het binnen. Ook knap ik er in vrij korte tijd aardig van op, dat is een opsteker. Een kleine en redelijk onschuldige verslaving is geboren: de ‘vervlaving’. Ik eet het nu nog regelmatig.

Verder moet ik opnieuw leren om diep in te ademen. Dat doet pijn, dus de neiging om oppervlakkig te ademen is sterk aanwezig. Ook zit er vocht bij mijn longen – wat normaal is bij een thoraxoperatie – waardoor ik een rochelende, reutelende ademhaling heb: vrij duidelijk hoorbaar en ook wel lastig. Dat moet allemaal bijtrekken, opgehoest worden, verdampen en wat er ook maar nodig is om weer diep en ontreuteld te kunnen zuchten over zoveel moois in het leen.

Moordzucht

De eerste paar dagen na de operatie deel ik een kamer met Ruben, een jongeman van 24 jaar, die vanwege hartproblemen een pacemaker heeft gekregen van de dokter. Ruben heeft ADHD en nog wat problemen en weigert daar medicatie voor te gebruiken. Dat is uiteraard zijn goed recht en ik juich iedere vorm van autonomie ten zeerste toe. Het probleem is echter dat ik niet kan slapen – of anderszins tot rust kan komen – door de aanhoudende drukte naast me. Ruben praat, schreeuwt, bonkt, rammelt, ritselt, schuift, beweegt, trappelt, kreunt, steunt, huilt, lacht, bidt en bewondert aan één stuk door. Vierentwintig uur non-stop. Overdag en ’s nachts dus. Na twee dagen ben ik volkomen uitgeput, en ik was al niet erg fit zo vlak na het opereren. Het heeft geen enkele zin om Ruben te vragen rustig aan te doen: het is een vriendelijke jongen en hij wil zijn best wel doen. Alleen kan hij niet stil of rustig zijn. Ook als hij bezoek heeft – elke dag de volle bezoektijd – praat hij aan een stuk door; niemand komt ertussen. De paar momenten dat ik even op adem kan komen van alle lawaai is wanneer hij elders gaat roken, en gelukkig rookt hij vrij stevig.

De behandelingen die Ruben noodgedwongen moet ondergaan, zoals het verwisselen van verband en andere wondverzorging, verlopen niet zonder slag of stoot. Ieder mens heeft een eigen pijngrens en ik krijg de indruk dat die van Ruben aan de lage kant is. Zelfs de bloeddruk opmeten bezorgt hem ondraaglijk veel pijn, zo lijkt het. De verpleegkundige die de pech heeft zijn verband te moeten vervangen kan rekenen op een lange stortvloed van scheldwoorden, kreten van helse pijn en gevloek, alsmede veel dingen die door de ziekenkamer vliegen. Sussende woorden, streng toespreken, bemoedigend troosten: het haalt allemaal niets uit. Het ene “AUWAUWAUWAUW!! KUT!!! GODDOMME NOG AAN TOE DAT DOET PIJN VERDOMME KUT KUT AUWAUWAUW” is nog niet weggestorven, of het volgende koffiekopje vliegt in scherven tegen de muur te pletter. Om vervolgens, na een paar seconden rust te horen:

“Ik ben geen watje hè, dat jullie dat niet denken!”

Als Juliëtte er is, zet ze me in een rolstoel en gaan we zoveel mogelijk ergens anders in het ziekenhuis zitten, want op de kamer waar ik lig kunnen we elkaar niet verstaan: elk geluid wordt overstemd door Ruben. Het zitten in een rolstoel is een marteling, maar ver te verkiezen boven de overprikkeling in de ziekenkamer. Een aantal malen vraag ik aan verschillende verpleegkundigen of ik ergens anders kan logeren, maar het is erg druk op de afdeling en er is geen lege plek. Zul je net zien.

Ik sluit me op in een soort meditatieve toestand om het te kunnen uithouden, en zegen geheel volgens de spirituele beginselen Ruben, het ziekenhuis en de medewerkers, maar voel toch een soort moordzucht in mezelf ontstaan, die per uur groeit. Dat gaat mis als er niet gauw iets gebeurt.

De visiteronde

Gelukkig lost Ruben het zelf voor me op. ’s Ochtends komen de zaalarts en een heel team van verpleegkundigen, arts-assistenten, artsen in opleiding en nog wat anderen – meestal zo’n zes personen – bij alle patiënten kijken, vragen stellen en de genezing of het gebrek daaraan vaststellen: de visiteronde.

Na twee doorwaakte nachten en dagen zie ik eruit als een spook – en ik was al niet op mijn best – stoot korte, gejaagde zinnen uit (ik moet telkens een adempauze van Ruben afwachten om me verstaanbaar te kunnen maken) en zie tot mijn genoegen dat de zaalarts en zijn team regelmatig fronsend naar het bed naast me kijken vanwege het rumoer. Het verlossende hoogtepunt volgt wanneer Ruben uit zijn bed en in zijn kleren stapt, zijn pakje sigaretten van de vensterbank pakt en de kamer verlaat. Daarvoor moet hij tussen het visiteteam en het voeteneind van mijn bed doorlopen. Aan dat voeteneind hangt een rek met patiëntendossiermappen, wat apparatuur en nog wat kostbaar spul. Ruben heeft flink de pas erin en schat de breedte van de doorgang iets te optimistisch in. Zijn knie stoot tegen het rek, dat losschiet en met daverend geweld door de ziekenkamer klettert. Het geeft een hels kabaal. De dossiers, apparaten en ander medisch gerief liggen wijd verspreid door de ruimte. Ruben zelf lijkt het niet helemaal mee te krijgen en verlaat met een mix tussen mompelen en kreunen de kamer. De zaalarts, die net opmerkte dat hij mij nog erg versuft en moe vond overkomen, kijkt mij verbijsterd aan.

“En dat is de reden,” zeg ik tegen hem. “Dat ik nog geen kwartier ononderbroken heb kunnen slapen na de operatie en derhalve enigszins vermoeid overkom.”

Ineens blijkt er toch een kamer vrij te zijn, waar ik zuchtend van opluchting mijn intrek mag nemen. Wat eerst onmogelijk leek, is nu in drie minuten geregeld. Ruben komt na zijn sigaretje even om het hoekje kijken.

“Jammer dat je weg bent,” zegt hij. “Maar het is voor beide partijen wel goed. Je rochelt nogal en daar kon ik slecht van slapen.”

“Blij dat ik je van dienst kan zijn, Ruben,” reutel ik. Daarna zink ik weg in gelukzalige bewusteloosheid: eindelijk slapen. Als ik wakker wordt, zit Juliëtte naast mijn bed te lachen. Ik vraag wat er zo leuk is. “Dat je voormalige kamergenoot nog leeft,” zegt ze. “Je bent echt verzwakt hè?”

“Ik ben geloof ik een watje aan het worden,” zeg ik.

Twee nieuwe vrienden

Ik maak ook vrienden in het ziekenhuis: het hoestkussen en de morfinepomp. Het hoestkussen is een kussensloop met twee opgevouwen handdoeken erin, waardoor een stevig pakketje ontstaat. Dat pakketje is bedoeld om tegen mijn borst te duwen als ik hoest, lach, nies of anderszins versneld adem. Al die verschijnselen zijn erg pijnlijk en de tegendruk van het hoestkussen vangt die pijn enigszins op.

Het moment dat het kussen zijn diensten het meest bewijst komt die avond als Juliëtte smaakvol vertelt over iemand die ze in de supermarkt tegenkwam; een oude vrouw. Die liep met haar winkelwagentje door het gangpad van de winkel waar Juliëtte ook net boodschappen deed, en bleef ineens midden in het pad als door de bliksem getroffen staan. Her en der draaiden mensen zich naar haar toe om te zien waarom de vrouw zo plotseling verstijfde. Direct daarna stiet ze een angstaanjagend geluid uit, dat het midden hield tussen “EKKH!” en een soort oerkreet alsof ze een stomp in haar maag had gekregen. Iedereen in de supermarkt op gehoorafstand schrok, vertelt Juliëtte; en wachtte in angstige spanning op het verloop. Zou de oude dame in kwestie een hartinfarct hebben? Kreeg ze een epileptische aanval? Moest 112 al gebeld, of toch even wachten tot er meer informatie beschikbaar was? Kortom: men wist het niet. Toen tilde de vrouw langzaam haar arm omhoog en begon naar iemand verderop te zwaaien. Ze zag gewoon iemand die ze kende en dit was haar manier van begroeten. Daarna winkelde ze rustig verder.

Natuurlijk had je erbij moeten zijn om te weten hoe grappig het was, maar de wijze waarop Juliëtte het vertelt en de geluiden nadoet, maken dat ik de slappe lach krijg. De pijn schiet in felle scheuten door mijn bovenlijf en ik moet nog harder lachen als ik wanhopig achter me graai om het hoestkussen te pakken en tegen mijn borst te duwen. Het is werkelijk geen gezicht: ik met paars aangelopen kop en een kussentje tegen mijn borst geduwd, steeds harder rochelend. Juliëtte wordt aangestoken door mijn gereutel en dan zitten we samen met de slappe lach. De tranen lopen me langs de wangen van het lachen en de pijn. Er wordt een nieuwe patiënt binnengereden: een oudere dame, die ons blij glimlachend toeknikt vanuit haar half zittende houding in het ziekenhuisbed. De zusters die haar binnen brengen kijken verbaasd naar ons geschater (van mij was het meer een grommend gereutel) en schieten dan ook in de lach. Een voedingsassistente die komt vragen wat we allemaal graag willen drinken, kijkt even naar ons en lacht dan ook mee. De hele kamer ligt op een gegeven moment in een deuk en bijna niemand weet waarom. Dat zorgt ervoor dat ik helemaal niet meer bijkom; een soort zichzelf versterkend mechanisme. Ondanks de pijn werkt dit genezend, en vanaf dat moment heet mijn vriend proestkussen.

De pretpomp

De andere vriend in het ziekenhuis is de morfinepomp die ik van Chiel, de IC-verpleegkundige heb gekregen. Het is een bijzonder vernuftig vervaardigd apparaatje van kunststof, met maar één knop: een grote blauwe. Het ding is verbonden met mijn infuus en nog wat andere apparaten. Als ik op de knop druk, krijg ik extra morfine in het infuus, wat versuffend, pijnstillend en in mijn geval ook hallucinerend werkt. Echt een vriend dus en ik ben er enorm blij mee.

“Je kunt niet overdoseren,” heeft Chiel me uitgelegd. “na een aantal doses is de pomp automatisch geblokkeerd. Na een tijdje begint er dan een ledlampje te branden om aan te geven dat er weer een dosis toegediend kan worden. Wij zien hoe vaak je op de knop drukt, dus ook als je drukt nadat de maximale dosering al gegeven is. Zodoende kunnen wij bijhouden of je meer pijn dan gewoonlijk hebt.”

Ik vind het geweldig en maak er dankbaar gebruik van. Naast de versuffing en de pijnstillende ervaring geniet ik ook volop van de hallucinaties. In de paar dagen dat ik morfine krijg, zie ik prachtige landschappen, wolkenpartijen en dieren – heel veel dieren. Vooral hertjes, die vrolijk huppelend met hun witte bipsjes door de ziekenkamer dartelen en mij lekker afleiden van de ongemakken. Af en toe heb ik de neiging om aan een arts of verpleegkundige – die altijd wel iets te morrelen hebben aan mijn lijf – te vragen of ze even aan de kant willen gaan omdat er net een lief, klein hertje niet langs kan zo. Ik kijk wel uit om het hardop te zeggen: morfine versuft en leidt tot wanen, maar het blokkeert het gezonde verstand niet. Als ik dat vraag, krijg ik waarschijnlijk een alternatieve manier van pijnstilling en ben ik mijn vriendjes de bosbewoners kwijt. Om nog maar de zwijgen van mijn vriend de morfinepomp die dan in beslag wordt genomen. Ik houd dus wijselijk mijn mond en geniet van Bambi en zijn vriendjes zolang het kan.

Dat de pijn ook een stuk draaglijker wordt, is mooi meegenomen natuurlijk.

Hannie

Hannie, de dame die mijn nieuwe kamergenoot is en die wij zo smakelijk lachend welkom heetten, is 75 jaar. Ze heeft een paar operaties achter de rug waarbij een en ander is misgegaan. Vooral de laatste narcose heeft haar geen goed gedaan, vertellen zij en haar man, die op bezoek is. De hertjes kunnen er allemaal gemakkelijk langs en draven vrolijk de kamer rond, Ruben ligt veilig een paar kamers verderop – zo af en toe hoor ik hem vanuit de verte nog vloeken – dus een rustig gesprek is prima mogelijk, wat een verademing is. Hannie kwam destijds niet goed uit de narcose en heeft een hersenbeschadiging opgelopen. Daardoor heeft ze een jaar niet samenhangend kunnen praten en moest een lange, zware therapie ondergaan om alles weer enigszins op een rijtje te krijgen. Nu is ze weer verstaanbaar en komt haar geheugen ook langzaam weer enigszins op orde.

Als we zo naar haar luisteren, beseffen Juliëtte en ik hoeveel geluk ik heb met mijn operatie die feilloos is verlopen, inclusief de narcose, en we kijken elkaar even in dankbaarheid aan. Hannie is begrijpelijkerwijs nogal angstig voor een volgende operatie, die helaas dringend nodig is om wat fouten van de vorige operatie te herstellen. Ik leef met haar mee en zeg dat ze me wakker moet maken als ze er iets over kwijt wil ’s nachts.

Het is ontroerend om te zien hoe de verpleegkundigen en artsen hun uiterste best doen om Hannie gerust te stellen, zonder haar iets voor te liegen. Ja, het is een riskante bedoening, dat opereren, maar ze is in handen van de beste specialisten en iedereen doet zijn uiterste best. Ook haar angsten worden goed opgepakt en met een mix van aandacht, liefde en enige chemische ondersteuning heeft Hannie een rustige nacht, en ik dus ook.

’s Morgens wordt Hannie voorbereid op haar operatie en zuster Minke gaat haar douchen. De badkamerdeur staat op een kier en op een gegeven moment hoor ik zuster Minke praten.

“Lekker warm zo? Niet té?”

“Heerlijk,” zegt Hannie. “Precies goed hoor. Dank je wel.”

“Fijn,” zegt Minke. “Wat hebt u trouwens een leuke, kleine teentjes; is u dat wel eens opgevallen?”

“Ach gut,” zegt Hannie. “Nu je het zegt, nee; dat is me nooit opgevallen. Grappig eigenlijk hè?”

Ze schieten beiden in de lach. Ik lig in mijn bed zachtjes te janken van ontroering om de liefde en aandacht waarmee een verpleegkundige zo’n angstige, oude dame door een moeilijke tijd heen helpt.

Naar huis

Later die ochtend komt het visiteteam me vertellen dat ik naar huis mag. Ik ben dolgelukkig en bel Juliëtte die me komt halen. Nu kan de genezing volop verder, al komen er nog een paar kleine hobbeltjes op de weg naar volmaakte gezondheid.

Ik neem – met een grote zak medicijnen voor thuis – afscheid van iedereen en stap onwennig in de auto. Alles doet pijn, het licht is te fel, het kotsen staat me nader dan het lachen, ik voel me totaal vervreemd van de buitenwereld en thuis kan ik maar moeilijk wennen aan de rust en het comfort.

Ik ben gehospitaliseerd, al heb ik dat nog niet direct in de gaten.

Naar deel 5

Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 3: openhartoperatie

De dag voor de operatie zullen de chirurg en de anesthesist me komen vertellen wat ze de volgende dag gaan doen. De moed zinkt me in de pantoffels als een jongeman in witte jas aan mijn bed verschijnt en wat onzeker begint te hakkelen over de operatie. Juliëtte en ik kijken elkaar aan en ik neem een besluit. Net als ik hem wil onderbreken om te zeggen dat ik niet door hem geopereerd ga worden, vertelt hij dat hij assistent-arts is en dat de chirurg en anesthesist onderweg zijn om mij voor te lichten. Ik koester me in een ‘o gelukkig, ik schrok al’-momentje.

Even later stapt een jonge vrouw met een bos wilde krullen binnen. Ik ben benieuwd wie dat is. “Hallo,” zegt ze en geeft me een handdruk waar een blikslager jaloers op kan zijn. “Ik ben Aafke, thoraxchirurg in opleiding, en ik ga je morgen opereren.” Aafke straalt openheid en vertrouwen uit en ze komt op ons bekwaam over. Juliëtte en ik hebben geleerd op ons gevoel te vertrouwen en het eeuwige geneuzel van het verstand op cruciale momenten even naar de achtergrond te verbannen. Dit is typisch zo’n cruciaal moment. We vertrouwen mijn hart met een gerust hart voor een paar uren aan Aafke toe.

Om 12.30 uur op de dag van de waarheid word ik opgehaald door twee zusters, om naar de OK te worden gereden. Juliëtte mag meelopen tot aan de laatste klapdeuren voor de operatiekamers. Een vreselijk gezicht moet dat zijn: je vent die door de klapdeuren een riskante operatie tegemoet rijdt. Het doet een beetje denken aan de kist die langzaam wegschuift in een crematorium. Achteraf verneem ik van Juliëtte dat ze het inderdaad niet als een feestelijk moment heeft ervaren. Ik vond het in elk geval bijzonder moeilijk om haar daar achter te laten, zonder dat ze enig zicht had op wat er met mij ging gebeuren.

Faya sitong no brong mi so

De dames bedcoureur maken er werk van: met bloedstollende snelheid word ik een kamer binnengereden. Hier moet ik vanuit het bed op de operatietafel overstappen, die dan naar de operatiekamer wordt gereden. De OK-assistente Celia heeft een accent en ik vermoed dat het Surinaams is. Dat bevestigt ze desgevraagd en ik kwak een paar zinnen Surinaams die ik ken eruit. Ze begint te lachen en even later zijn we samen een Surinaams kinderliedje (wat ooit begonnen is als een slavenliedje) aan het zingen: ‘Faya sitong no brong mi so’. Heel gezellig allemaal en ik ben geen moment gespannen. Stef, de anesthesist, vertelt me wat hij me gaat toedienen en hoe dat zal gaan voelen, en de chirurg, Aafke, vraagt of ik haar wil vertellen wat er gaat gebeuren. “Als ik het goed heb begrepen,” zeg ik, “maak je een verticale incisie in mijn borst, en eentje in mijn onderarm of –been om daar een ader te lenen. Dan wordt mijn borstbeen verticaal doormidden gezaagd en de ribbenkast geopend, de ribben worden opzij gebracht om bij het hart te kunnen. Dan wordt een deel van het hart stilgelegd met zuignappen (octopusmethode) omdat je geen hart-longmachine gaat gebruiken, en ga je de ader uit mijn been of arm en eentje uit mijn borstholte gebruiken om de omleidingen op mijn kransslagader te maken. En dan alles weer netjes aan elkaar zetten en dichtmaken natuurlijk.” Het klopt helemaal en nu Aafke weer weet wat ze moet doen onderga ik al verder zingend met Celia de rest van de voorbereidingen, zoals infuus inbrengen en elektroden op hoofd en lichaam aanbrengen. Celia stopt even met zingen, geeft me een klopje op een stukje arm dat nog vrij is en zegt: “succes mi gudu, alles komt goed.” Ze verdwijnt zacht zingend uit mijn blikveld.

Salto achterover in de vergetelheid

Als het zover is, legt Stef een kapje los op mijn mond. “Voor wat extra zuurstof,” zegt hij. Ik mompel nog een paar noten met Celia mee: “Adjama sama, sa kiri suma pi tjien …” Dan zak ik weg in zalige vergetelheid. Geweldig om mezelf in slaap te zingen en ik geef me moeiteloos over; een salto achterover in het niets, in het luchtledige… ik voel me uitstekend. “Pa en opa even opzoeken straks,” kan ik nog net denken; dan is alles weg.

Dat ik mijn overleden vader en opa’s – en nog een paar anderen die geen aards lichaam meer bewonen – wil opzoeken heeft te maken met een langgekoesterde wens, namelijk te onderzoeken of er een vorm van bewustzijn te ervaren is op het moment van coma of narcose. Wanneer zich die gelegenheid voordoet althans, dus nu. Mocht die vorm van bewustzijn er zijn en kan ik die ervaren, dan lijkt het me geweldig om te kijken of ik kan aanhaken bij het collectief: het grote al-wat-is-bewustzijn, en van daaruit contact kan krijgen met individuele stukken bewustzijn, zoals die van overledenen. Indien en mits en eventueel en als dan et cetera: daarom wil ik het ook graag onderzoeken natuurlijk, omdat ik er niets van weet en al decennialang niet meer vertrouw op subjectief geblaat of de semi-wijze vragen als: “Wie is het die dit ervaart?” van zelfbenoemde verlichten. Mijn wens is dat ik het zelf ervaar: boeken napraten heeft geen enkele zin.

Een vreemde wens, ik weet het: ik had ook een nieuwe auto kunnen vragen of een basgitaar, maar mijn voorkeur gaat nou eenmaal uit naar het onmogelijke, zo blijkt. Want alle voornemens ten spijt weet ik helemaal niets van de periode dat ik in narcose was: ik ben dat stukje tijd volkomen kwijt. Die basgitaar heb ik overigens later alsnog van Juliëtte gekregen omdat ik zo flink ben geweest in het ziekenhuis en bijna niet heb gehuild, maar daarover later.

Een spelletje Hints

Ik doe het kalmpjes aan met ontwaken uit de narcose. Om 17.15 uur was de operatie klaar en om 23.00 begin ik pas wakker te worden: ik haal alles uit de narcose wat erin zit. Het slavenliedje waarmee ik in slaap viel is reeds lang uitgezongen en niet meer in mijn waarneming aanwezig. Chirurg Aafke zit waarschijnlijk thuis te ontspannen na een lange dag opereren, Celia neemt al neuriënd een wijntje en Stef kijkt een leuke film thuis.

Het eerste wat ik hoor is de stem van Juliëtte, die vertelt waar we wonen. Ik probeer uit te leggen dat ik me dat nog prima herinner, maar ik kan niet praten. Juliëtte heeft het trouwens niet eens tegen mij, maar tegen de Intensive Care-verpleegkundige die enthousiast reageert: zij gaat binnenkort trouwen in onze woonplaats. De verpleegkundige – Rieneke – ziet dat ik wakker word (waarschijnlijk aan de hele rits kastjes, lampjes, bliepjes en piepjes, meters, slangen en apparaten waaraan ik vastgebonden lig en zegt: “Ik zit gezellig met je vrouw te praten hoor.” Ik knik en doe mijn ogen open. Ik kijk recht in het gezicht van Juliëtte die me heel bezorgd aankijkt: ik schiet bijna in de lach van opluchting. Ze is er en het gaat goed met haar, dat is het enige wat voor mij telt.

Rieneke babbelt ondertussen nog wat door. Ik kan niet praten omdat ik nog aan de beademing lig. Als ik helemaal zelfstandig adem mag de slang eruit, wordt me verteld. Ik breng mijn hand naar boven – terwijl ik me verbaas over al die slangen en verbanden die mee omhoog gaan – en houd mijn duim en wijsvinger een stuk van elkaar; Rieneke en Juliëtte kijken gespannen toe. Dan beweeg ik mijn duim en wijsvinger langzaam (sowieso gaat alles tergend langzaam) naar elkaar toe en weer van elkaar af. Dat herhaal ik een paar keer en wijs dan op mezelf. Voor mij is de gebarentaal zo klaar als een klontje: “Haal die slang er maar uit want ik kan zelf wel ademen.”

“Harder of zachter?” vraagt Juliëtte. Ik schud nee en heb onmiddellijk spijt: mijn hersenen rollen als losse biljartballen door mijn schedel. Weer maak ik het gebaar met duim en wijsvinger en wederom wijs ik op mezelf. Tweede woord, eerste lettergreep, vier letters.

Door een kudde nijlpaarden genomen

“Dorst? Een beetje drinken?” vraagt Rieneke. Ik geef de moed op en val volkomen uitgeput in slaap. Ik zal moeten wachten tot ik weer wakker ben en daadwerkelijk zelf adem. Dat is na een tijdje. De slang mag eruitgehaald worden. Ik wordt stevig tussen Rieneke en een andere verpleegkundige ingeklemd. Heel stevig zelfs, en dat is maar goed ook, want het uittrekken van de beademingstube is geen pretje en ik heb de neiging om al stikkend en kokhalzend twee verpleegkundigen om te gooien. Gelukkig zijn ze prima getraind in het hanteren van platgespoten, zwakke en traag spartelende patiënten en maak ik geen schijn van kans. Een paar benauwde seconden later is de tube eruit en kan ik vrij ademen: heerlijk. Ik begin gelijk met een stem als een cementmolen te ratelen tegen Juliëtte: “Is alles goed met je? Gaat het wel?” Ze schieten in de lach omdat ik degene ben die geopereerd is, maar dat boeit me niet. Juliëtte is voor mij het belangrijkste: altijd. Ze knikt en ik ontspan. Dan is alles goed.

Er volgt nog een kokhalsmomentje omdat er een of andere sonde niet helemaal goed in mijn maag en slokdarm zat, maar dan is het klaar en kan ik uitrusten van het slapen.

“Hoe voel je je op dit moment?” vraagt Rieneke.

“Alsof ik door een kudde nijlpaarden ben genomen,” rochel ik.

Dat schijnt vrij normaal te zijn na zo’n operatie, al had Rieneke het nog niet eerder op die manier horen omschrijven, vertelt ze. Ik weet uiteraard ook helemaal niet hoe dat voelt met die nijlpaarden: het was maar bij wijze van spreken. Toch valt de pijn wel vol te houden: door de verdovingen is het een min of meer afstandelijke sensatie.

Juliëtte gaat weg om een paar uren slaap te pakken en ik ben ook wel weer aan een dutje toe; luie donder dat ik er ben. Het is heerlijk stil op de IC, ik krijg morfine toegediend – wat mij helpt ontspannen – en de verpleegkundigen houden me goed in de gaten.

Alfamannetje

Op een gegeven ogenblik word ik wakker en kijk recht in de ogen van een wolf, die op mij zit, met zijn voorpoten op mijn borst. Hij weegt ergens tussen de zestig en zeventig kilo maar ik heb daar wonderwel geen last van. Ernstig kijkt hij me aan met zijn felle, mooie ogen. Het is een mannetje, een alfa en ik ruik zijn wilde buitenlucht. De warmte van zijn lichaam en de druk van zijn gewicht, het geluid van zijn adem en zijn intense blik geven me een geweldig geborgen, veilig gevoel. Alsof hij over me waakt. Ik ben me bewust van wat morfine met een mens kan doen, maar geniet desondanks van de levensechte sensatie. Als dit een waan is, doe mij er dan nog maar een paar. Ik val weer in slaap: de wolf bewaakt me. Misschien heb ik ‘m aangetrokken met de tatoeage op mijn arm: een wolf.

Date met de dood

Ergens in die eerste nacht word ik opnieuw wakker. De wolf is vertrokken. Ik bemerk wat toegenomen activiteit links van me. Er hangt een gordijn dus ik kan niet veel zien, maar ik merk wel dat er veel spanning heerst. Even later zie ik wat mensen die kant op snellen en wordt het nog wat drukker. Als ik zie dat een van de verpleegkundigen om een hoekje van het gordijn naar me staat te kijken, wuif ik even met mijn hand om aan te geven dat het goed met me gaat. Hij knikt me toe en wuift terug. Hij blijft me goed observeren. De volgende dag vraagt de ochtendverpleegkundige , Chiel, of ik nog iets heb meegekregen van de nacht. De toon waarop hij het vraagt bevestigt mijn vermoeden en ik zeg; “Als je bedoelt of ik gemerkt heb dat mijn buurman of – vrouw het niet heeft gehaald: ja dat heb ik meegekregen.” “We hebben hier uitstekende voorzieningen in het ziekenhuis,” zegt Chiel. “Als je hier iets over kwijt wilt, of anderszins ergens moeite mee hebt, geef het dan aan.” “Dank je wel,” zeg ik. “Ik heb geen enkel probleem met de dood, met alle respect en medeleven voor de nabestaanden natuurlijk, maar ik heb nergens last van.” Wel mooi dat het zo goed geregeld is allemaal. En wat een prachtig beroep hebben deze mensen!

Chiel frist me lekker op – ik kan zelf nagenoeg niets – en schoon en fris mag ik naar de verpleegafdeling. Intensieve zorg is niet meer nodig – ik heb het overleefd. Ik ben me erg goed bewust van wat er is gebeurd en de boodschap die daar voor mij in zit. De patiënt vóór me overleed en de patiënt na mij ook. Ik heb een date met de dood gehad en die heeft beslist: ik blijf leven. Tijd voor een evaluatie. Die wijst uit dat ik een stuk meer zin heb in het leven dan voorheen. Alleen dat is al vette winst. Die operatie kon wel eens meer impact hebben dan ik aanvankelijk dacht.

Op naar de afdeling, waar mij nog veel meer hilarische en ontroerende avonturen staan te wachten; al was het maar vanwege het morfinepompje met mogelijkheid tot zelf doseren, dat ik heb gekregen van Chiel en dat ik nooit meer ga teruggeven. O nee; beslist niet!

Naar deel 4

Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 2: Pyjama Party

Na de vooronderzoeken en voor de operatie

Na de hartkatheterisatie word ik teruggereden naar de verpleegafdeling, waar Juliëtte op me wacht. Ik ben blij haar weer te zien en vertel haar wat de cardioloog heeft gezegd. We zijn het er in elk geval over eens dat het goed is dat er wat gedaan wordt aan mijn probleem, voordat het echt misgaat.

De zaalarts komt een tijdje later vertellen dat hij me in het ziekenhuis wil houden, vanwege het risico op een infarct of andere hartproblemen, zodat ik alvast binnen ben voor de operatie. Het is even slikken maar we zien de noodzaak ook hiervan in. Dus nu lig ik officieel in het ziekenhuis.

Ik kom bij een jonge powerlifter op de kamer. Een aardige vent; hij heeft teveel gesnoept van de anabole steroïden en hartproblemen gekregen; hij belooft de dokter, zijn vrouw en zichzelf beterschap en dat hij de anabolen in het vervolg laat staan. Hij mag dezelfde dag nog naar huis dus ik hoop een nacht alleen te kunnen slapen. Helaas: een nieuwe patiënt wordt binnengereden. Henk is 73 jaar en heeft een lang verleden met hart- en longproblemen. Hij is twintig jaar geleden geopereerd aan longkanker en de laatste tijd heeft hij vooral problemen met het hartritme.

Nutteloze strijdjes

Wat Henk kenmerkt is zijn gewoonte om alles te weerleggen wat een ander zegt. ‘Nee’ is bijna continu het woord waarmee hij zijn reacties begint, vaak gevolgd door ‘dat klopt niet hoor’ of: ‘dat zeg je verkeerd’. Vooral lastig voor de verpleegkundigen en artsen die alles in het werk stellen om het leven van Henk nog enigszins te verlichten. Ik ben in de drie dagen dat Henk en ik een kamer delen getuige van talloze nutteloze, onzinnige strijdjes. De verpleegkundige die de temperatuur opneemt bij Henk krijgt te horen: “Dat klopt niet hoor, 36.1 graden. Dat moet hoger zijn.” Ze legt geduldig uit dat een oorthermometer altijd een wat lager meetresultaat geeft dan een mond- of rectale thermometer, maar Henk blijft tegensputteren. Na twee heen-en-weertjes kijkt ze mij even aan met een snel lachje en zegt tegen hem: “Goed, ik zie het belang van de juiste meting in; ik zal zo even een andere thermometer halen, dan kunnen we het rectaal meten.” Henk bindt onmiddellijk in. “Nou, zo belangrijk is het ook niet, en het zal vast geen 10 graden tegelijk schelen denk ik. Dus dat hoeft niet hoor, zuster.” Ik draai me om zodat Henk mijn ingehouden lachen niet ziet. De verpleegkundige ziet het wel en glimlacht stralend naar Henk. “Prima, dan houden we het hierbij,” zegt ze. Vakmens dat ze is.

Slaapschudden

Die nacht word ik rond vier uur wakker van gerommel en gebonk. Als ik mijn ogen open kijk ik in het woedende gelaat van Henk die, slechts gekleed in een onderbroek, aan het voeteneneind van mijn bed staat te duwen en te trekken. Gelukkig heeft hij zijn gebitten in. Het bed schudt heen en weer. Ik ga rechtop zitten en kijk naar de kleine, magere bejaarde die vokomen onbewust lijkt van zijn eigen handelen. Hij is aan het slaapschudden. “Je hebt een infarct!” schreeuwt Henk ineens, terwijl hij aan het bed blijft rammelen. “En nu begint de ellende pas!” “Ga slapen Henk,” zeg ik. “Ik heb geen infarct, ook niet gehad. Ga in je eigen bed liggen.” Het lijkt alsof ik tegen de muur praat. Henk’s ogen staren door mij heen terwijl hij aan het ledikant staat te sjorren. “Eeeeeeeehhhh!” roept hij, en: “aaahhh!”. Na deze mededelingen vind ik het welletjes. Net wanneer ik op de bel wil drukken om een verpleegkundige te roepen, laat Henk mijn bed los, loopt naar zijn eigen bed waar hij inkruipt en prompt begint te snurken. Ook al heb ik niet gebeld: nachtzuster Francien komt toch even kijken en ziet dat ik wakker ben. “Alles in orde hier?” vraagt ze, met een snelle blik op het snurkende hoopje in het bed naast me. “Ja hoor, dank je wel,” zeg ik. Wat een avontuur, zo’n ziekenhuisopname.

Pleegzuster bloedneus

Een uur later, zo rond kwart over vijf in de ochtend, word ik opnieuw wakker van gestommel en gevloek. Henk heeft een bloedneus en loopt alles onder te bloeden. “Zal ik even een zuster bellen?” vraag ik. “Nee, die weten niet wat ze moeten doen,” antwoordt hij. Ik haal mijn schouders op en laat het erbij, maar als hij 20 minuten later nog staat te hannesen en het bloed inmiddels overal ligt, ben ik het zat. Ik druk op de bel en zuster Francien komt kijken. Alles wat ze wil doen of voorstelt om Henk te helpen wordt heftig door hem afgewezen: ze weten niet wat ze doen en hij – Henk – is de enige die weet hoe hij het moet stoppen. “Waarom bloedt het nog steeds dan?” vraagt zuster Francien. In gedachten overlaad ik haar met kransen en zoenen en omhelzingen en oorkondes: Francien for President. Henk is woedend. “Dat weet ik toch niet!” schreeuwt hij onbeheerst naar Francien. Die heeft wel vaker met dit bijltje gehakt, kennelijk. Ze pakt Henk bij zijn schouders, dirigeert ‘m naar zijn bed en wanneer hij met zijn knieholtes tegen de rand van het bed staat, duwt ze nog even stevig door zodat hij niet anders kan dan gaan zitten. “Rustig blijven zitten en wachten tot ik terug ben,” zegt Francien streng. Zelfs Henk is stil. Even later is ze terug met wat er ook maar nodig is om een neusbloeding te stelpen en gaat aan het werk. Alle protesten van Henk worden straal genegeerd en als ze klaar is zegt ze: “Even één ding afspreken: als je dit gaasje nou ook weer lostrekt, ben je op jezelf aangewezen: ik kan dan niets voor je doen verder. Als je slim bent, hou je het daar een halfuurtje, dan is het over.” “Dat klopt niet hoor,” neuzelt Henk door het verband heen. Francien knikt. “Zelf weten,” zegt ze. “Kijk maar wat je doet; het is jouw neus.” Henk kiest eieren voor zijn geld en houdt het verder toch maar droog. Ik pak nog een halfuurtje slaap en dan begint het drukke ziekenhuisleven van alledag weer.

Ontbijtbitch

Het ziekenhuis is een stad op zich: een soepel draaiende machine. Daar is veel organisatie voor nodig en die is hier prima geregeld.

Om zes uur komen de nachtdienst-verpleegkundigen met de eerste ronde medicatie. Pillen slikken, even suffen en tussen halfzeven en zeven uur komen de voedingsassistentes met het ontbijt om te vragen wat je wilt eten en drinken. Alles is vers, goed verzorgd en wordt geserveerd door vriendelijke, opgeruimde dames. Eentje springt eruit. Ze groet verbaal weliswaar netjes, maar je hoort de pijn eronder. Wat voor pijn het is weet ik niet, maar ik vermoed een paar enorme teleurstellingen door mensen in het algemeen en mannen in het bijzonder. Ik ken die blik: licht onzeker, maar verborgen achter een zweem van felheid. De ‘kom maar op – ik lust je rauw – blik’. Dat de praktijk naadloos aansluit bij mijn non-verbale waarnemingen blijkt al snel. “Eiersalade op brood? Dat kun je beter niet doen,” zegt de ontbijtdame tegen me. “daar zit vrij veel zout in en dat is niet goed.” En tegen mijn buurman (een nieuwe – Henk mocht naar huis): “Twee witte bolletjes? Daar zijn er niet zoveel van hoor, dus ik weet niet of dat wel kan.” En met een snelle blik op mij: “Maar misschien als u dan elk één bolletje neemt?” “Ik hoef geen bolletje,” zeg ik. “Dus kan de buurman mijn bolletje erbij krijgen.” Even kijkt ze me verbluft aan, dan schiet de woede in haar ogen. “Ja, zo werkt dat niet hè,” zegt ze. Ik knik; ik heb het begrepen. “We hebben een onvervalste ontbijtbitch,” zegt de buurman als ze weg is.

Daarna blijft het gespannen tussen ons en de volgende dag komt het tot een oplossing. Ze begint weer te sputteren – deze keer omdat ik zwarte koffie vraag, terwijl zij van mening is dat thee ’s morgens beter is. Ik besluit mijn andere ik toch maar tevoorschijn te halen voor dit moment. “Hebt u hier een opleiding voor gedaan?” vraag ik netjes. Ze kijkt me aan als een prooidier in het nauw. “Wat bedoelt u?” “Nou, ik hoor nu een paar dagen uw ontradingen, adviezen en tegenwerpingen bij wat ik vraag voor ontbijt of lunch, en niet alleen tegen mij, maar ook tegen mijn kamergenoot. Welke opleiding heeft u genoten en welke functie – naast voedingsassistente – bekleedt u hier dat u deze voedingsadviezen mag geven?” Ze trekt wit weg. “Zwarte koffie,” mompelt ze. “Ik zal het even pakken.” De buurman ligt gelukzalig in zijn bed te grijnzen. Daarna hebben we haar niet meer gezien: waarschijnlijk heeft ze geruild met een collega op een andere afdeling. Wat een kloteleven heb je dan, als je mensen die ziek in een bed liggen moet bestrijden met hun voedingskeuzen.

Prikkelmeisjes

Voor de rest een en al lof voor de mensen die zo’n machine draaiende houden. Als ik zie met hoeveel liefde en vriendelijkheid, vakkennis en –kunde de artsen, verpleegkundigen, assistenten en alle andere mensen zorgen dat alles goed verloopt, krijg ik steeds meer bewondering voor deze mensen, van wie een deel nog erg weinig krijgt betaald ook. Engelen zijn het.

Na het ontbijt komen de prikkelmeisjes, zoals ik ze in gedachten (nooit hardop!) noem: laborantes en studentes die bloed afnemen om dat te laten onderzoeken in het laboratorium. Het gebeurt allemaal snel en vakkundig: er heeft al die tijd niet eentje misgeprikt bij me, wat ik enorm waardeer.

Dan de onderzoeken: bloeddruk, hartslag, zuurstofgehalte en wat al niet meer. Voor ik het weet lig ik alweer doodmoe achterover bij te komen van het wakker worden.

Ik sta op de lijst om over vijf dagen te worden geopereerd. In tegenstelling tot bij de voorafgaande onderzoeken ervaar ik geen enkele spanning bij het vooruitzicht op een openhartoperatie. Op de een of andere manier ben ik mijn witte jassenvrees kwijtgeraakt. De aanwezigheid, liefde en ondersteuning van Juliëtte heeft daar het meest mee te maken. Ik ben klaar voor de operatie en verheug me op de tijd erna, wanneer ik voluit kan ademen, bewegen en blij zijn, zonder uitgeput te raken.

Dan, twee dagen voor de operatie, krijg ik te horen dat ik een dag eerder geopereerd ga worden. Er is iemand ‘uitgevallen’ zoals de zaalarts het eufemistisch maar met een veelbetekenende blik aan me meedeelt. Ik heb gemengde gevoelens: blij dat het eerder kan en medeleven met de nabestaanden van de patiënt die niet meer geopereerd gaat worden. Iets wat wel vaker voorkomt op een afdeling van de cardiologie uiteraard, maar toch.

Morgen de operatie dus…

Naar deel 3

Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 1: Witte Jassenvrees

Toen ik dan op aandringen van Juliëtte eindelijk naar de huisarts ging, mat hij een bloeddruk van 180 / 124; echt veel te hoog.

“Heb je klachten?” vroeg hij.

“Nah, niet echt,” zei ik.

“Niet snel vermoeid, de laatste tijd?”

“Ja, dat wel.”

“Druk op de borst tijdens en/of na inspanning?”

“Ja, eigenlijk ook wel.”

“Kortademig?”

“Niet voortdurend,” probeerde ik nog. Hij knikte, haalde het bloeddrukmanchet van mijn arm en keek me aan.

“Ik ga je doorsturen voor een bloedonderzoek, een hartfilmpje oftewel ECG, nog wat andere onderzoeken en dan wil ik je daarna weer zien,” zei hij. “En daar gaan we niet te lang mee wachten.”

Met lood in mijn schoenen en een verwijsbriefje voor de afdeling cardiologie togen we huiswaarts, waar ik in somber gepeins verzonk. Ik had nog nooit iets gemankeerd wat niet met een paar nachten doorslapen en een aspirientje op te lossen was, verdorie.

Een paar dagen later kreeg ik een uitnodiging van het ziekenhuis, of ik me de week daarna ’s ochtends om negen uur wilde melden bij de polikliniek cardiologie. “Polikliniek; dat is toch dat ik niet hoef te blijven slapen?” vroeg ik aan Juliëtte. Ik had het op dat moment nog niet in de gaten maar er was iets gebeurd wat ik al heel lang niet meer had meegemaakt: ik was bang. Bang voor het onderzoek, het onbekende, voor wat ‘ze’ allemaal met me gingen doen…

‘Ze’ waren de mensen in witte jassen.

Efficiëntie op zijn best

Wat Juliëtte en mij als eerste in het ziekenhuis opviel, was de ongelooflijk efficiënte planning. Op de uitnodigingsbrief stond een streepjescode, die moest ik voor een apparaat houden en daarna kwam er een briefje uit het apparaat waarop alle afspraken, soort onderzoek, naam van de arts en wachtruimte waar ik zou worden opgeroepen stonden: keurig gerangschikt op tijd en alle betrokkenen waren nu ingelicht dat we in de wachtruimte aanwezig waren. Dat werkte erg snel en prettig: we hoefden nergens lang te wachten.

Het hartfilmpje was snel gemaakt: een paar zuignappen op mijn bovenlijf, even rustig liggen ademen en een minuut later rolde er een printje uit een apparaat. “Sta ik er een beetje leuk op?” probeerde ik mezelf op te beuren. De verpleegkundige glimlachte: die hoort dat waarschijnlijk dertig keer op een dag.

Daarna een echo. Een echo. Echo… Terwijl ik op mijn zij lag, speurde een specialiste mijn borst en zijden af naar signalen. Die waren er gelukkig en mijn hart kwam in beeld en geluid te voorschijn op de apparatuur. Ik vond het erg bijzonder om mijn hart eens vanaf de andere kant te horen. Ook dat onderzoek was na een klein half uur klaar en ik mocht me aankleden waarna we moesten wachten tot de cardioloog ons zou roepen voor het oordeel. Ik kneep ‘m nog steeds flink.

De cardioloog, een jonge, strenge en erg serieuze vrouw met een onuitsprekelijke achternaam had goed en slecht nieuws. “Het goede nieuws is dat uw hart onbeschadigd is. Het slechte nieuws dat ik de kransslagader verdenk van een of meer vernauwingen.” Ik knikte maar eens, om aan te geven dat ik het begreep. Daarna volgde nog een reeks vragen over mijn eet- en drinkgewoonten, roken, familiegeschiedenis et cetera. Aan het eind van het gesprek gaf ze me een hand. “Ik laat u oproepen voor een CT-scan,” zei ze. “om te kijken of ze daar uw kransslagader nog wat beter in beeld kunnen brengen.” We togen naar huis; toch wat opgelaten. Het woord ‘familiegeschiedenis’ bleef rondzingen in mijn hoofd: in mijn familie is de generatie vóór mij bij bosjes overleden – allemaal voordat ze vijftig jaar waren.

“Ik heb tenminste dan nog de 56 jaar aangetikt,” mompelde ik in de auto. Een wrange overwinning.

De lieve, kleine zuster

Korte tijd later (als je eenmaal in de molen zit, draait ie vlotjes door) meldden we ons bij de afdeling radiologie in het ziekenhuis, om de scan te laten maken. Ik zag er wederom flink tegenop, maar snapte de noodzaak uiteraard. Ik werd binnengeroepen en verwelkomd door een verpleegkundige die ik op anderhalve meter lengte schatte, met een kapsel alsof er iets op haar hoofd was ontploft, en een paar enorm grote, blauwe kijkers achter een veel te grote bril. “lieve, kleine zuster,” noemde ik haar in gedachten, vrij naar het typetje van Anniek Pheifer in Jiskefet’s prachtige serie “De Hubertushof.” “Zin in?” vroeg de lieve, kleine zuster van wie ik dus geen idee had hoe ze heette omdat ik over Jiskefet stond te mijmeren toen ze zich voorstelde.

“Nee, niet echt,” zei ik. “Maar laten we het maar achter de rug krijgen.”

Ze keek me eens doordringend aan en knikte toen.

“Als straks de contrastvloeistof wordt ingespoten kan dat een wat onprettig gevoel geven – misschien krijg je een raar gevoel in je keel, je kunt een beetje misselijk worden: het wordt heel warm in je borst en buik en ook van onderen. Net of je in je broek plast, maar je blijft gewoon droog hoor!” Met de wenkbrauwen hoog opgetrokken en mij heel blij aankijkend, was ze het toppunt van lieve zorgzaamheid en ik schoot in de lach, toch wat meer ontspannen nu. Ze lachte vrolijk mee. “Hou je van koffie?” “Enorm,” zei ik. “Denk maar aan die lekkere bak koffie straks dan.”

Iemand doodkijken

Het ging verder best goed, dat onderzoek: de lieve, kleine zuster verstond haar vak en had me op precies de juiste wijze gerustgesteld. Nadat ik me had aangekleed, stond Juliëtte op me te wachten, altijd een hemels moment, en gingen we op zoek naar de uitgang. Onderweg zakte ik bijna in elkaar door een aanval van slapte. Even een plekje zoeken om te zitten, een bankje. We zaten nauwelijks of een schoonmaakster kwam uit het niets aangesneld en dweilde als een bezetene bijna onze voeten onder ons vandaan: ze moest precies op dat plekje zijn waar wij zaten. We stonden op en liepen naar een volgend bankje, en de schoonmaakster rende mee om vervolgens precies daar te gaan schoonmaken, zodat we niet even rustig konden zitten. We keken elkaar vermoeid aan: geen onbekend verschijnsel dit, gedurende de afgelopen 10 jaar.

De vaatverwijders die ik ingespoten had gekregen en de hartslagvertrager deden hun werk goed; ik voelde me zo slap als een natte krant. Nadat we dan toch even op een derde bankje konden zitten en Juliëtte de schoonmaakster had doodgekeken zodat die eindelijk de boodschap begreep en uit onze buurt bleef, kon ik weer verder. Thuis voelde ik me heerlijk ontspannen: eindelijk eens een rustige hartslag en een fijne bloeddruk en voldoende zuurstof naar het hart – voor het eerst in jaren tijd. Genieten, maar slechts voor een uurtje, daarna was het spul weer uitgewerkt. Het gaf in elk geval aan dat we in de goede richting zochten.

Tot zover het voortraject. Het echte feestje moet nog beginnen.

Een paar dagen later belt de cardioloog, met het nieuws dat de scan inderdaad bevestigt wat ze al vermoedde: een vernauwde kransslagader. Ze wil me verder onderzoeken (nog verder), zegt ze. Een hartkatheterisatie. Zo snel mogelijk. Vooral dat ‘zo snel mogelijk’ is een vrij treffende manier om me compleet te verlammen. Ik durf bijna niet meer uit mijn stoel op te staan uit angst voor hartinfarcten of –stilstanden, ontploffende aders, in het rond vliegende bloedproppen en al het andere wat ik inmiddels op het internet heb weten te vinden onder zoektermen als: ‘risicofactoren bij hart- en vaataandoeningen’, ‘coronaire hartziekten’ en meer van dat opbeurends waar je echt nooit naar moet zoeken op het internet.

Hooggevoelige aderen – de hartkatheterisatie

De dag van het onderzoek word ik opgenomen: dat is standaard, dan kunnen ze je voorbereiden. Op een bed word ik naar de katheterisatiekamer gereden en klaargelegd voor het onderzoek. Dokter Gaby (mijn ernstige, strenge vriendin de cardioloog) vertelt mij kort wat ze gaat doen, belooft mij een stevige pijn bij het aanleggen van de ingangsplug in de polsslagader en gaat aan het werk. Die belofte maakt ze waar: het doet pijn, die plug in mijn slagader. Toch vind ik dat niet zo erg. Het gevoel van die draad die door mijn ader wordt geschoven tot in mijn hartkamer – dat vind ik pas echt vreselijk. Ik voel het ding iedere centimeter afleggen en het lijkt wel of de katheter elke hoek en bocht van mijn bloedvat raakt. Terwijl me verzekerd was dat ik er niets van zou voelen omdat aderen zelf gevoelloos zijn. Heb ik weer natuurlijk: HSA – Hooggevoelige Aderen. Ik voel me slap, misselijk en duizelig. “Meneer is iemand die alles voelt bij een onderzoek als dit,” vertelt dokter Gaby met droge stem aan haar team. Niet neerbuigend, ook niet bemoedigend: gewoon een simpel vaststellen van feiten. Ik mag haar wel: ook al heb ik haar nog niet op een glimpje humor kunnen betrappen, is ze kortaf en kapt ze elke vorm tot gesprek of plezier af; ze weet wel degelijk waar ze mee bezig is. Ik voel me bij haar in vaardige en deskundige handen. Het onderzoek neemt niet langer in beslag dan nodig – ongeveer een uur – en daarna vertelt dr Gaby me dat ze aan de hand van haar onderzoek ervoor heeft gekozen om me niet te dotteren maar me aan de chirurg voor te dragen voor een openhartoperatie. “U bent veel te jong om met dat dotteren aan de gang te gaan,” zegt ze resoluut. “Dat is zonde, want dan zit u over een aantal jaren misschien opnieuw met het probleem. Ik ga een operatie voorstellen waarbij tenminste twee bypasses worden gemaakt op de vernauwde delen van de kransslagader, waarna u van uw klachten af bent, en dan nog langdurig ook; nog even los van wat de chirurg verder tegenkomt tijdens de operatie. Bent u het daarmee eens?” Ik hoef er niet lang over na te denken, en heb dit voordien al met Juliëtte overlegd: wat als ik voor belangrijke beslissingen kom te staan die geen uitstel dulden?. “Doe wat je het beste lijkt en wat de beste kansen geeft,” heeft Juliëtte gezegd. “Ik ga akkoord,” zeg ik tegen dokter Gaby. Even verschijnt er een piepklein glimpje warmte in haar ogen. “Heel verstandig,” zegt ze. En met een klopje op mijn schouder ben ik de patiënt die snel naar buiten gereden mag worden omdat er nog een horde patiënten ligt te wachten: het is een populair onderzoek.

De verpleegkundige die me wegrijdt lacht tegen me. “Viel het mee?” vraagt ze. Ze was erbij en heeft ongetwijfeld mijn groen uitgeslagen gezicht gezien toen dokter Gaby me recht in het hart raakte met haar priemende draad. “Ja, het gaat wel weer,” glimlach ik terug. “Je gaat je sowieso een stuk beter voelen, met deze operatie,” zegt ze. “Dat kan ik je alvast beloven.” Die woorden doen me goed.

Terug naar de afdeling, terug naar mijn lieverd: ik kan het nauwelijks aan om haar een uur te missen. Hoe moet dat in vredesnaam straks met die operatie?

Naar deel 2