Gisteren, tijdens ons dagelijks bosbespreek – of woudoverleg, zo u wilt – zaten wij op een plek in het bos waar het stil was. Weliswaar klonk vanaf de weg af en toe het gebrom van een auto of motor, of het doordringend gesnerp van een wielrenner die kennelijk nog genoeg adem hield om een hakkelige conversatie gaande te houden, maar van dat laatste bereikten ons slechts flarden.

“… voor de derde en daarna nog…”

“… geen andere…”

“… tussen de andere rijen …”

Niets om drukte over te maken dus: met deze informatie konden wij prima uit de voeten, al helemaal vanwege de dunne frequentie waarop deze verteschallingen zich voordeden.

Stilte dus. En rust; dat ook. Ragfijne lichtspeelseltjes tuimelden tussen de bomen door naar beneden; en een zacht briesje kietelde het bij ons aanwezige vellebloot; aldus voor enige verkoeling zorgend. Wij zijn ook slechts mensen, hè; dat wil nog wel eens worden vergeten.

Wij hadden iets te drinken bij ons en ook boterhammen. Gezeten op de retro-klapstoeltjes die we altijd bij ons hebben, voelden wij ons de koning te rijk. Ons maakte men niets.

Meenden wij.

Genietend in langdurige perioden van stilte, voerden wij af en toe ook korte gesprekken. Het heet per slot van rekening niet voor niets ‘woudoverleg’.

Nu eens praatten wij over dit, en dan weer over dat. Waarbij het meestal meer over dit en minder over dat ging, maar dat mag geen wonder heten op zo’n warme dag in het bos.

De gnoom die ons vanaf een afstandje stond te bekijken, kregen wij pas in het oog toen hij er waarschijnlijk al een tijdje stond. Nu staan wij in het geheel niet afwijzend tegenover natuurwezens en zeker gnomen (in de volksmond ook wel kabouters genoemd) kunnen rekenen op onze onvoorwaardelijke achting, daar wij hun geheel belangeloze inzet bij ogenschijnlijk kleine, maar voor betrokkenen wel degelijk indringende problematiek hogelijk respecteren.

Dat neemt niet weg dat we enigszins verrast waren door de wat stiekem aandoende benadering van ’s kleinemans verschijning in ons waarnemingsveld. Desalniettemin vervolgden wij onze conversatie zo ongedwongen mogelijk, daar wij wel beter wisten dan de gnoom te provoceren, het tegenwoordig enigszins in onbruik gerakende spreekwoord indachtig, dat luidt: “Wie te woud de gnoom provoceert, die is ’t leven niet lang weerd. Maar wie daarentegen het wezen negeert, die wordt voor ’n lang leven beleerd.”

Het duurde dan ook niet lang voordat het kerelding luid snuivend naar ons toe stapte en zich pontificaal vóór ons posteerde: de ietwat smoezelig aandoende handjes met rouwrandjes onder de te lang geleden geknipte nageltjes pedant in de zijtjes gezet.

“Zo,” sprak de gnoom met de overal ter wereld door artiesten gebruikte stem wanneer ze een clown imiteren. “Mevrouw en meneer dachten eventjes van een rustige dag in het bos te kunnen genieten?”

Wij knikten maar eens, bedremmeld als we waren. Hoe vaak komt het voor dat je een gnoom ontmoet?

“Juist,” sprak hij. “En mevrouw en meneer dachten daarbij een en ander straffeloos te kunnen nuttigen, begrijp ik?”

Wij keken naar onze waterflessen en naar het Bert-en-Ernie-broodtrommeltje waar wij onze boterhammen in hadden meegenomen en waar nog twee volkoren met kaas prijkten. En terwijl ik van het Bert-en-Ernie-broodtrommeltje naar de peinzende blik van de gnoom keek, begreep ik ineens waarom deze aardgeest ons zo vermanend toesprak; het was om zijn begeerte naar onze boterhammen te verhullen!
Mijn vrouw, die zoals altijd alles eerder dan ik in de gaten heeft, sprak de gnoom vriendelijk toe.

“Zeker,” sprak zij, “U hebt gelijk, beste woudbewoner. En wij zouden het een eer vinden een en ander met u te delen. Nietwaar?” Bij dat laatste stootte ze mij aan.
“Absoluut,” zei ik. “Een eer!”
De gnoom ontspande enigszins, zonder zijn waarschijnlijk van nature sterke waakzaamheid geheel te verliezen, en keek opnieuw naar het Bert-en-Ernie-trommeltje. Een klein druppeltje speeksel glinsterde in zijn mondhoek. Wederom trof mij het besef dat de aardman eenvoudig honger had.

“U biedt mij voedsel aan?” vroeg de gnoom en keek ons beurtelings aan.

“Wij bieden u ons voedsel aan,” zei mijn vrouw. “Beschouw deze boterhammen als de uwe.” Ik prentte mij in haar later nog eens te vragen waar ze de wijsheid vandaan had te weten hoe ze dit soort dingen moest zeggen en doen.

De gnoom wreef in zijn morsige handjes, draaide zich om en liet een schel fluitje horen in de richting van de dichte begroeiing. Daar kwamen een schattig gnomenvrouwtje en twee piepkleine kindergnoompjes uit te voorschijn. Enigszins beschroomd schaarden ze zich achter hun dappere vader. Mijn vrouw pakte de Bert-en-Ernietrommel met de boterhammen en zette die voor het gezin neer.

“Tast toe, wees onze gasten,” zei ik.

Nou, dat was niet tegen dovemansoren. Gevieren zaten zij rond de Bert-en-Ernie-broodtrommel en lieten zich het rulle volkoren met de romige kaas goed smaken. Ze aten hun buikjes rond in stilzwijgend genot, elkaar vergenoegd aankijkend. Het leek wel of ze ons helemaal waren vergeten, wat overigens geen enkel probleem was omdat wij evenzeer genoten van het aanzicht der hongerige gnomenfamilie die zich tegoed deed aan al dat lekkers.

Toen er ongeveer een halve boterham op was, waren zij verzadigd. Mijn vrouw schonk gul van ons water in de dop van de fles, en het lieve gezinnetje dat daar zo aandoenlijk rond de broodtrommel op de grond zat, liet de van helder water klotsende dop eens genoeglijk rondgaan, beurtelings hun dorst lessend.
Toen zij dan aldus gespijzigd en gelaafd waren, leunden zij achterover en wreven over hun nu rijk gevulde bosbuikjes. De kleinste van het stel, een jochie, liet een lange, scheurende boer die galmend door het bos echode. Dat lieten de anderen niet op zich zitten en binnen de kortste keren klonk er een kakofonie van bulderende bouterboeren in het bos. Wij, mijn vrouw en ik, zaten als aan de grond genageld toe te kijken. Een gnoom in het bos ontmoeten was één, maar een voltallige gnomenfamilie al bulderend hun genoegen te horen uiten was toch wel een belevenis van geheel andere aard.

Toen dan het boeren wat verstomde, hief de moeder van het gezin een van haar mollige billekes van de grond en liet me daar een veest zoals ik nog nooit eerder had gehoord. Het geluid hield het midden tussen het zieltogend kermen van een gewonde zeekoe en het blazen op een klarinet die decennialang als olie-en-azijnstel is gebruikt. Luid flotterende rammels volgden het schelle geknetter op.

Weemoedig en klaaglijk schalde het getetter ons voorbij, het grote, diepe woud in, om aldaar met de late middagzon te versterven. Het werd ons vreemd te moede, daar in die wolk van moerasgas zoveel smart, maar tevens erbarmen te ontwaren. Dat alles in één enkele wind: wij waren diep ontroerd en tevens een weinig bedwelmd. En uiteraard liet de rest van het expressieve gezinnetje zich niet onbetuigd en zette met verve een tweede, derde en zelfs vierde stem in. Luid scheurend en knetterend peristalteerden zij zich teneinde het leven te vieren (het was immers veest!) en de goden en ons kond te doen van hun ogenschijnlijk zo kleine bestaan. Ogenschijnlijk ja; klein. Maar die lúcht! Die LUCHT!

Wat de veestvreugde nog extra verhoogde was de kracht waarmee de endelmatige uitingen plaatshadden: telkens wanneer er weer een knallende klapper aan de roodgebroekte kabouterbipsjes ontvlood, werden zij door de hierdoor ontstane luchtdruk een eindje omhoog geworpen, waarna zij weer met hun achterwerkjes terug op het mos stuiterden. Vooral de twee kleintjes wisten een paar verbazingwekkend hoge lanceringen te bewerkstelligen en men kon bevroeden dat hun stofwisseling jonger en sterker was dan die van hun ouders, die er overigens ook wat van konden. Al met al werd het een schouwspel van beurtelings omhoog gescheten kaboutertjes, die gezamenlijk een groenachtige nevel verspreidden en door elkaar heen tuimelden dat het een aard had.

Toen het gnoomlijk geklapper dan eindelijk eens bedaarde en mijn vrouw en ik weer voldoende zuurstof ter beschikking hadden om het bewustzijn te houden, keerde tevens de stilte terug in het woud. De vogels, aanvankelijk hevig geschrokken zwijgend, hieven voorzichtig hun liederen weer aan, aarzelend eerst: alsof ook zij bijna niet konden geloven dat na zulk een spektakel het leven alsnog voortgezet kon worden.

Het gezinnetje zelf zat – onaangedaan door alle commotie – rond de trommel uit te buiken. Ze zagen er lief en tevreden uit zo, en zelf gevoelde ik ook een innerlijke vrede, een rust zoals die zo nu en dan eens in het leven langskomt; als alles goed voelt en klopt zoals het is.

De gnoomvader trok een sprietje gras tussen het mos uit en stak dat in zijn mond. Hij keek van mijn vrouw naar mij en weer terug.

“Zijn jullie bekend met het Hoog-Laplands Verdrag?” vroeg hij. Wij zeiden dat we niet van het bestaan daarvan op de hoogte waren, laat staan dat we wisten wat dit verdrag inhield. Hij knikte, dacht even na en nam toen zichtbaar een besluit.

“Heel verhaal,” zei hij. “Geen enkel nut om die hele lap tekst te kennen. Maar het houdt het volgende in.”

Hij vertelde ons in het kort wat het Hoog-Laplands Verdrag inhield en wij luisterden aandachtig. Toen hij klaar was met zijn verhaal keken wij elkaar verbaasd aan. Dat hadden we nooit kunnen bevroeden!   

Mijn vrouw verdeelde de overgebleven anderhalve boterham in draagbare stukken, terwijl vader en moeder gnoom met grote behendigheid en enorme snelheid een paar zeer bruikbare draagriemen vlochten van wat gras en halmen. De stukken brood aldus op de rug hunner vieren gebonden waren zij gereed voor vertrek.

De familie nam afscheid en beloofde zich nog wel eens te laten zien aan ons; wij bleven achter, onder de indruk en blij met het leven zoals dat zich opnieuw uit de groene nevels aan ons had doen kennen.

En zoals dat gaat met een sprook of andere belevenis: op de weg terug begonnen wij alweer te twijfelen aan wat wij hadden meegemaakt. Nog een paar minuten later voelden wij beiden al niet meer de behoefte erover te spreken en eenmaal thuis was het alsof er niets aan de hand was geweest: gewoon een leuke middag in het bos, meer niet.

Ware het niet dat het Hoog-Laplands Verdrag zich natuurlijk niet liet verdringen: dat blijft voor eeuwig geldig. Onbedoeld hadden wij ons aan dat Verdrag gehouden (wat overigens de kracht van het Verdrag is; als je het erom doet, werkt het niet), en daar zullen we vanaf nu de zoete vruchten van plukken. Uiteraard delen we deze vruchten graag met u! Blijft u alert en houdt u vooral de verdere avonturen in de gaten. Dan zult u nog eens wat meemaken!