De meeste mensen kennen het sprookje Roodkapje wel, en zoals bekend zit er in een sprook altijd een verborgen boodschap. Dat kan een waarschuwing zijn, een geruststelling, of ook een moraal. Op die manier probeerden we kinderen het verschil en de keuze tussen goed en kwaad te leren. Dat was in het tijdperk van knikkeren, tikkertje, hinkelen, touwtjespringen en meer spelletjes met de letter i er in. Nu pakt het jonge volkje de gameconsole en schiet vierhonderd monsters in een kwartier dood. Maar toen hadden we dat nog niet, beste kinders. In die tijd betekende gamen dat je twee conservenblikjes bij je moeder afzeurde, met een hamer en spijker een paar gaten in de bodem van beide blikken sloeg, daar touwtjes met knopen doorheen haalde en op die wijze je speelgoed zelf vervaardigde. Op die blikken kon je dan lopen terwijl je de touwtjes strak in handen hield om te voorkomen dat je struikelde. Nee inderdaad: het had geen enkel nut maar het verschilt in wezen niet zoveel van het hedendaagse gamen. Maar goed: in die tijd werden er nog wel eens sprookjes verteld. Een van die sprookjes – misschien wel het bekendste – is Roodkapje en de boze wolf. Dat gaat over een of ander ongehoorzaam wicht dat van haar moeder een mand met lekkers naar haar oma moet brengen. Die oma woont ergens in een bos en Roodkapje mag niet van het pad afwijken. Dat doet ons dwarse pubertje natuurlijk toch en ze wordt dan ook terecht opgevreten door de wolf, nadat hij eerst oma had opgepeuzeld. Oma was al oud en rook ook niet meer zo fris, dus daar maakte niemand zich echt druk om. Maar dat zo’n jong ettertje was opgevreten, dat baarde de jager zorgen. Even voor de zorgvuldigheid: een jager is iemand die zonder Nintendo maar wel met een echt geweer schiet. Die jager bevrijdt Roodkapje uit de buik van de wolf en doet grootmoeder er ook maar gelijk bij. Niet dat hij stond te springen om een met maagzuur overdekte grootmoeder te redden, maar de jager was nogal gevoelig voor wat de mensen van hem vonden. En als ze erachter kwamen dat hij Roodkapje had gered en ouwe, ruikende grootmoeder had laten zitten … enfin: je snapt het wel. Dat liep dus allemaal goed af en iedereen was blij en gelukkig en wellicht heeft Roodkapje (of haar moeder) de jager gepast beloond: dat lezen we verder niet in het verhaal.

Wat je er van moet leren is dat je altijd naar je moeder moet luisteren, nooit van het rechte pad moet afdwalen en bladiebla bla bla. Strontvervelend dus.

Nu wil het geval dat er een oudere versie van het sprookje eeuwenlang verborgen heeft gelegen achter het klooster in Puutjeradeel, een dorp in het noorden van het land. En die versie is altijd goed verstopt gebleven, omdat het beschrijft hoe het verhaal werkelijk ging. En zoals je weet mag in Nederland van de politiek alleen informatie naar buiten komen, waarvan de politici vinden dat het volk dat moet lezen. De waarheid is niet belangrijk: het volk moet onder de duim worden gehouden. Daarom is het zo’n braaf verhaaltje gebleven.

Pater Zalfkens, een van de kloosterlingen uit Puutjeradeel, heeft bij toeval de originele versie van het sprookje gevonden toen hij een per ongeluk gedode broeder begroef, ’s nachts in alle stiekemheid. Over de dode broeder heeft hij verder niet meer gerept, wat begrijpelijk is, maar het sprookje heeft hij zorgvuldig overgeschreven alvorens hij het naar de plaatselijke politiek bracht die het – zoals verwacht kon worden – in een heel grote pot stopte: zo’n pot zonder oren, ook wel ‘doofpot’ genoemd. Zalfkens is blij dat hij het heeft overgeschreven, zodat er toch een versie bewaard is gebleven. En de pittige pater is zo goed geweest het te willen delen met ons, dus hier de originele versie. En wat blijkt? Het grietje heette heel geen Roodkapje, maar Blootgrapje. En het was een heel ander typetje dan wat de officiële versie ons wil doen geloven. Maar lees het zelf even, zou ik zeggen.

Blootgrapje en de loze kolf

Blootgrapje stond voor de spiegel en bekeek haar naakte lichaam. Ze was niet geheel ontevreden: slank, ronde heupen, pronte borstjes en een kop met lang, goudblond haar. Aan belangstelling dan ook geen gebrek in het dorp en daarbuiten. De mannen en jongens draaiden steevast het hoofd als ze voorbij liep, en menig vent heeft zijn nek verrekt bij het te intensief staren.

Dat was allemaal leuk en wel, maar Blootgrapje verveelde zich de tyfus en ze liep al weken rond met de gedachte dat ze naar de grote stad wilde, waar het echte leven plaatsvond. In het gezapige dorpje waar ze woonde was een omgevallen wastobbe het nieuws van de dag, en de mensen wisten niets anders te bepraten dan het weer of de prijzen van voedsel. God, wat haatte ze dat dorp en zijn vrome, brave burgers. Dat vroom en braaf mag met een korreltje zout worden genomen overigens, want van pastoor tot burgemeester: Blootgrapje had ze allemaal gehad.

Zuchtend kleedde ze zich aan en daverde de trap af. Dat vond ze leuk: daveren, omdat ze wist dat haar moeder, met wie ze een klein peperkoekhuisje bewoonde, er een hekel aan had. Ze liet de trap en vloer dreunen onder het geweld van haar hoge hakken.

“Daver niet zo!” schreeuwde haar moeder.

“Sorry mam,” zei Blootgrapje, op dezelfde toon als waarmee ze ‘hoi’ zei tegen de hond. Ze plofte op een stoel aan de keukentafel en keek walgend naar haar moeder, die een ontbijt zat te verorberen.

“Wat zit je te kijken?” vroeg moeder, “Moet je soms ook ontbijt of zo?”

“Nee, alleen koffie en een sigaret,” zei Blootgrapje. “Ik heb een knallende koppijn van gisteravond.”

“Zuip dan ook niet zo godsgruwelijk veel,” zei moeder. “Dat gekots op de trap ’s nachts begint me aardig de keel uit te hangen.”

“Ja, wat moet ik hier anders? Er is toch geen reet te doen in dit kutdorp. Ik wil naar de stad.”

“Dat komt goed uit,” zei moeder. “Oma mailde net, dat ze zich niet zo lekker voelde na haar zoveelste buikwandcorrectie, en of we even wat boodschappen voor haar willen doen.”

“Wanneer gaat dat mens eindelijk eens dood?” vroeg Blootgrapje.

“Als ze de genen van haar moeder heeft geërfd, voorlopig nog niet.”

“Lekker is dat. Maar goed: wat heeft dat te maken met het feit dat ik naar de stad wil?”

“Nou, ik zat zo te denken dat jij dan onderweg even bij oma langs kon gaan met een tas boodschappen.”

“Jezus. Wat moet ze hebben?”

“Bier, chips, shag, barbecuevlees en gevulde koeken.”

“Nou, vooruit maar. Geef maar geld en ik regel het wel. Het doorbreekt in elk geval even de oneindige niksheid van hier.”

“Je zou eens aan werk kunnen denken,” zei moeder. Blootgrapje staarde haar moeder zo langdurig en intens aan dat die haar ogen neersloeg.

“Ik heb aan werk gedacht,” zei ze. “Vorige week dinsdag. Ineens dacht ik er aan, en weet je wat? Ik werd er doodmoe van, alleen door eraan te denken. Dus fuck off met je werk, en laat mij mijn ding doen. Geef me geld en een lijstje, dan breng ik die troep naar dat ouwe lijk.”

“Zeg, het is wel je oma hoor.”

“Het bejaarde kutkreng dan, zo beter?”

“Het moet maar.”

En zo vertrok Blootgrapje naar de stad. Het geld voor de bus spaarde ze uit door een lift te vragen aan pastoor Bekjens, die heel niet naar de stad hoefde, maar toen ineens wel. Na hem naar behoren te hebben beloond, beval Blootgrapje de pastoor om haar die middag om vijf uur weer op te halen, anders zou ze het aan zijn vrouw vertellen. Met haar dertien jaren kon Blootgrapje al aardig onderhandelen.

Moeder had haar gezegd rechtstreeks naar de Lidl en daarna naar oma te gaan en geen omwegen te maken. De stad herbergt zo zijn eigen gevaren. En uiteraard trok Blootgrapje zich daar geen zak van aan en drentelde rustig van de route af. Ze kwam in een gedeelte van de stad waar fatsoenlijke mensen overdag niet komen; alleen ’s avonds als ze hopen niet herkend te worden. Een paar schaars geklede vrouwen keken vuil vanachter hun roodverlichte ramen naar het – nog tamelijk frisse – jonge ding dat daar zo brutaal door hun werkgebied huppelde. Blootgrapje keek geheel onbevangen terug en vermaakte zich met de vergelijking tussen haar lichaam en dat van de hardwerkende vrouwen achter de ramen. Een van de hoeren, een voluptueus type met geblondeerd haar, stak een middelvinger op. Blootgrapje keek glimlachend naar de vrouw en telde de striae-lijnen die boven de rand van haar kanten slipje liepen. Toen trok ze haar shirt omhoog en liet haar jonge, stevige borsten zien. Met een ruk sloot de hoer het gordijn en Blootgrapje liep grinnikend door.

Een man, die achter Blootgrapje wandelde en zich tot dusver had vergaapt aan het blauwbleek lillend vlees, richtte zijn aandacht op het meisje en sprak haar aan.

“Ach, mijn kind,” zei hij. “Is het hier niet te gevaarlijk voor zo’n mooie, jonge meid als jij?”

“Ik ben je kind niet,” zei Blootgrapje. “Althans, de kans daartoe is zeer klein; al weet je het nooit zeker, met mijn moeder.”

De man staarde haar verbluft aan. Hij zag er wat jolig uit, met een jagershoedje op en een groen pak. Met zijn aanleg tot corpulentie leek hij net een opgepompte kabouter.

“Laat me zo vrij zijn je te begeleiden en je te vrijwaren van opdringerig manvolk,” zei hij deftig.

“Lul niet zo dom,” zei Blootgrapje. “Je lijkt wel een of andere figurant uit een mislukte B-film. Wat moet je nou helemaal, met je hoedje. Sodemieter op en laat me met rust.” De jager was flink geschrokken maar probeerde zich nog een houding aan te meten, waarin hij schromelijk faalde.

“Zeg, niet zo’n grote mond …” probeerde hij nog. Maar Blootgrapje was er klaar mee.

“Opzouten,” zei ze. “Anders ga ik gillen en zeg ik dat je je piemel liet zien.” En weg was de jager, op naar nieuwe prooi.

Haar oma lag te roken in een ligstoel, toen Blootgrapje binnenkwam. Ze keek naar de televisie, waar een show van Dr. Phil was te zien.

“Wat een beer van een vent, die Phil,” zei oma. “Daar zou ik wel eens een flinke sessie mee willen. Heb je mijn spullen?”

“Ja,” zei Blootgrapje. “Roken, vreten en zuipen. Het zit allemaal in die tassen.”

“Dank je. Je bent een lief kind.”

“Ach, zeik toch niet mens. Dat zeg je alleen omdat ik iets voor je doe.”

“Dat is waar. Maar ik stel het hoe dan ook op prijs. Doe je een jointje mee?”

Ze rookten een paar sticks en tegen de tijd dat ze allebei knetterstoned waren, klopte er iemand aan de achterdeur en kwam direct binnen.

“Dat is Jan Wolf,” zei Grootmoeder. “De nieuwe buurman.”

“Hallo,” zei Blootgrapje.

“Ik wist niet dat je bezoek had,” zei Wolf. “Maar het komt goed uit. Ik kan wel wat hebben.” En zo zag hij er ook uit.

Eenmaal ontdaan van wambuis en knickerbocker staarde Blootgrapje naar zijn kruis.

“Wat is dat in vredesnaam?” vroeg ze, doelend op het buitenproportioneel en wanstaltig gevormd geval dat Wolf naar buiten toverde.

“Dat is een maïskolf,” zei Wolf olijk.

“Maar er zitten heel geen maïskorrels aan!”

“Het is dan ook een loze kolf,” lachte hij.

Nawoord

En zo ontstond het sprookje: Blootgrapje en de loze kolf. Dan weet je dat tenminste.

Om een lang verhaal kort te maken heb je weinig papier nodig en het blijkt dus uit deze overlevering dat Roodkapje in werkelijkheid Blootgrapje heette, helemaal niet zo’n braaf kind was en dat er geen sprake was van onwil met betrekking tot de toenaderingen van Wolf.

Dat het even rechtgezet is.