Verder had hij geen liefhebberijen als hobby; ze boeiden hem te weinig. In zijn scholierentijd had hij een postzegelverzameling maar hij had het album en het doosje waarin de nog niet ingedeelde zegels zaten geruild tegen een salmiakknots, iets waar hij nooit spijt van had gekregen. Misschien had de jongen met wie hij ruilde – hij herinnerde zich niet wie het was geweest – nu wel een mooi kapitaal vergaard met juist dat postzegelalbum als begin. En misschien had hij zelf wel het begin van diabetes ontwikkeld met net die ene salmiaklollie: wie zou het zeggen? Vooralsnog had hij geen last van de vermoeide slapte, zo kenmerkend voor een lage bloedsuikerspiegel en soms ook voorbode van een sluimerende suikerziekte. Dus maakte hij zich er maar niet druk om.

Geen hobby’s dus, als liefhebberij; zelfs niet als tijdverdrijf. Wat hem daarentegen wel kon boeien waren dingen die in het water drijven. Je kon je er zoveel bij afvragen dat het nooit verveelde. Bijvoorbeeld hoe die dingen in het water terecht waren gekomen. Had iemand iets in het water gegooid? Of was het wellicht per ongeluk gebeurd? Dat iemand met een ding in zijn hand langs het water fietste en dat door een plotselinge uitwijkmanoeuvre het ding uit zijn hand vloog, zo het water in. Dat die persoon zoiets had van: ‘Ja, ik kan hier wel tegen het verkeer in terugrijden en dan dat ding uit het water gaan halen maar ten eerste is het steenkoud, ten tweede wil ik naar huis om te eten en ten derde was het ding nou ook weer niet zo heel belangrijk.’

Hij wist natuurlijk niet of zo’n persoon dat werkelijk had gedacht, net zo min als hij wist of een ding per ongeluk of expres in het water was gegooid. Uiteraard was het ook mogelijk dat er heel andere dingen meespeelden dan het al dan niet per ongeluk in het water gooien van dingen. Een ding kon elders zijn weggegooid; met bijvoorbeeld een achteloze zwaai in een straatgoot geworpen, en van daaruit door het weer verplaatst naar in het water: wind en regenwater zijn goed in staat om dingen te verplaatsen en niet zelden ook naar in het water.

Hij wist het niet, en dat maakte op zich ook niet uit. Wel had hij in de loop der jaren een gevoel ontwikkeld waarvan hij dacht dat het de geschiedenis van dingen in het water nog heel aardig benaderde; althans het gedeelte van de geschiedenis waar de route van het ding naar in het water had plaatsgevonden. Of het klopte kon hij natuurlijk praktisch nooit zeker weten omdat het simpelweg ondoenlijk was om van elk ding in het water de voormalige, rechtmatige eigenaar op te sporen en te onderzoeken hoe het ding toentertijd te water was geraakt. Derhalve moest hij maar vertrouwen op zijn gevoel, en dat deed hij.

Zo wist hij meestal binnen enkele tellen het verhaal achter de meeste dingen die in het water dreven. Het kon een klein iets zijn, of een wat groter voorwerp – zelfs iets waarvan je zou denken dat het wel onmiddellijk gezonken zou zijn als het in het water was terechtgekomen, maar dat tegen alle verwachtingen in toch in het water bleef drijven.
En die verhalen achter de dingen die in het water drijven, daar ging het hem om. Niet het afgezaagde overigens: zoals een speelgoedbeertje dat in een hoek van een vijver dreef en waarvan het kind dat het was verloren waarschijnlijk ontroostbaar was. Of een mapje papieren; de inkjetinkt waaierend uitgelopen tot natte, onleesbare sluiers van bleekblauwe zijde; en wat daar dan allemaal voor informatie in had gestaan, nee: dat soort drama werd compleet uitgewoond door televisietypes, schrijvers van pretentieliteratuur en andere effectjagers. Daarbij deed het denken aan het pseudosentiment zoals dat tegenwoordig zo gewild was: laat een invalide een prestatie leveren en het halve volk loopt emopornografisch leeg naar de andere helft via blogs, tijdschriften en tv-programma’s, om niet alleen hun betrokkenheid wereldkundig te maken, als ook vooral anderen op te voeden. Een beetje zoals de mensen die tijdens een dodenherdenking (bijvoorbeeld voor omgekomen mijnwerkers) niet herdenken maar opletten of anderen wel stil zijn.

Hij was nou juist geïnteresseerd in andere dingen die in het water dreven, die door anderen niet of slechts als afval werden opgemerkt. De weggooidingen, de waardeloze dingen, de prullen, het verwaarloosbare. Een kartonnen koffiebekertje met een logo erop. Welke lippen hadden de halfhard gekrulde rand beroerd? Was het laatste slokje nog warm geweest of dusdanig afgekoeld dat de drinker een huiver had moeten onderdrukken van het lauwbittere restje? In wat voor stemming had de wegwerper verkeerd toen hij of zij het bekertje in het water wierp? Vooropgesteld dat het inderdaad geworpen was, en niet gewaaid.

Een geplastificeerd blauw doosje met daarop een afbeelding van een lachende kangoeroe en een paar regels onleesbare tekst. Kijk, dat vond hij mooi. Wat werd verpakt in een doosje waarop een lachende kangoeroe staat afgebeeld? Wie had het uitgepakt? Was het doosje uit slordigheid, luiheid, onverschilligheid in het water gegooid? Of was degene die de verpakking had geleegd dermate geschrokken of kwaad geweest dat het doosje met enig geweld te water was gekomen? Het mooiste van zijn liefhebberij vond hij echter de wetenschap dat er altijd wel ergens dingen in het water zouden drijven, maar dat hij waarschijnlijk nooit de verhalen erachter zou leren kennen. Zo behield het zijn mysterie en bleef er voor hem nog wat te raden.