Intussen werd de situatie er voor hem niet beter op. Hij lag op zijn rug op een harde ondergrond en probeerde iets te zeggen. Dat lukte niet. Zijn gezicht en hoofd deden pijn. Hij probeerde zijn  ogen te openen maar ook daarin slaagde hij niet: hij kon niets bewegen.

Wat eraan vooraf was gegaan betrof een typisch voorbeeld van een ontploft kruidvat; figuurlijk gezien. Weliswaar na lange tijd van onbeschofte aanmatiging, vernedering en minachting; dat zeker. Een beetje zoals de politiek met u, de burger, pleegt om te gaan en er net als hij ook telkens weer mee wegkomt; niet vanwege enige rechtvaardiging maar uit angst en gevoelens van onmacht bij het slachtoffer: “In je eentje doe je er niets aan.” En: “Ze pakken je altijd terug, dus je kunt je maar beter gedeisd houden.”
Zo verandert er nooit iets natuurlijk. We weten dat, schudden ons hoofd en hopen in onze naïeve, bijna kinderlijke hoop op een magische oplossing: dat het voor ons nog niet zo’n vaart zal lopen en dat er uiteindelijk vanzelf een sterke man of vrouw opstaat die ons gaat redden. Het magisch denken van een kind: “Als ik telkens een trottoirtegel oversla bij het naar school lopen, zal ik vannacht met rust worden gelaten in mijn bed, en kan ik morgen met gym meedoen.”
Zo probeerde zij jarenlang de ellende te relativeren met dooddoeners als ‘overal is wat’, ‘ieder huisje heeft zijn kruisje’en ‘hij heeft ook een paar heel goede kanten’. Een van de goede kanten waar ze destijds op was gevallen was zijn humor. Hij kon enorm leuk en adrem uit de hoek komen: vooral met spitsvondige woordspelingen.

Eens, tijdens een officieel diner vanwege promotie van een collega van haar hadden ze beleefd zitten luisteren naar het verhaal van een tafelgenoot, die vertelde dat ze nog altijd last had van de herinnering aan haar pleegmoeder, die zichzelf van het leven had beroofd.
“Vandaar ook ‘pleeg’moeder natuurlijk,” had hij in haar oor gefluisterd, toen de tafelgenoot even de andere kant op keek. Ze had de rest van het diner met samengeknepen billen gezeten en de volgende dag ontdekt dat ze haar wangen had stukgebeten.

Dat waren de leukere tijden.

De minder leuke tijden kwamen helaas steeds vaker en hielden in dat er eerst flink gedronken werd, daarna ruziegemaakt, en dan geslagen om af te sluiten met seks. Het drinken, ruziemaken, en slaan kwam voor zijn rekening, de seks voor beider. Hij omdat hij zich geil gezopen en geslagen had, zij om erger te voorkomen.

Tot eerder deze avond. Al drinkend was hij een monoloog gaan afsteken tegen haar. Over haar werk als anesthesist, en wat ze daarmee binnenbracht aan salaris.

“Je wordt gewoon onderbetaald omdat je een wijf bent,” had hij gelald. “Vraag gewoon eens om opslag en neem eens wat lekkers mee.

“Wat lekkers?” had ze gevraagd.

“Ja, wat lekkers ja.” Zijn ogen hadden kwaad geschitterd. “Iets lekkers uit die snoepkast van jullie. Of wou je soms zeggen dat jij en die collega van je, die lekkere rooie, hoe heet ze? Sonja…”

“Marion.”

“Ja die. Dat jij en die Sonja nooit eens iets lekkers uit de medicijnkast snoepten?” Hij tuurde langs zijn glas whisky naar haar borsten.

“En daarna lekker met zijn tweetjes op een leeg ziekenzaaltje aan elkaars sinaasappeltjes zitten.” Hij lachte vettig en kwam in een hoestbui terecht. Waarschijnlijk had hij zich verslikt want hij hoeste zo hevig dat er een scheut whisky uit zijn glas op zijn broek terechtkwam, precies in zijn kruis.

Hij zag dat ze probeerde haar lach te verbergen en kwam uit zijn stoel op haar af.

“Dat vond je wel leuk hè?” Zijn stem was gevaarlijk zacht. “Misschien vind je het leuk om ook een mooi nat plekje in je broek te krijgen?” Hij haalde uit met de hand waarin hij zijn glas had en raakte haar keihard op haar neus, die begon te bloeden. Ze schreeuwde het uit van pijn en dat wond hem op. Hij begon zijn broek los te maken.

“Moest jij je mannetje maar eens even laten zien hoe een spijt je ervan hebt,” lispelde hij. En toen hij haar bloedende neus zag: “Of niet soms? Pleegzuster Bloedneus.” Hij bulderde om zijn eigen woordgrapje en was dan ook totaal niet bedacht op de verandering die op dat moment in haar plaatsvond: er knapte iets.

Het werd zwart en toen was er een hele tijd niets. Alleen wat zacht geruis van kleding. En nu lag hij hier, op een operatietafel. Hij kon zich niet alles meer precies voor de geest halen maar herinnerde zich in elk geval iets met een halfvolle wijnfles, een splijtende pijn in zijn gezicht en hoofd en veel rare lichtjes. Daarna een hele tijd niets en toen dit.
Gepraat boven hem. Door zijn gesloten oogleden zag hij schaduwen in de felle lichten. Er was een stem die hij herkende: een beeld dook op in zijn geest – rood haar, mooie meid. Het was die collega van haar… Hij werd iets geruster. Ze had altijd hoog opgegeven over de kwaliteiten van die rooie; dat ze altijd feilloos wist te doseren en bij te houden tijdens de anesthesie.
Hij hoopte dat ze zo vakkundig was dat ze zou ontdekken dat hij weliswaar verlamd was, maar volledig bij bewustzijn en alles kon voelen.

Hij voelde een koele hand in latex op zijn arm en daarna een prik. En ineens schoot hem een verhaal te binnen dat ze wel eens had verteld: over een vrouw van wie ze dachten dat ze in narcose was, werd geopereerd, maar dat later bleek dat ze de hele operatie bij vol bewustzijn had meegemaakt en alles had gevoeld. Het mens was jaren later nog in trauma.
Ondanks dat hij zich enigszins zorgen maakte dat hem dat ook zou kunnen overkomen, vertrouwde hij toch op de roodharige anesthesist: Sonja. Sina? Of zoiets. En bovendien lag hij in een operatiekamer, dus er waren vast veel meer mensen bij. Maar waar waren die? Hij hoorde niets; ook geen typische ziekenhuisgeluiden voorzover hij die kende. En dat licht klopte ook niet. Hij kwam tot het besef dat hij weliswaar op zijn rug lag en dat die Sonja of Saridon of hoe die rooie stoot ook heette om hem heen drentelde, maar dit was geen operatiekamer.

Wat dan wel?

Zouden ze een grapje met hem uithalen, die twee meiden? Dat ze ‘m gedrogeerd hadden en nu wat stoute spelletjes met hem gingen doen? Hij ontspande een beetje.

Totdat ze over hem heen boog, met haar lippen zijn oor kietelde en fluisterde: “Met de complimenten van Pleegzuster Bloedneus. Dat moest ik nog even doorgeven. Goede reis naar de hel.” Nog een prik in zijn andere arm. En toen begon de ondraaglijke pijn.