Ergens in het land woonde een tovenaar. Niemand kende hem als zodanig: hij werkte gewoon als psycholoog. Dat was veilig, want zelfs de psychologen konden niet precies en duidelijk uitleggen wat psychologen geacht werden te doen. Je kon er alle kanten mee op en het werd nog goed betaald ook.

Een prima beroepskeuze dus voor onze tovenaar, die ongehinderd zijn toverkunsten op zijn cliënten kon loslaten. Soms hypnotiseerde hij een cliënt zodat deze ineens van een bang vogeltje in een dappere leeuw veranderde. Alleen noemde de tovenaar het dan ‘Cognitieve gedragstherapie’ om het bij zijn collega-psychologen te kunnen verantwoorden. In tegenstelling tot de meeste van zijn collega’s echter, bleef de tovenaar zich al die tijd bewust van het gegeven dat hij uitgekauwde herhalingen en gebakken lucht verkocht. Als hij bij collega’s wel eens een balletje hierover opgooide, kreeg hij de wind van voren. Psychologie was een belangrijke, serieuze en gewichtige wetenschap, en daar moest je niet mee sollen.
De tovenaar zweeg dan omdat hij wist dat al die pratende psychologen kennis voor wijsheid hielden en bang waren dat hun zeepbel zou worden doorgeprikt. Dus speelde hij het spelletje mee en deed wat zijn collega’s zo goed konden: status verwerven. Intussen bleef hij toveren. Dat zorgde vaak voor vragen van collega’s. Gebruikte hij wellicht de behaviorismemethode volgens Skinner? vroegen ze dan. Liet hij de theorieën van Jung en Adler er op los?
De tovenaar knikte dan glimlachend en zei: “Dat heb je scherp opgemerkt.” En betreffende collega was gestreeld en gerustgesteld, want bevestigd in wat al zo lang herkauwd werd. Nooit vroeg iemand aan de tovenaar: “Hoe doe je dat?” of: “Kun je mij dat ook leren?”

Op een dag kreeg hij een echtpaar op zijn spreekuur. Ze waren op elkaar uitgekeken maar wilden nog een poging doen hun relatie te redden. Ze hadden een paar collega-psychologen van de tovenaar bezocht, maar waren geen stap verder gekomen.
Eentje zei: “Jullie moeten meer praten.”
Een ander: “Jullie praten te veel.”
Nog eentje: “Ga iets meer gezamenlijk doen.”
Een volgende:”Plak niet zo aan elkaar en ga eens dingen alleen doen.”
De tovenaar luisterde naar hun verhaal en knikte.
“Ik heb wel iets,” zei hij, “maar ik weet niet of jullie daar wel aan toe zijn.”
Het echtpaar protesteerde luidkeels, zoals de tovenaar al had gehoopt, en zei dat ze er heus aan toe waren, en dat ze alles wilden proberen: echt alles.
“Goed,” sprak de tovenaar. Hij dook in één van zijn imposante bureauladen, rommelde er wat in en haalde een onooglijk gleufhoedje tevoorschijn.
“Dit is een giechelhoed.”
Het echtpaar keek elkaar en daarna de tovenaar verbijsterd aan. Hij legde de hoed op zijn bureau, maakte een wegwuifgebaar en zei:
“Neem maar mee, dan zie ik jullie donderdag over een week om tien uur terug.
“Maar wat moeten we er mee doen?” Vroeg het echtpaar.
“Dat moet je maar uitvinden,” zei de tovenaar.
“En wat gaat er gebeuren dan?” Vroegen ze. De tovenaar haalde zijn schouders op.
“Ga nu,” zei hij, “ik verveel me dood met jullie.”
Ze dropen af en namen de hoed met zich mee. Enigszins beteuterd kwamen ze thuis. De giechelhoed legden ze op de salontafel. Ze hadden werkelijk geen idee wat ze er nu mee aan moesten.
“Wat zouden we er nou mee moeten doen?” Vroeg de man.
“Ik weet het niet,” zei zijn vrouw.
“Nee, maar dat is niets nieuws; dat jij niets weet.”
“Oh, weet meneer het dan soms wel?”
De man zweeg en dook achter zijn krant. De vrouw belde een vriendin.


Ze wisten het gewoon niet en ‘s avonds gingen ze naar bed. Met de ruggen naar elkaar toe: zorgvuldig oplettend dat ze elkaar niet aanraakten, zoals al zoveel lange, lege jaren.

Midden in de nacht werd de vrouw wakker. Ze meende ergens in het huis een zacht gegrinnik te horen. Ze liep naar beneden en zag in de huiskamer de giechelhoed op de salontafel liggen. Het leek wel of het ding een beetje licht afgaf in de schemering.
Ach, wat geeft het ook: niemand ziet me immers, dacht ze. Ze zette het ding op haar hoofd en liep naar de spiegel in de gang. Ze zag haar slaperige gezicht met de verwarde haren er omheen en het malle hoedje op haar hoofd. Ze begon te giechelen: het was werkelijk geen gezicht.
Na zo een tijdje te hebben gelachen om zichzelf ging ze terug naar bed. Voor de grap hield ze de hoed op. Toen ze naast haar man lag, met dat gekke hoedje op haar hoofd, kwam ze niet meer bij van het lachen. Haar man werd wakker, zag haar liggen lachen met dat hoedje op en schoot ook in de lach.
“Wat heb jij nou,” proestte hij.
“Zet jij hem eens op,” grinnikte ze.
Hij protesteerde aanvankelijk maar was toch zo sportief om de hoed op te zetten.
Nu kwamen ze echt niet meer bij van het lachen.
“Wat denk je,” vroeg ze ondeugend, toen ze wat waren gekalmeerd, “zullen we het weer eens proberen terwijl jij dat hoedje op houdt?”
De man begon al te protesteren maar plotseling voelde hij iets bewegen op een plaats waar het al heel lang stil was geweest en waar hij de laatste jaren alleen nog met doucheschuim in de buurt kwam.
Ook de vrouw bemerkte dat hetgeen ze al een tijd als dorre akker had beschouwd, een vruchtbaarder gebied bleek door de irrigatie die nu plaatsvond. Het ontginnen begon en resulteerde in een opnieuw zaaien van het zaad der verbinding. Ooit zou er geoogst worden maar nu was het de tijd van zaaien.
En de hoed, die giechelde zachtjes terwijl hij meedeinde op het hoofd van de man.

Elders in het land werd een tovenaar even half wakker.
“Een giechelhoed,” grinnikte hij zachtjes, “dat bedenk je toch niet?”
“Een kriebelhoest?” Vroeg zijn vrouw naast hem.
“Nee schat, een giechelhoed. Ga maar weer slapen.”
Als twee lepeltjes tegen elkaar, sliepen ze weer in.