Mijn naam is Ben Veen, ik ben eenenveertig en grafisch ontwerper. En ik heb zojuist een mail van mijn vader gehad, wat op zijn minst erg vreemd genoemd mag worden. Sinds mijn twintigste heb ik geen contact meer gehad met mijn ouders. Mijn vader, een autoritaire, kille klootzak, sloeg me in de garage in elkaar omdat ik ‘s nachts dronken was thuisgekomen. Ik probeerde me te verdedigen maar ik maakte geen schijn van kans. Mijn vader was bokskampioen in het middengewicht toen hij in het leger zat. Door een verwonding is hij eervol uit de dienst ontslagen toen ik acht jaar was. Sinds die tijd besteedde hij zijn tijd aan het voortdurend op mij letten en klusjes doen voor de buurvrouw; veel klusjes en erg vaak. Later begreep ik dat mijn moeder er van wist, van die zogenaamde klusjes maar dat ze waarschijnlijk blij was dat hij haar met rust liet.

Ik had de avond daarvoor een feest bij Jacques Schaver; een leuk feest. Jacques en ik waren vrienden en collega’s; we werkten op een administratiekantoor. Jenny van Dal, de meest onbereikbare spetter uit onze vriendenkring en favoriete fantasie bij het langdurig douchen, verlaagde zich tot een langzame dans met me. Op de klanken van Stand by me van Ben E. King duwde ze haar prachtige tieten tegen me aan, likte mijn oorlel en murmelde iets wat ik niet verstond. Dat maakte verder niet uit: haar lichaamstaal was duidelijk genoeg. Vlak daarna ging het mis. In mijn uitgelatenheid dronk ik meer dan goed voor me was, maakte ruzie met de vriend van Jenny – die was ik in mijn geilheid glad vergeten, en kotste op het balkon in een bloembak. Daarna dronk ik vrolijk verder en ik weet niet meer precies hoe ik ben thuisgekomen.

Mijn vader wist het wel, en toen ik de volgende dag om elf uur met een scheurende pijn in mijn kop naar beneden kwam, stond hij me onderaan de trap op te wachten. Hij greep me bij mijn haar en trok me van de trap af. Ik viel de laatste treden naar beneden en landde hard met mijn hoofd tegen de muur. Geschrokken, verdoofd en kokhalzend van de drankresten in mijn maag krabbelde ik overeind en vluchtte ik de wc in, waar ik paniekerig probeerde te beslissen wat ik eerst zou doen: pissen of kotsen. Ik hoefde er niet lang over na te denken. Op het moment dat ik begon te plassen, krampte mijn maag samen en kotste ik het hart uit mijn lijf. Ja, het was een leuke avond geweest. Op een of andere manier kreeg ik het voor elkaar om alles in de pot te mikken en hijgend trok ik door, waarna ik koud water in mijn gezicht plensde bij het kleine fonteintje in de wc. Het minste van mijn problemen was achter de rug. Op naar het volgende.

Mijn vader greep me in mijn nek zodra ik de deur van de wc opende, en sleurde me naar de garage. Hij sloeg me net zo lang totdat ik niet meer kon bewegen. Al die tijd zei hij niets. Op een vreemde manier was ik de pijn in mijn hoofd totaal vergeten. Ik was alles vergeten. Ik lag op de grond, onder de vurenhouten werkbank in de garage en keek naar de smalle, grijze deur die vanaf de keuken toegang tot de garage gaf. Daar stond mijn moeder; een sigaret in haar hand. Ze keek naar me en nadat mijn vader hijgend was vertrokken, trok ze haar wenkbrauwen op en schudde haar hoofd.

“Maak hem dan ook niet altijd zo pissig,” zei ze. Ze draaide zich om en liep het huis binnen. De stilte in de garage gonsde door mijn hoofd. Ik was het besef van tijd kwijt maar ik denk dat het ongeveer een uur heeft geduurd voordat ik weer een beetje kon bewegen en onder de werkbank vandaan kon kruipen, waar mijn vader me onder had getrapt nadat hij me met zijn vuisten had bewerkt. Ik heb twee dagen in mijn bed gelegen zonder iets te eten. Af en toe dronk ik wat water in de badkamer, als ik zeker wist dat er niemand in de buurt was, en ging ik naar het toilet. De rest van die twee dagen sliep ik, dacht ik na en herstelde ik zo goed als ik kon. Niemand kwam bij me kijken: waarschijnlijk had mijn moeder me ziek gemeld op mijn werk. Op de derde dag pakte ik ‘s ochtends om half vijf wat spullen in een rugzak en jatte twaalfhonderd gulden – de euro had zijn intrede nog niet gedaan – uit wat mijn vader als zijn ‘geheime’ lade beschouwde: een plaatje triplex als extra bodem in een diepe lade van zijn mahoniehouten bureau. Ik wist van het bestaan van die lade sinds ik acht jaar was en een keer rondgesnuffeld had op zijn kamer. Er lagen nog wat andere interessante dingen in dat geheime laatje: een pistool, een doosje munitie en een plastic kokertje zoals dat wel werd gebruikt als verpakking voor aspirine. Er zat een speciaal dopje op met een heel klein lepeltje eraan vast. Het kokertje zat voor driekwart vol met wit poeder. Ik propte het geld, het pistool, de munitie en het kokertje met poeder in mijn rugzak en vertrok.

Liftend en met de bus reisde ik een kleine tweehonderd kilometer van mijn dorp in Zuid-Limburg naar Amsterdam. Onderweg schudde ik het buisje poeder leeg op de vloer van de bus, in de vorm van een kruis: rust zacht. Ik vond een baantje als ober in  Amsterdam bij een Italiaans restaurant, deed zuinig met mijn geld en schreef me in voor een opleiding tot grafisch ontwerper; iets wat ik altijd had gewild, maar waar ik niet toe gekomen was door de ijzeren hand van mijn vader, die alle vormen van kunst verafschuwde. Ik vloog door de tentamens en de examens en vond een baan bij een reclamebureau. Niemand kwam me achterna. Ik heb ook niemand op de hoogte gesteld van mijn vertrek. Aanvankelijk was ik nog van plan om Jacques te bellen maar het idee dunde elke dag een beetje meer uit, tot ik er simpelweg niet meer aan dacht. Mijn voormalige baas op het administratiekantoor heeft wellicht ergens nog een restje salaris van me liggen; ik heb het niet nagevraagd. Ik ben gewoon vertrokken, zonder iets te zeggen; zonder iets achter te laten. Een nieuw leven.

Misschien is het vreemd maar ik heb niet een keer over mijn schouder gekeken vanaf het moment dat ik uit mijn ouderlijk huis ben vertrokken. Er is toen iets geknapt in mijn kop, denk ik wel eens. Toen ik in Amsterdam uit de bus stapte, was ik veranderd; ik liep niet meer op mijn tenen, maakte me niet druk om wat er om me heen gebeurde en probeerde niet om krampachtig anderen uit de weg te blijven. Heel vreemd, maar bijzonder prettig. Ik spaarde, kocht af en toe wat vlotte kleding die ik vroeger nooit droeg omdat ik me wilde verzetten tegen de discipline en tucht van mijn vader, en liet mijn haar knippen dat jarenlang – om dezelfde reden: verzet – over mijn schouders had gegolfd. Mijn naam hield ik gewoon aan. Als er iemand was die mij wilde vinden dan zou dat waarschijnlijk toch wel lukken. Maar niemand vond mij. Ik kreeg nieuwe vrienden, en via Tonio, de baas van het Italiaanse restaurant waar ik dat eerste jaar in Amsterdam werkte kreeg ik af en toe ander werk te doen. Hij had al snel door dat ik niet zo’n prater ben, en dat ik er geen enkele behoefte aan heb om van alles over mezelf kenbaar te maken. Op een avond na het werk, ik werkte er zeven maanden, vroeg hij of ik zin had om iets te gaan drinken samen. Aan de bar van een café vertelde hij me dat er veel meer geld te verdienen was dan als ober in het restaurant, en als ik mijn mond kon houden er een goede toekomst voor me in zat. Ik zei voor de vorm dat ik er even over wilde nadenken, maar wist allang dat ik er geen enkel probleem mee zou hebben. Na een paar kleine, relatief onbeduidende klusjes – pakjes wegbrengen, geld in ontvangst nemen – nam hij me mee naar een loods die op een klein industrieterrein was gelegen. De loods was ingericht met een moderne sportzaal, een schietbaan, een kantine, een vergaderzaal en een kantoor. Ik kreeg een wapen, een H&K waarvan het serienummer was weggeslepen en dat een stuk beter schoot dan de Glock die ik van mijn vader had gejat en die thuis in een koekblik onder een paar zegelboekjes lag. Ik leerde schieten, kreeg les in Krav Maga – een verdedigingssport met alle verboden stoten, klemmen, trappen en verwurgingen, en voelde me net James Bond. Intussen bleef ik braaf de avondopleiding volgen, en nadat ik bij het reclamebureau was gaan werken, hield ik contact met Tonio en een paar anderen uit ‘het wereldje’. Af en toe doe ik nog wel eens iets voor ze. Ik praat er niet over, val zo min mogelijk op en geniet van mijn leventje. Een rijk leventje.

Onder het genieten zit een pulserende, sluimerende woede. Ik denk niet dat die ooit weggaat. Een paar jaar geleden ben ik met hartkloppingen en pijn op mijn borst naar de huisarts gegaan, die me doorverwees naar een cardioloog. Het bleek een vorm van hyperventilatie te zijn: stress. Ik heb toen wat pillen gekregen, Xanax of zoiets, en een paar rare dingen gedaan, waar ik niet meer zoveel van weet eigenlijk. Wel dat ik een tijdje werd verzorgd in een soort verpleeghuis en nog veel meer medicijnen kreeg. Maar dat is alweer zo lang geleden. Ik ben wel vaker dingen kwijt: dan weet ik dat er iets was, maar niet meer wat. Dat geeft ook wel rust.

Gisteravond zat ik te werken aan een omslag voor een pretentieuze brochure van het ministerie van justitie, en te genieten van het gegeven dat degene die het grafische ontwerp van de voorplaat ontwikkelt, twee vuurwapens in huis heeft en niet bepaald als vriend van justitie kan worden beschouwd. Dat soort dingen geeft me een kick. Toen ik het ontwerp afsloot en in mijn mailbox keek, zat er tussen de vijf nieuwe berichten eentje die ik bijna in de spamfolder kwakte, maar waar ik uit nieuwsgierigheid nog even naar keek. “S.v.p. lezen!” stond er als onderwerp in de mail. Berichten die dat soort schreeuwerige kreten in de onderwerpruimte hebben staan, gaan bijna altijd over erectiestoornissen en de oplossing daarvoor, of over zielige mensen die niet weten hoe ze twaalf miljoen euro moeten overboeken en of je ze tegen een klein percentage wilt helpen, en meer van dat soort afval. Terwijl ik het bericht aanklikte om het te verwijderen, viel mijn oog op de eerste regel, die niet begon met de gebruikelijke blabla. Er stond

Bernard, dat had je vast niet verwacht na al die tijd.

Ik liet de muis los en las het bericht. Met elke regel die ik las, steeg mijn verbazing. Ik wist niet goed wat ik er van moest denken.

Bernard, dat had je vast niet verwacht na al die tijd. Ik hoop dat je de tijd neemt om dit bericht te lezen, maar als je dat niet doet begrijp ik het volkomen. Je hebt reden om niets meer van mij te willen weten. Ik ben ongelooflijk fout geweest, dat zie ik nu in. Ik vraag je niet om het me te vergeven, want ik geloof niet dat je zoiets kunt vergeven. Ik ga ook geen excuses aandragen voor mijn gedrag. Laten we het erop houden dat ik in die tijd aardig verknipt was.

Ik hoop dat het goed met je gaat en dat je ondanks alles gelukkig bent. Als je het goed vindt, zou ik graag met je mailen (wat een uitvinding) omdat ik je een en ander wil vertellen, en omdat ik denk dat ik je kan helpen. Maar ik zal je antwoord afwachten. Misschien heb je daar helemaal geen zin in. Dan lees ik dat wel. En als ik niets hoor, ga ik er ook van uit dat je geen contact met me wilt, wat ik zal respecteren. Nogmaals: ik kan nooit goedmaken wat ik heb gedaan, maar ik heb er vreselijk veel spijt van. Ik hoop iets van je te vernemen.

De groeten van je pa.

Ik staar naar het scherm en probeer te ontdekken wat ik voel, maar er gebeurt helemaal niets. Ik heb altijd gedacht dat ik kwaad, geschrokken, chagrijnig zou zijn als ik ooit iets van mijn ouders zou horen. Buiten de altijd aanwezige, onderhuids kloppende woede voel ik weinig. Geen enkele emotie: niets. Maar ik ben wel verrast en ik vraag me af wat die ouwe van me moet. En wat ik me nog veel harder afvraag is hoe hij aan mijn e-mailadres komt: ik gebruik mijn naam nooit op het internet. Mijn e-mailadres is kmws1234rnt@sblive.nl en samengesteld uit codes die alleen ik ken en die op geen enkele manier zijn terug te voeren op mij. Niemand van mijn huidige kennissen- of vriendenkring kent mijn verleden. Het enige wat mijn vrienden weten is dat ik in Limburg heb gewoond en dat mijn ouders dood zijn: dat heb ik ze wijsgemaakt. Dus hoe komt die ouwe aan mijn mailadres?

Mijn vinger zweeft boven de deletetoets en bijna wis ik het bericht. Ik aarzel even en bedenk dan dat ik het bericht altijd later nog kan wissen. Ik wil er eens rustig over nadenken. Met een glas wijn kruip ik op de bank en staar voor me uit. Het eerste jaar na mijn vertrek uit het ouderlijk huis dacht ik nog wel eens terug aan mijn ouders. Ik haatte ze en zou er waarschijnlijk geen enkel probleem mee hebben gehad om ze dood te schieten. Het tweede jaar dacht ik steeds minder aan ze en verdween mijn haatgevoel. Ik dacht nog wel dat ik ze haatte, maar steeds vaker betrapte ik mezelf in die tijd op een totale onverschilligheid naar mijn ouders. De afgelopen jaren heb ik nauwelijks nog aan ze gedacht, en als ik al aan ze dacht was het in sepiatinten: zoals je een oude foto bekijkt. Nu besef ik dat ik nog steeds wil dat mijn vader sterft: al die tijd is de woede onzichtbaar geweest, maar toch aanwezig. Als een parasiet die zich jarenlang ongemerkt kan schuilhouden in een menselijk orgaan en pas na al die tijd zijn verwoestende werking prijsgeeft.

Het bericht houdt me bezig en na een tijdje klap ik mijn laptop open en bestudeer het bericht nogmaals. De afzender is martveend@supamail.nl en de mail is verstuurd via een server die ik niet kan achterhalen. Toch nieuwsgierig geworden begin ik een antwoord te typen. Verscheidene keren wis ik de tekst: de ene beschuldiging na de andere aan het adres van mijn vader, tot ik een bericht heb getypt dat acceptabel is.

Vader,

Inderdaad heel vreemd om van jou een bericht te krijgen. Ik had het niet verwacht nee, en ben benieuwd wat je van me wilt. Wat er is gebeurd in het verleden is voor mij aanleiding geweest te vertrekken. Ik ben ook niet van plan om terug te komen en heb geen enkele behoefte aan contact. Dus mijn voorstel is: zeg maar wat je te zeggen hebt, dan zie ik wel of ik nogmaals antwoord.

Ben.

Ik lees het bericht van mijn vader en mijn antwoord nogmaals door en toets dan ‘verzend’ in. Ik weet niet wat ik verwacht, maar ik ben toch nieuwsgierig. En ik merk dat ik stiekem hoop hem ooit eens te kunnen confronteren met zijn hufterigheid. Ik heb in het verleden vaak plannen gemaakt om hem te doden, maar het niet gedaan. En het was niet fatsoen of een geweten die me tegenhielden, maar het idee dat hij er met doodgaan wel erg gemakkelijk afkwam.

De volgende twee dagen controleer ik regelmatig mijn mail maar er zit geen bericht van mijn vader bij. Dat komt de ochtend daarna, net als ik voor mezelf heb besloten dat het waarschijnlijk een of ander klotegeintje was van iemand.

Hallo Ben,

Oké, ik snap dat je nu Ben wordt genoemd, dus dat zal ik ook doen. Ik kan je niet half vertellen hoe blij ik ben dat je me een bericht hebt teruggestuurd. Ik begrijp het volledig dat je geen behoefte aan contact hebt, dat je niet van plan bent om terug te komen en dat vraag ik ook niet van je. Ik wilde alleen je toestemming om mijn verhaal te doen en ik verwacht of vraag verder niets. Ik zie het vanzelf wel als je nogmaals wilt reageren. Ik heb mijn verhaal opgeschreven en in de bijlage gedaan. Lees het, als je wilt, en ik merk wel of je wilt reageren of niet.

Dank je wel voor je reactie,

Pa.

Twintig minuten later zit ik verbijsterd voor me uit te staren. Ik heb het verhaal van mijn vader twee keer gelezen en weet niet goed wat ik er mee aan moet. Ik zweet over mijn hele lichaam en ik voel me slap, ellendig. En net onder die ellende en dat beroerde gevoel golft een bizar vreugdegevoel. Ik snap niet hoe het kan en ik wil het ook niet. Ik wil ontzettend boos op deze man zijn, hem haten zoals ik al die jaren heb gedaan, en hem verachten. Ik wil blijven hopen dat hij een langdurige, slopende ziekte krijgt en de rest van zijn leven als een vaatdoek in een bed ligt; bij zijn volle verstand. Maar na dit bericht lukt me dat niet. Althans voorlopig. Ik scroll met mijn muis naar boven in het document en lees het voor de derde keer.

Beste Ben,

Alvast even voor de duidelijkheid: ik ga je geen vergeving vragen. Voor wat ik je heb geflikt is geen vergeving mogelijk. Ik begrijp dat volkomen. Ook ga ik geen redenen of excuses aandragen om mijn gedrag van destijds te verklaren. Ik zat hartstikke fout, ben een ongelooflijk liefdeloze hufter voor je geweest en neem mezelf dat zeer kwalijk.

De reden dat ik contact met je zoek is dan ook niet omdat ik je wil overhalen me te vergeven of omdat we het moeten goedmaken met elkaar, al zou dat natuurlijk mooi zijn. De reden voor deze brief is een heel andere. Ik zal je vertellen wat er is gebeurd en daarna beslis jij wat je er mee doet.

Nadat jij was verdwenen was ik een tijdje kwaad op je. Eigenlijk was ik heel kwaad op mezelf, maar dat wist ik toen nog niet. Als ik niet te trots was geweest, had ik je geprobeerd op te sporen. Met mijn dwarse kop echter, liet ik het voor wat het was. Na een paar weken sloeg de kwaadheid om in verbittering. Ik zwolg in zelfmedelijden en vroeg me af waar ik het fout had gedaan. Natuurlijk wist ik dat allang: ik had starre en verkeerde ideeën over hoe ik je moest opvoeden en dat had ik flink verprutst. Dat wilde ik in die tijd nog niet aan mezelf toegeven. Ik zat dus in de slachtofferrol: de vader die zo zijn best heeft gedaan, waarna zijn zoon hem de rug toekeert. Het werd zo erg dat je moeder is vertrokken. Ze was op een avond gewoon verdwenen: zonder briefje achter te laten, zonder te bellen. Ik weet inmiddels waar ze woont en ik hoop dat ze gelukkig is, maar ik zal geen contact met haar zoeken: ook haar beweegredenen om destijds te vertrekken begrijp ik volkomen. Misschien stuur ik haar ook ooit een mail of een brief, maar ze heeft een andere man dus ik denk dat ik haar maar gewoon met rust laat.

Maar goed: ik bleef alleen achter en was ten einde raad. Ik had tot op dat moment nooit beseft hoe afhankelijk ik was van jou en je moeder. Ik zag mezelf altijd als een sterke, onafhankelijke man. Maar toen jullie allebei vertrokken waren, kwam ik erachter dat ik niet zo sterk en onafhankelijk was als ik dacht. Ik was een onzeker hoopje ellende en ik wilde nog maar een ding: eruit stappen. Ik weet nog dat ik op een avond liep te schelden op jou omdat jij dat ding uit mijn la had meegenomen (je weet welk ding ik bedoel).

Om een lang verhaal kort te maken: ik reed op een avond naar een hoge flat, kletste mezelf via de intercom bij de centrale ingang met een smoes  naar binnen en nam de lift naar de hoogste (veertiende) verdieping. In de lift ontmoette ik een vrouw, die me vroeg of ik bekend was in de buurt. Ik was met mijn gedachten natuurlijk elders, maar ik antwoordde dat ik de buurt niet kende. Toen zei ze iets vreemds. Ze keek me aan, glimlachte en zei:
“Als je me een paar dagen de tijd geeft, kan ik je helpen. Als je na die paar dagen nog steeds naar boven en dan heel snel naar beneden wilt, kun je dat gewoon doen. Wat zeg je ervan: geef je me een kans?”

Ik was sprakeloos en kon haar alleen maar aanstaren. Hoe wist deze vrouw wat ik van plan was? En wat had ze in petto waardoor ze dacht dat ze me kon helpen? Wat ze in elk geval voor elkaar had gekregen, was dat ik ondanks mijn apathie toch nieuwsgierig was geworden. Bij de veertiende verdieping aangekomen schoven de liftdeuren open en kon ik besluiten om met haar terug naar beneden te gaan, of uit te stappen om er vervolgens helemaal uit te stappen. Na even nadenken – wat zijn een paar dagen op een mensenleven als je er klaar mee bent, nietwaar? – besloot ik om te zien wat er gebeurde.

Daarna is het raar gelopen. Ze ging met me mee naar huis, heeft me in één nacht genezen van mijn woede, angst, complexen en starheid. ’s Ochtends wilde ik nog maar één ding: oud worden. Met haar.

Ze is hier blijven wonen, Ben. En we zijn zielsgelukkig. En je zult je wellicht afvragen waarom ik je dit schrijf. Dat is snel verteld. Ik weet dat ik nooit kan goedmaken wat er is gebeurd in het verleden, wat ik heb gedaan; ook al heb ik daar vreselijk veel spijt van. Maar wat ik wel kan doen, wat ik ook graag wíl doen, is jou uitnodigen om haar te leren kennen. Niet vanuit sentimentele redenen (je hoeft haar geen mama te gaan noemen, of haar als stiefmoeder te beschouwen). De reden dat ik je dit schrijf is dat Jane een foto van jou vond en onmiddellijk vroeg wat er was gebeurd. Ik heb het haar eerlijk verteld en zei zegt dat ze je kan helpen alle woede en pijn uit het verleden kwijt te raken. Ze vroeg of ik het goed vond als ze dat deed, en of ik het jou wilde vragen. Dat vind ik meer dan goed en bij deze vraag ik het je, bied ik het je aan namens Jane. Het hoe en waarom kan zij je uitgebreid uitleggen, en je kunt met haar kennismaken zonder dat ik daar bij ben, als je dat wilt.

Dat is de reden waarom ik je dit schrijf, Ben. Ik hoop dat je van het aanbod gebruik wilt maken. Als je het niet wilt, zal ik dat respecteren: jij bent de baas over je eigen leven, en ik moet dealen met mijn eigen verleden en de schuldgevoelens daarover. Vanaf hier is het aan jou. Neem je tijd, denk er alsjeblieft over na en laat me het maar weten als je wilt.

Ik hou van jou, Ben; al is het voor jou misschien heel moeilijk te aanvaarden op dit moment.

Groeten van je pa.

Mijn zweet is inmiddels opgedroogd, mijn hart klopt rustiger en ik kan weer een beetje helder nadenken. Ik weet niet goed wat ik hiermee moet. Mijn nieuwsgierigheid is wel gewekt: dat heeft die ouwe toch mooi voor elkaar gekregen. Ik moet er een nacht over slapen en het rustig laten bezinken. Ik weet niet wat ik wil. Een deel van mij wil onmiddellijk een mail sturen met de tekst “Wat is het adres?”. Een ander deel wil nog steeds haten, hem het liefst doden. Verwarrend.

Ik slaap een zweterige, onrustige nacht en sta geradbraakt op. Het is nog vroeg als ik de computer aanzet en de mail nogmaals lees en daarna print. Jane. Alleen de naam maakt me al blij. Godverdomme. Ik probeer afleiding te zoeken in mijn project voor justitie, maar merk dat ik telkens weer zit te mijmeren. Ik ben erg nieuwsgierig geworden naar Jane. En ja: ook enigszins naar mijn vader. Ik vraag me af hoe het voelt om de loop van mijn pistool in zijn neus te stoppen en hem om genade te horen smeken. Het zou een mooie stunt zijn om hem daarna los te laten en te vertrekken om nooit meer terug te komen. Doodschieten is te simpel, te menselijk, te lief. Dan komt hij er veel te gemakkelijk af. Ik sluit het grafische programma waarmee ik het logo bewerk af; van werken komt niets. Ik moet nadenken. Ergens in mij zit een jonge knul die zijn vader mist. Die jonge knul zit heel diep. Diep genoeg, denk ik.

De volgende dag heb ik een plan. De ultieme manier om mijn vader betaald te zetten dat hij mijn leven heeft verkloot. Want dat heeft hij. Dat besefte ik toen ik zijn verhaal voor de vierde keer las. Fijn voor hem dat hij verlicht, genezen, verzacht is, of hoe je het ook wilt noemen. Leuk dat hij mij dat ook gunt. Alleen kan ik de gedachte dat hij er zo gemakkelijk van af zou komen niet verdragen. Bij de vierde keer lezen van zijn verhaal besefte ik dat ik helemaal niet gelukkig ben, ook al heb ik ogenschijnlijk alles prima voor elkaar. Ik kan niet vaker dan twee, hooguit drie keer met een leuke meid omgaan. Dan slaat de verveling, de verlatenheid, de woede en het verdriet toe. Mijn laatste ex kan daarover meepraten: wat is dat ongelooflijk misgegaan. Door een mist van vervaagde herinneringen zie ik mezelf terug: mijn handen bebloed. Gelukkig ben ik niet opgepakt en is het al zeven maanden geleden.

Mijn werk vervult me niet en ik heb me al vaak bij het inslapen betrapt op de wens nooit meer wakker te worden. Hij heeft een stuk uit mijn leven gejat en dat kan hij nooit – ook niet op deze manier – teruggeven. Ik bel mijn werk en meld me ziek. Dan open ik mijn mailprogramma en schrijf een antwoord aan mijn vader.

Pa,

Je verhaal heeft me verward. Ik ben heel lang kwaad op je geweest en sommige dingen zal ik inderdaad nooit kunnen vergeten. Aan de andere kant heb ik geen zin om mijn leven lang te blijven mokken over een verloren jeugd. Ik ben er nog niet aan toe om jou te ontmoeten. Dat moet je maar accepteren. Maar ik ben wel nieuwsgierig naar wat Jane, je vriendin, voor gave of kunde bezit waarmee ze mij een dienst zou kunnen bewijzen. Eerlijk gezegd geloof ik er niet in. Maar ik ben nieuwsgierig, dus ik zou graag eerst haar eens ontmoeten, zonder jou erbij. Als dat kan laat het maar weten. Waar moet ik zijn en wanneer kan dat? Geen leuke verrassingen alsjeblieft: zorg dat je er niet bent als ik langskom. Dat zou heel verkeerd aflopen.

Ben.

Ik lees het bericht nog drie keer door voordat ik het verstuur. Het moet geloofwaardig zijn en hij moet inderdaad denken dat ik nieuwsgierig ben. Nou ja, nieuwsgierig ben ik ook wel, maar dat is niet de reden waarom ik Jane wil ontmoeten. Die reden ligt dieper, op een oerinstinctief niveau. Freud zou het op Oedipus gooien.

Donderdagmiddag stap ik in mijn auto en zet koers naar Limburg. Het is lekker weer, ik heb een cd van J.J. Cale in de speler gedaan en grinnik zachtjes als ik meeneurie met “Don’t cry baby”. Ik houd me aan de maximum snelheid, heb mijn gordel om en controleer mijn pistool. Mijn vader heeft me gemaild dat hij er niet zou zijn en het adres doorgegeven. Gelukkig niet mijn ouderlijk huis, maar een adres in een paar dorpen verderop. Als ik voorbij Eindhoven rijd, stop ik op een parkeerplaats en check mijn smartphone op mail. Ik verwacht half dat mijn vader nog een mailtje stuurt dat het allemaal een vergissing was. Niet dat het zou uitmaken: ik ga hoe dan ook naar het opgegeven adres. Er is geen nieuwe mail binnengekomen. Ik blader nog eens door de mailwisseling tussen mijn vader en mij – bij wijze van oppeppertje – en steek de smartphone in mijn binnenzak. Na nog een tijdje rijden kom ik het kleine dorp binnen. Er is geen mens op straat; het lijkt wel een spookdorp. Ik zet mijn auto om de hoek van de straat waar ik moet zijn en loop naar nummer 19, waar ik aanbel. Na wat gestommel in de gang gaat de deur open. Een vrouw van een jaar of veertig kijkt me vriendelijk aan. Een prachtige vrouw. Van mijn leeftijd. Ik denk aan mijn vader, de oude viezerik: ze had zijn dochter kunnen zijn.

“Jane?” vraag ik.

“Jannie,” zegt ze. “Waar kom je voor?” Een vreemde vraag. Zou mijn vader haar niet over mijn bezoek hebben verteld?

“Mijn naam is Ben Veen,” zeg ik. Ze knippert een paar keer met haar ogen.

“Ben Veen,” herhaalt ze. “De zoon van Mart?” Haar mooie ogen verwijden zich.

“Ja,” zeg ik. “Je had geen idee dat ik er aan kwam begrijp ik?”

“Nee. Maar dat geeft niets. Kom maar binnen.” Ik loop achter haar aan naar de huiskamer. Ze is werkelijk bloedmooi om te zien en een steek van jaloezie bekruipt me. De inrichting van het huis is vreselijk ouderwets; dat zal mijn vader wel zo willen, hem kennende.

“Wil je een kop koffie?” vraagt Jane – of Jannie; whatever.

“Graag.” Ze verlaat de kamer en ik kijk haar na. Ze draagt een zwarte rok, een witte bloes en mooie schoenen. Ik durf te wedden dat het kousen zijn die ze aan heeft, in plaats van een panty. Ze is echt een lekker ding om te zien, en daar ben ik blij om. Bij nader inzien lijkt ze me zelfs een stuk jonger dan veertig. Mooie benen, volle borsten; een fijn gezicht, omlijst met asblond haar.

“Ik moet even aan het idee wennen,” zegt Jane, terwijl ze twee koppen koffie op de donker eiken salontafel zet. “Mart heeft het wel eens over je gehad natuurlijk.”

“Het geeft niet,” zeg ik. In gedachten vervloek ik mijn vader, de lul. Die heeft dus helemaal niets gezegd en ik ben benieuwd wat hij met zijn plannetje voorhad. Niet dat het iets uitmaakt: ik heb mijn eigen plannetje.

“Suiker en melk?” vraagt Jane. Ik schud mijn hoofd.

“Zwart graag.” Ze knikt. Zelf gebruikt ze haar koffie ook zwart. Een tijdje weten we geen van beiden iets te zeggen en gelukkig is Jane iemand die niet nerveus van stilte wordt. Dan beginnen we tegelijk te praten.

“Je was al die tijd onvindbaar,” zegt Jane.

“Ik was erg verbaasd,” zeg ik op hetzelfde moment. We lachen naar elkaar en ik voel dat het klikt. Ze strijkt met haar handen over haar rok: een non-verbaal signaal dat aangeeft dat ze zich mooi voor me maakt. Prima.

“Zou ik het huis mogen zien?” vraag ik dan. We hebben onze koffie op.

“Eh… ja natuurlijk. Kom maar.” Ze staat op en loopt voor me aan. We bekijken de benedenverdieping met de smalle keuken, een schuurtje, de hal waar ik net binnenkwam en lopen dan de trap op naar boven. Het hoort niet zo om achter een dame aan de trap op te lopen, maar Jane is me al voor. Ik heb de indruk dat ze het expres doet en laat me het uitzicht op haar mooi gevormde benen welgevallen. Als we bovenaan de trap zijn, heeft ze een blos op haar wangen en ik ruik een lichte transpiratiegeur die me wild maakt.

“Nou, hier is de badkamer,” zegt Jane. “En hier de logeerkamer.” Ze opent de laatste deur en ik stap achter haar aan naar binnen. Een saaie kamer met lichtbruin behang, een opgemaakt bed met een gehaakt, paars sprei. Hier pakt hij haar dus, die adder van een vader van me.

Ik sluit de deur achter me en negeer de verschrikte blik van Jane. Dat hoort bij het spel: ik ben ook niet gek. Of eigenlijk wel. Haha. Als ik haar beetpak en achterover op het bed duw, verstijft ze en het is een grappig gezicht hoe ze haar mond open en dicht doet zonder dat er geluid uit komt.

“Stil maar Jane,” zeg ik. “Ik wil het, en jij ook; dat heb ik allang gezien.” Ik scheur haar blouse open, en heb haar BH al los voordat ze begint tegen te spartelen. Ik vind het heerlijk dat ze met me vecht: het maakt me hard zoals ik nog nooit ben geweest. Ik ruk haar rok van haar lichaam en kwijl bijna als ik zie dat ik gelijk had: kousen. Geen panty. Jane ligt met grote ogen te hijgen en wil net geluid gaan maken als ik me bovenop haar laat vallen. Haar adem stokt. Het is een heel gepruts om mijn eigen broek los te krijgen, maar het gaat vrij snel. Als ik mijn hand langs haar been naar boven laat glijden voel ik dat ze erg nat is. Ze begint te gillen als ik in haar binnendring en ik gil met haar mee. Het is zo mooi, zo liefdevol en zo opwindend. Ik merk dat we het allebei al heel lang wilden, terwijl we elkaar vandaag pas voor het eerst hebben ontmoet. Terwijl ik hard in haar stoot, houd ik mijn jasje, dat ik op de rand van het bed heb gelegd, in de gaten. Daar zit mijn H&K in, en ik wil er snel bij kunnen als mijn vader binnen mocht komen. Ik hoop dat hij dat doet en ons zo ziet. De ultieme vernedering. Hiervoor ben ik naar Limburg gekomen.

“Genees me, Jane,” hijg ik, en ik voel mijn hoogtepunt naderen.

“Jannie,” jammert ze. “Geen Jane. Waarom doe je dit? O help me toch!” Ze wil weer gaan gillen, maar ik leg mijn hand op haar mond en geef me over aan het hardste orgasme dat ik ooit heb gehad. De tijd verdwijnt, het wordt zwart voor mijn ogen en als ik mijn laatste zaad heb verschoten, ben ik weg van deze wereld. Ik zweef in een tijdloos vacuüm. Als ik terugkom en mijn ogen open, zijn mijn handen bebloed en zit ik op de grond, met mijn rug tegen het bed. In de verte hoor ik gerinkel en gebons. Er klopt iets niet. Ik spring overeind, gris mijn jasje van het bed en pak mijn smartphone. Ik moet Tonio bellen; hij moet me helpen. Er is iets vreselijk misgegaan. Alsjeblieft niet nog eens, denk ik.

Jane ligt achter me te rochelen en te hijgen. Ik hoop dat het voor haar ook lekker was. Mijn vader staat voor de deur te bonzen buiten; waarom gebruikt hij zijn sleutel niet? Ik kijk in mijn smartphone en zie dat ik een mail heb. Dat moet van mijn vader zijn. Ik open het bericht en lees een of andere kutreclame. Ik wis het bericht en mijn oog valt op het lijstje mails dat in mijn inbox zit. Ik schrik me rot: de laatste mail, voor de reclamemail van daarnet, is van acht dagen geleden; van mijn werk. Het gebons beneden wordt luider en ik hoor geschreeuw. Ik kijk nogmaals op het display van mijn smartphone en zie dat er geen enkel bericht van mijn vader bij zit. Als ik de map ‘verzonden’ open weet ik het eigenlijk al. Geen enkel bericht ook naar mijn vader van mij. Er zijn geen berichten van mijn vader. Dat is grappig en ik begin te lachen. Beneden klinkt een hard gekraak en direct daarna hoor ik voetstappen de trap op bonzen. ik ruk de H&K uit de zak van mijn jasje. Met het wapen in de aanslag blijf ik staan. Ik ril van genot als ik besef dat ik met ontbloot onderlichaam mijn vader verwelkom. Ik ben nog half stijf.

De deur vliegt open en twee politieagenten stormen de slaapkamer binnen. Wat moeten die hier? Ik laat van verbazing het pistool zakken, wat een van de twee agenten ertoe brengt het uit mijn hand te meppen. Voor ik het weet, lig ik op mijn buik op de grond. Terwijl de agent me in de handboeien slaat hoor ik de andere zacht praten.

“Jezus Christus, wat een ellende. Blijft u rustig liggen mevrouw: we hebben een ambulance gebeld.”

De agent die me geboeid heeft, trekt me hardhandig overeind. Ik kijk op het bed en zie een vrouw liggen, helemaal onder het bloed. Een lap vlees hangt los aan haar wang en ik besef dat ze onder de bijtwonden zit. Heb ik dat gedaan? En waar is Jane? De vrouw is bij bewustzijn en kijkt me angstig aan.

“Waarom?” fluistert ze. Het is toch Jane. Maar ze is ouder dan zeventig, heeft een grijs permanentje en ik voel een rilling door me heen gaan als ik besef dat ik zojuist de liefde heb bedreven met iemand die mijn moeder had kunnen zijn. Ik voel mijn maag omhoog komen en slik verwoed om niet te gaan overgeven.

“Maar Jane,” zeg ik, en ik negeer de stomp van de agent die me vasthoudt. “Dit is voor mijn vader,” zeg ik. “Ik ben zo benieuwd wat hij er van vindt.” Ik grinnik haar vrolijk toe. Ze sluit haar ogen en wendt haar gezicht af. Ze kreunt iets onverstaanbaars. Het is belangrijk, dat voel ik.

“Wat zeg je?” vraag ik. “Ik kan je niet verstaan.” Ze draait haar hoofd naar me toe, opent haar ogen en kijkt me met een lege blik aan.

“Je vader,” zegt ze.

“Wat is er met mijn vader?”

Weer mompelt ze iets wat ik niet kan verstaan. Ik wil me naar haar toe buigen, maar de agent trekt me pijnlijk achteruit en duwt me voor zich uit naar de overloop. Als we de trap aflopen, vraag ik hem wat de vrouw zei.

“Ze zei dat je vader al veertien jaar dood is, zieke hufter,” zegt hij. “En nu doorlopen jij; we hebben een fijn plekje voor je.”

Deze keer zal ik wel wat langer wegblijven, vermoed ik. Ik grijns met mijn bebloede bek naar het groepje mensen dat buiten op de stoep sta, voordat ik in de politieauto word geduwd.

Ooit kom ik hem tegen; dat voel ik gewoon.