Ze waren allemaal gekomen, de dieren van het land, uit het water en de lucht. Het werd een belangrijke bijeenkomst, want koning Geeuw zou spreken, dus dan weet je ’t wel.

Het was een geroezemoes van heb ik jou daar en er vormden zich her en der wat groepjes. Er was nog even tijd voor kleinpraat alvorens al het belangrijks zou beginnen. In het van overheidswege verstrekte kader van ‘We zijn allen één; de één weliswaar iets éner dan de ander, maar toch’ voegden zich soorten bijéén die buitenskaders nog niet in elkaars geurspoor zouden willen verkeren.

Zo stond Beer Put gemoedelijk te babbelen met Gé Mier, en zaten Aescul Aap, Babydon’t Kraai en Gans ’t Land besmuikt te grinniken om een – weliswaar gedateerde maar toch schuin genoege – grap, verteld door Koeken Panter.

De immer jeugdige Olifan Tiel liep gekkigheid uit te halen met zijn vriend Haai Pressure, nauwlettend gadegeslagen door Spin Newiel en Koe LeBrise.

Kortom: het gaf een leven dat het een aard had. De enige die er wat stil bij stond was Antiloop Band.

Eindelijk verscheen dan koning Geeuw en het werd dusdanig stil dat je een stapel aluminium pannen met bijpassend keukengerei op een granieten vloer kon horen vallen.

Koning Geeuw liet er geen gras over groeien, viel met de deur in huis en kwam door onmiddellijk van wal te steken direct ter zake en to the point.

“Lieve vrienden,” zo galmde hij. “Wij, koning Geeuw, hebben besloten dat het afgelopen moet zijn met de immer zo gul gebezigde woordspelingen, spellinggrappen en naamsverbasteringen. Het dient geen enkel doel, heeft geen zin, leidt nergens en voegt niets toe, ontbeert elke relevantie en heeft geen toegevoegde waarde; tevens is het onnodig. Daarbij komt dat het door velen als kwetsend, beledigend, grievend, pijnlijk, kleinerend, afleidend en soms zelfs afwijzend wordt ervaren.”

Het was muisstil.

Het was Muis Stil die na enige tijd en een paar seconden het woord nam, en het ook niet meer teruggaf. Dat werd hem niet in dank afgenomen.

“Ontbeert?” Bromde Beer Put, zo zacht dat iedereen het kon horen. “Ik wil nog wel eens zien wie mij ontbeert.” Geen van de andere dieren durfde daar iets op te zeggen, en de rest hield zich wijselijk stil, al waren er een paar die er verder geen woorden aan vuil wilden maken en zich dan ook niet verwaardigden een reactie te geven.

“Maar,” klonk de zachte stem van Manipula Tor, “Hier en daar een subtiele kleinage, bij wijze van effectsortage…”

“Neen, neen, scheepswerf neen!” brulde Geeuw. “Niets van dat al. Voor we het weten zitten we weer met dit en dat, en we weten wel hoe dat eerder afgelopen is.”

Eerder afgelopen dus. Zwijgend trokken de dieren woud-, veld-, zee- en luchtwaarts. En vanaf die dag is de faunatieve communicatie nooit meer geworden wat het ooit was. Men weet nog steeds niet of dat als verbetering kan worden beschouwd of niet.