Regelmatig vraag ik me af wat iemand in vredesnaam heeft bezield om iets uit te vinden. Een van die ‘ietsen’ is het open toilethokje: een rechthoekige, kleine ruimte waarvan de muren niet tot aan het plafond reiken en met een halve deur die een halve meter van de vloer begint, zodat je keurig van buitenaf in elke bezette wc een paar schoenen of laarzen met een afgestroopte broek ziet. Met wat geluk zie je er nog een onderbroek bij gepropt: waar laat je zoiets anders?

Ik vraag me dan af wat degene die beslist dat er toiletten in die uitvoering geplaatst worden in een gebouw, heeft gedacht op zo’n moment. Het enige wat ik kan bedenken is dat het op die manier lastig is om ongemerkt drugs te gebruiken op het toilet.

Voor de rest is het een irritant ongemak waar eigenlijk verlichting geboden zou moeten worden. Je loopt zo’n hok binnen, sluit het halve deurtje achter je en kijkt net niet over het halve muurtje naast je de buurman in het gezicht. Ongemakkelijk.

Geluiden en alles
Wat ook ongemakkelijk is, zijn de geluiden die bijkans onvermijdelijk zijn. Of je nou een kleine of grote boodschap doet: er is bijna altijd geluid bij. Een straaltje urine daar, een plonzend ontlastinkje hier, een te lang opgehouden windje als voorganger… er komt praktisch altijd wat geluid bij. En dan kun je kuchjes of zelfs hele hoestbuien voorwenden, gaan fluiten, neuriën of heel hard met een plastic tas gaan ritselen: een goede wind laat zich niet overstemmen. Alsof je roept: “Ja, ik weet dat het duidelijk is dat je iets moet doen als je naar de wc gaat, maar ik wilde het toch nog even onderstrepen met wat geluid; zodat er geen misverstanden over ontstaan.”

Over dat onderstrepen heb ik het nog wel eens, maar hier gaat het dan om geluid dat men liever niet maakt, of in elk geval niet wil dat anderen het horen.

Een tijd geleden maakte ik het weer mee in een openbare gelegenheid: even voor een plas naar de toiletten: hokje in (ik ben niet zo’n man die gezelig op een rijtje met anderen in de pisbak staat te mikken) en vlak daarop betrad iemand het hokje naast me. Aan het gesnuif, gerammel en geritsel (ook van kleding) te horen had hij haast. Daarna korte stilte en daarna de pijn: hij had mij natuurlijk horen plassen en wist dat hij niet alleen zat. Maar de drukte van binnenuit nam kennelijk toe want na de obligate voorwind en nog wat loos gepruttel klonk er een flinke plons en nog een klein piepje waarvan ik niet zeker weet of het een uiting van ’s mans ongemak was of een iets te scherp aangeknepen scheetje – het is allemaal zo pijnlijk menselijk.

Doodse stilte
En daarna die doodse stilte. Je hoorde ‘m bijna bidden: “Ga alsjeblieft weg: ik heb al genoeg lawaai gemaakt dat je kon horen. Trek door en vertrek, zodat ik mijn kont kan afvegen en wachten tot je uit de toiletruimte bent, zodat je mij niet in het gelaat hoeft te kijken en denken: “Nou, dat was nog een beste joekel. Flink pijn gedaan zeker?”

Dat ongemak dus. Het moet wel een enorme calvinist zijn geweest die dat soort wc-ruimtes bedacht heeft.