Rond drie uur ’s middags stierf Drille Puustema; in de volle zon, midden op zijn land tijdens het mollepiepen. Met een luid: “Tis kloar!” zakte hij over zijn riek en viel doodstil in het gras. Pide en Eit, die een eindje verderop stonden te werken, keken elkaar verbaasd aan. “Wat nou kloar” riep Eit, “tis krek drei!” Toen er geen antwoord kwam, liepen de broers naar de plek waar Drille lag. Log staarden ze naar hun vader die in een onna‚tuurlijke houding om zijn riek lag gedraaid, zijn gezicht in een paarse tint. “Hai sloapt” zei Pide na een poosje. “Ja” zei Eit, “en wie moar wark’n.” En ze togen weer aan het mollepiepen.  Ze vergaten het incident, tot aan ’t avondeten moeder Liepke vroeg: “Woar is Pa?” “Sloapt” zei Pide en stak een druipend stuk bollekloot in zijn mond. Die avond werd er geen aandacht meer aan besteed. Pas toen Pide en Eit ‘s morgens het land op‚gingen en Drille nog steeds in die vreemde houding zagen liggen, bedekt met ragfijne dauwdruppeltjes, leek het hen toch raadzaam om hun moeder erbij te halen. Liepke slenterde naar het lijk van Drille, keek er een poosje op neer en sprak rustig: “Tis kloar jongs, hai is dood.” Drille werd in een kruiwagen naar de boerderij vervoerd en daar op de keukentafel gelegd. Eit werd gestuurd om Brakke Drugt, de dorpsarts, te halen. Toen deze Drille daar in die rare kronkel op de keukentafel zag liggen, wist hij genoeg. “Hai ken grond in, jongs.” zei hij tot de broers.  Drille werd begraven achter de schuur en de hele familie kwam om de plechtigheid bij te wonen. Onder de genodigden bevond zich ook Fokje, de dochter van Biestebos. Eé Biestebos was Liepkes broer die een dorp verderop woonde. Fokje was als klein meisje vaak te logeren geweest bij de Puustema’s. De laatste jaren echter, had zij het te druk met Biestebos helpen op de boerderij. De tijd had zich niet onbetuigd gelaten bij Fokje: haar destijds zo scharminkelig lichaam had zich ontwikkeld tot een voluptueus, grof vrouwenlijf. Jaren van hard werken, veel roggepulk en gierstesop verrieden zich door haar enorme boezem en volle, rode wangen. Dit alles was Pide niet ontgaan en onder de toespraak van de dorpspastoor stiet hij zijn broer aan. “Kiek Eit, is dat us Fokje niet?” Eit keek in de aangewezen richting en knipperde even met zijn ogen toen hij die enorme vleesmassa ontdekte.  Met enige wilskracht rukte hij zijn blik los van Fokjes ferme borstenpaar en bestudeerde haar gezicht. “Joa verduld, tis Fokje” lispelde hij terug en richtte zijn aandacht weer op de pastoor die al bijna twee minuten aan het praten was, wat heel ongebruikelijk was bij Westerklootkwartierders. Pide kon zijn ogen niet van Fokje afhouden en mijmerde erover hoe het zou zijn om met zo’n vrouw de boerderij te runnen. Samen melken, daarna Pide ’t land op en zij de keuken in. ’s Avonds lekker eten en dan vroeg naar bed… Pide werd zich bewust van enige beroering in zijn pantalon en probeerde, zij het enigszins gebukt nu, zijn gedachten tot de toespraak van domie te bepalen.  ’s Avonds was er volgens plaatselijk gebruik feest. De vrouwen waren de hele dag bezig geweest met het klaarmaken van lekkernijen en dorpelingen, en iedereen deed zich flink tegoed aan de zwienepokkel, bollekloot, bulkezuur en andere heerlijkheden. Glidde Boeskool haalde zijn reutelpuut tevoorschijn en zette een bekende streekmelodie in. In een oogwenk stond de deel vol met hossende mensen. Glidde vervolgde met de Sniddebuuk, een geliefde dans. De mannen moesten tegenover de vrouwen gaan staan en wippend van de ene klomp op de andere, kwamen zij elkaar tegemoet. Als zij bijna tegen elkaar aan stonden smakten ze eerst de bovenlichamen en dan de onderlichamen tegen elkaar, onder het zingen van:

Sniddebuuk, sniddebuuk
loat ’t struus moar loop’n

ien dien boks of ien ’n kruuk

kest ’t nait verkoop’n

Pide had ervoor gezorgd dat hij tegenover Fokje stond en ramde met enthousiasme zijn bekken voorwaarts. Fokje lachte heel haar ongesaneerd gebit bloot en Pide kon zich niet herinneren ooit zo gelukkig te zijn geweest. Toen er een polka volgde, begaven neef en nicht zich naar de tafel met drank en spijzen. Fokje schonk voor beiden een kom vol met jidder, een traditionele drank voor feestelijke gelegenheden en begrafenissen, gemaakt van in urine gegiste appelen. Ze dronken een poosje en genoten van de zachte azijnsmaak. Af en toe gluurde Pide steels naar Fokje, die telkens verlegen glimlachte. “Tied leed’n wat?” zei Pide. Fokje knikte. “Joa, wie hebb’n ’t drok thoes.”  Pide was blij dat ze nog steeds zo gezellig konden babbelen samen; daarin waren ze niets veranderd. De blos op Fokjes wangen had zich verdiept tot een glanzend paars en Pide staarde met nauw verholen blik naar haar zwoegende buste, onderwijl zijn hand in zijn broekzak persend om alle activiteit daaronder in toom te houden. Toen het voorvocht hem aan de lippen stond en hij ’t bijna niet meer hield, zette hij zijn kom weg en keek Fokje aan. “Stal ee’m zien?” vroeg hij. “Joa, da’s goud” lispelde zijn nicht en ze gingen op weg naar de koeiestallen. 

Op de meeslepende tonen van Glidde’s reutelpuut raakte de stemming er knap in onder de rouwenden. Ze hosten en sprongen dat ’t een lieve lust was en werden, mede door de overvloedig stromende jidder, steeds losser in hun gedragingen. Op de vrolijke wijs van de “Piskedru”, toch ook niet de eerste de beste streekdans, werden de bewegingen allengs wilder en een zurige geur van eerlijk doch oud zweet vulde gestaag de deel. Liepke, verse weduwe met een kapitaal boerenbedrijf, vormde een begerenswaardige partij voor legio alleenstaande kennissen. Ze kon goed koken, was flink vet en kon een stootje hebben; welke man zou daar niet voor bezwijken? Ze kreeg dan ook geen kans om te gaan zitten. Nauwelijks had ze de laatste passen van de Piskedru uitgedanst met Jokke Gortstroop, of Burpe Schieteboks sleurde haar mee voor een wilde dans op de tonen van een schielijk ingezette druppeskeur. Deze dans deed zijn naam alle eer aan: De mannen gaven elkaar een hand onder de rokken van de vrouwen en slingerden hun ineengeslagen handen op en neer, heen en weer. Geen van de boerinnekes die daar droog bij bleef natuurlijk! Liepke danste van het ene orgasme in het andere en bewees zo volgens Westerklootkwartierders gebruik de laatste eer aan haar overleden echtgenoot. 

In de stallen ondertussen, heerste een broeierige  atmosfeer. Pide en Fokje hadden samen de koeien bekeken waarbij Fokje zo nu en dan goedkeurend knikte, wat Pide deed gloeien van trots.  “Mooi koei’n wat?” zei hij. Fokje knikte; “is straks de helft veur oe?” vroeg ze brutaal. Pide bevestigde dat grif: als Liepke niet meer boerde zouden zijn broer en hij ieder de helft van de boerderij overnemen. Fokje keek hem glunderend aan.  “Wie zoll’n goud boer’n soam, dunkt mie” mijmerde ze zacht. Pide’s boerenjongen maakte een vreugdesprong in zijn broek en verlegen hield hij zijn hand ervoor. Fokje zag het en haar blos verdiepte zich. Haar volle lippen weken vaneen en ze streek er met haar tong langs. “Kiek wie ee’m of ’t past bie mekoar?” vroeg ze. Ze trok hem mee achter een paar balen hooi en schortte haar rokken omhoog. Bij het zien van die machtige roomblanke dijen, waarvan het lillende vlees zacht glom in de stalverlichting, kreeg Pide een illegale lozing en gebukt onderging hij de daarmee gepaard gaande spasmen. “Kom moar” zei Fokje en lachte zo geil naar Pide dat hij onmiddellijk gereed was voor het vervolg. Ze trokken van leer en Pide verbaasde zich over Fokjes behendigheid. Als een ervaren vrouw liet ze hem kronkelen van genot. “Wel voaker doan, zeker?” vroeg hij toen ze lagen uit te dampen. Fokje knik‚te. “Poar keer met pony en wel ies met mien Pa, as ik mien best had doan mit wark’n” Pide knikte; dat was normaal. “Nooit ’n kiend had?” vroeg hij. “Nee” lachte Fokje “pa stopt ‘m altied ien ain van koei’n as ‘e hoast kloar is. Allennig met feest mog ik wel ies zoeg’n.”  Pide was tevreden. Biestebos was altijd al een verstandig man geweest en met vier geslachtsrijpe boerendochters toch je kop erbij houden; daar had Pide respect voor. Hij begon serieus te denken over een huwelijk. Zo’n schoonvader wilde iedereen wel, toch?  Ze togen naar de deel, waar het feest ter ere van Drille’s verscheiden nog in volle gang was. Pide scheurde zijn moeder van een schokkend keuterboertje af en brulde iets in haar oor. Liepke lachte en ging naar haar schoonzus. “Wie kom zundag ee’m proat’n” schalde ze boven de muziek uit. “Da’s mooi!” schreeuwde Eeltje Biestebos terug, “ik zeg ’t wel teeg’n Eé!

***

Biestebos zette zijn pet af en keek beurtelings naar Fokje en Pide. Ze zaten rond de geschuurde keukentafel van de Biestebossen en bespraken het aanstaande huwelijk van neef en nicht. Tenslotte knikte hij. Pide was een flinke kerel die van werken wist en tenslotte was Liepke zijn zuster, die hij door en door vertrouwde. “Ik wil ’n kou en twai kipp’n” zei hij bars.  Liepke knikte met een glimlach. Ja, daar kon ze wel mee akkoord gaan. Eeltje schonk glunderend nog eens alle kommen vol en daarmee waren de onderhandelin‚gen klaar. De voorbereidingen voor het huwelijk echter, vergden wat meer tijd.    

Om in het Westerklootkwartier voor trouwen in aanmerking te komen, moesten alle jongelingen -zowel mannen als vrouwen-  een aantal proeven van bekwaamheid afleggen, die werden uitge‚dacht door de naaste familie met hulp en advies van de overige dorpelingen. Daar er in dit geval sprake was van twee dorpen, kwam er enige organisatie bij kijken.  De bekwaamheidsproeven werden altijd afgestemd op de huwelijkskandidaten, zodat iedereen een eerlijke kans had. Slaagde men er niet in de proeven goed te voltooien, dan was men nog niet rijp voor het huwelijk en werd er een half jaar gewacht.   De beide tortelduifjes mochten elkaar niet meer zien tot op de dag van het huwelijk. Pide bracht deze weken in gepaste nervositeit door. Hij probeerde de tijd te doden met hard werken en zijn broer vervelen. Eit kon zich wel voorstellen dat Pide nerveus was en liet de plagerijen gelaten over zich heen gaan, zich troostend met de gedachte aan het aanstaande huwelijk. Dan zou Pide nog volop aan de beurt komen, dacht hij tevreden. Soms werd het hem echter teveel, zoals toen hij in zijn klompen stapte en aan alle kanten de rijk geurende schapestront langs zijn kousen omhoog spatte. Kwaad ging hij naar Pide, die in de stallen bezig was. Eit hief zijn klomp en trof Pide midden in zijn ge‚zicht, waardoor zijn neus brak. “Liekst ja wol een leutje jong!” riep Eit tegen zijn broer, die met een krakende zakdoek bloed en stront van zijn gezicht veegde. “Ach Eit” huilde hij, “ik ben ja zo zenuwachtig. Wie goan pas over twai week’n trouwen en ik bin elke oav’nd zo heitsig as ’n tochtige kou.” Eit kreeg toch wel enige spijt van zijn kwaadheid. “Noe” bromde hij, “kom moar, din goan wie ’n komke pakk’n bie moe. En ast vanoav’nd weer zo heitsig bist, din komst moar ee’m bie mie; din help ik die wol.”    ]

Zo lagen de beide broertjes die avond knus in Eit’s stee. Eit haalde zijn massieve salami te voorschijn. “Most is kiek’n, Pide; das iene beste wat?” Vol bewondering staarde Pide naar zijn broer. “Liekst ja wol ’n peerd” mompelde hij.  Eit nam zijn knuppel in de hand en sloeg er een paar keer flink mee op de rand van de stee. “Ja, wat ist jongs?” riep Liepke vanuit de andere stee. “Niks wief, ga moar sloap’n. Wie bint heitsig!” schreeuwde Pide terug. “Nou” krijste Liepke, “woarumme kum je niet bie moeke din? Dun wie’t ja krek as vrou‚ger!” Eit en Pide keken elkaar ’s aan. Daar zat wat in, natuurlijk. Met elkaar was fijn, maar net als vroeger tegen moeder aan‚kruipen was toch veel lekkerder. Met gezwollen bullepezen kropen ze bij Liepke in de stee. Beetje krap, maar daar wist Liepke wel wat op. “Kom moar jongs” lispelde ze, “dun wie  steetjestoapel. Ik bin ja ook zo heitsig as wat. Hier: vuul mie moar ies an de kötte” 

* * *

Eindelijk was het dan zo ver: de trouwdag was daar. Pide scheet twee keer zijn pofbroek vol van de zenuwen en ook Liepke hield het niet droog. Ze hadden echter maar weinig tijd. “Kom moar” zei Liepke, “wie ken vanoav’nd wel dreug spul an‚trekk’n.”  En zo togen ze krakend en soppend naar Titjenhuzen, waar de plechtigheden zouden plaats‚vinden. Tegen de tijd dat ze daar aankwamen, had de plak in Pide’s broek zich enigszins naar de vormen van zijn lijf geschikt en voelde best comfortabel aan zo. Welgemoed stapten ze het dorpsplein op, waar ze met oorverdovend gejuich werden begroet door honderden dorpelingen. Pide tuurde alle kanten op om te zien of hij Fokje kon ontdekken, maar ze was nog niet in zicht. Van alle kanten werd hij op zijn rug gemept ter aanmoediging. Het gezelschap begaf zich naar het midden van het plein waar een grote tafel stond. Achter de tafel zaten Glubbe Piethoane, de notaris, en Brakke Drugt, de dorpsarts. Zij waren belast met het voorlezen van de opdrachten en het beoordelen van de behaalde resultaten.  “Zo jong” zei Glubbe tegen Pide, “bist ‘r kloar veur?” Pide knikte “Joa, twei keer in boks scheet’n” zei hij. De mannen knikten goedkeurend: enige nervositeit kon de feestvreugde alleen maar verhogen. Een gegons ging door de gelederen en plotseling ontwaarde Pide Fokje die met haar ouders kwam aanlopen. Glunderend keek ze naar Pide, die een spontane ejaculatie ternauwernood kon onderdrukken. Wat zag ze er mooi uit! Ze had een mooie wollen jurk aan over een paar zwarte rokken.  Haar grof gebreide kousen staken in een paar glanzendgele klompen. Eit, die naast Pide kwam staan, mompelde: “Godjantidde, ze zugt ‘r machtig uut Pide. Liekt mie ook wel wat tou.” Pide, niet vergetend dat het Eit was die hem van de ergste nood had afgeholpen de laatste paar weken, keek zijn broer welwillend aan. “Dun wie gewoon ’n keer” zei hij grootmoedig. Zulke dingen waren overigens nooit een probleem bij Westerklootkwartierders; ze vielen gewoon onder de familiezaken. Fokje en Pide vervoegden zich voor de tafel, waar Glubbe de opdrachten zou voorlezen. Eerst wijdde hij een paar mooie woorden aan het aanstaande bruidspaar.  “Beste luu” galmde hij met luide stem, “Wie bunt hier om Fokje Biestebos en Pide Puustema te trouw’n. Pide en Fokje bin harde warkers en wie wens’n ze alle geluk tou mit prouv’n. Pide het mie krek verteld dat ‘e boks twei keer het volscheet’n, dus hai ies d’r kloar veur” Een luid gejuich klonk over het plein en Pide liet de loftuitingen trots over zich heen gaan. Bijna voegde hij van blijd‚schap een derde warme portie toe aan de twee vorige, maar bedacht op tijd dat hij zijn krachten nu beter kon sparen. Fokje echter, stond met gekruiste benen en liet het machteloos giechelend lopen, onder aanmoediging van de omstanders.

“Noe” zei Glubbe droog, “Fokje is d’r ook kloar veur, dunkt mie” Hij haalde een groot papier te voorschijn, waarop de opdrachten stonden die de familie en dorpelingen hadden uitgedacht. “Wie begunt mit Fokje” riep Glubbe. “Mien beste wicht, wie hebb’n veur oe ’n ministrontloop bedacht.” Een tractor met giertank kwam het plein op denderen en zette een baan van honderd meter lang en vijf meter breed uit. De zure lucht van oude mest vulde de lucht en de omstanders raakten uitzinnig van vreugde; de stemming zat er al knap in… Fokje nam haar plaats in aan het begin van de baan. Bulke Mestema, die de tractor bestuurde, had knap werk geleverd: de stront lag ruim tien centimeter dik op het plein gesproeid. Om de twintig meter stond een dorpeling midden op de baan geposteerd. Zij moesten proberen Fokje ervan te weerhouden het einde van de baan te bereiken. Vooraan stond Knarre Lobbezeel, de potige dorpssmid, te grijnzen. Daarachter stond Dirkje Vetteboks, ruim honderdvijftig kilo en met armen als heipalen. Na Dirkje volgden nog drie stevige kerels en Fokje bereidde zich mentaal voor op een stevig gevecht.  Brakke Drugt hield een gans bij de hals vast en op een knikje van Glubbe zwaaide hij het beest met een enorme zwieper tegen een grote koperen gong, waarna de loop kon beginnen. Fokje stormde recht op Knarre af zonder te proberen hem te ontwijken. Dit bracht hem even van zijn stuk en dat kwam hem duur te staan. Fokje maakte van zijn verwarring gebruik door hem met haar gloednieuwe, glanzendgele klomp vol in zijn kruis te trappen. De grote Lobbezeel zeeg kokhalzend ineen en Fokje zette zich met haar andere klomp af op zijn gezicht om de race te vervolgen. Gemeen grijnzend wachtte Dirkje haar op. Toen Fokje voor haar stond, haalde ze razendsnel uit en trof Fokje volop op haar slaap met een vuist als een moker. Fokje lachte en greep een borst van Dirkje met twee handen beet. Met een rauwe kreet kneep ze toe en draaide in een ferme ruk de borst om. Een elleboog in het oog maakte een einde aan de resterende weerstand van de luid krijsende Dirkje Vetteboks. De andere drie obstakels werden op soortgelijke wijze afgetroefd en Fokje legde de laatste meters op haar achterste af, nadat ze met enorme vaart was uitgegleden op de toch wel wat vochtige mest. Ze werd opgevangen door een juichende menigte. Pide stond te stralen van trots en wist dat hij een goede keus had gedaan; Fokje was een machtwijf!  Toen was Pide aan de beurt. Op een rij stonden vijf koeien klaar. Glubbe las de opdracht voor: “Pide mien jong, most vief ding’n verzoameln. Moar most zulf wait’n uut welke kou.” De gans ging en doodse stilte daalde op het plein neer. Geconcentreerd liep Pide langs de koeien. Een voor een keek hij ze aan; dit was zijn vak. Door de koeien in de glazige blik te turen probeerde hij enig ongemak te vinden bij een of meer van de meisjes. Na een paar minuten wist hij het. Hij liep om de koeien heen en ging achter de tweede staan. Hij stroopte zijn mouw hoog op en zette zijn gespitste vingers tegen de koe aan. Zweet druppelde op zijn voorhoofd. Hij mocht één keer misgrijpen; daarna niet meer. Met een luid gesop duwde hij zijn arm tot de schouder naar binnen en woelde rond in het binnenste van de nerveus loeiende koe. Na enig tasten vond hij wat hij zocht: een verse leverworst van slager Piepezoeger. De menigte schreeuwde van opwinding toen hij de ruim tachtig centimeter lange worst naar buiten wrikte. Uit zijn volgende keus haalde hij een Titjenhuzer kaas te voorschijn en de derde koe bevatte een zuurdesembrood. Pide raakte enigszins uit zijn doen toen hij de drie koeien leeg‚had; hij moest toch vijf cadeautjes verzamelen? Nogmaals ging hij voor de koeien staan en ontdekte dat twee van de geleegde beesten nog steeds wat ongemakke‚lijk keken. Nu was het kinderspel en met een vette grijns haalde hij de laatste twee huwelijksgeschenken uit de donkere diepten: Een paar mooi bewerkte klompen voor hem en Fokje.  Het aanstaande bruidspaar doorstond glansrijk alle proeven van die dag en het huwelijk werd aangekondigd door Brakke Drugt en Glubbe Piethoane. 

* * *

Op de dag van de plechtigheid verzamelden alle bewoners van beide dorpen zich in en rond het grote dorpshuis van Westschieteradeel. Pide stond met Eit vooraan in de zaal; Eit was getuige van Pide. Fokje stond aan de andere kant met haar beste vriendin, Aaltje Sopje. Af en toe gluurden de jonggeliefden eens naar elkaar en Pide kon nauwelijks de plechtigheid afwachten. Ze hadden elkaar nu al zes weken niet meer gezien en het voorvocht verliet op de meest ongelegen momenten Pide’s roede. Een geroezemoes trok door de zaal en Eit stootte zijn broer aan. “Kiek Pide, doar kump domie al.” En inderdaad: pastoor Kniepkruus schreed plechtig naar voren.  De ceremonie duurde slechts kort. Van lange toespraken waren ze hier niet gediend: gefeest moest er worden! Het jawoord was snel gegeven en allen togen naar de boerderij van de Puustema’s, alwaar rijk opgetaste schragen de deel besloegen. Er werd gedronken, gegeten en gedanst. Een prachtig feest was het; er was zelfs iemand uit de stad bij. Gerard Klaverjas, een verre neef van de Biestebossen, was overgekomen om het feest mee te vieren. Gerard, een tengere stadsjongen, viel nogal uit de toon bij de stevige boerenlieden van ‘t land. Maar na enige glazen jidder viel niemand dat verschil meer op, ook Gerard niet. Thuis was hij gewend om met zijn moeder en haar vriendinnen een glaasje sherry te nuttigen op zondagmiddag en af en toe een onderzettertje te laten vallen, zodat hij bij het oprapen een stiekeme blik tussen de knokige knieën van een der dames kon werpen. Dat waren Gerards enige uitspattingen tot nu toe en het was dan ook niet verwonderlijk dat hij, beneveld door de feeststemming en de rijkelijk vloeiende jidder, zijn oog liet vallen op Fokje, die verre van preuts was. Allemachtig, wat een vlees! Gerards min-zes glazen besloegen er bijkans van. Eerst keek hij af en toe schuchter naar Pide, maar die sloeg hem op de schouder en bulderde: “Titt’n wat? En de kötte zugt d’r ok best uut.” Gerard knikte gelaten, hij verstond niet alles. Op ’t laatst hield hij het niet meer. Hij liep naar Fokje en vroeg haar ten polka. Fokje greep hem bij zijn broze heuppartij en slingerde hem enthousiast de deel rond. Dan weer trok ze hem dicht tegen zich aan zodat Gerard stevig tussen haar gespannen globes werd geperst. Op de opzwepende muziek van De Mestpletters raakte zijn stadse vitaminestengel dusdanig in extase, dat hij tegen Fokje lispelde: “Zullen we even naar de stallen?” Fokje moest even nadenken voor ze het verstond: die stadjers praatten ook zo vreemd… Toen ze hem had begrepen, lachte ze en zei: “Kom moar mit, ik wiet ’n mooi plakje” Ze greep hem bij zijn hand en sleurde hem naar buiten. Onderweg gaf ze Pide een vette knipoog, en die begreep het onmiddellijk: het feest kwam nu pas echt op gang!  In de stal liet Fokje er geen gras over groeien. Ze greep Gerard bij zijn broekband en met een flinke ruk zakte zijn broek op zijn enkels; knopen spatten in het rond en gaven een gezellig tinkelend geluid op de aarden stalvloer. Fokje schortte haar rokken op en stroopte de wollen omlaag. Verschrikt tuurde Gerard naar die nat glinsterende aubergine tussen de lillende lappen vlees van Fokjes dijen. Dat was nog eens wat anders dan de zuurstokknietjes van tante Louise! Overmoedig door de jidder haalde Gerard zijn ketelbinkie te voorschijn en plantte hem met een fikse stoot in Fokjes open haard. Wild begon hij te pompen toen hij een licht gesnuif achter zich hoorde. Met een ruk draaide hij zijn hoofd om en keek recht in de geile grijns van Pide. “Beste kötte, wat?” zei deze en Fokje voelde plot‚seling iets verschrompelen van binnen. Gerards min-zes viel op de grond en hij stamelde: “Maar Pide, het was.. ik dacht..” Pide vatte hem bij de schou‚dertjes en plantte hem weer stevig tegen Fokje aan. “Deurgoan” zei hij, “wief is heitsig.” En met een flinke klets van zijn eeltige handen dreef hij weer beweging in Gerard, die ondanks zijn angst toch weer vlot paraat stond. Genietend in de ruime ontvangsthal van zijn achternicht, bemerkte Gerard niet dat Pide zijn broek liet zakken. Pide spoog een groene op zijn handpalm en wreef deze stevig tussen Gerards bilnaad. En Gerard, die een koortsthermometer al slecht verdroeg, werd nu rectaal gepenetreerd door wat als een flink formaat berkestam aanvoelde. Gillend ontving hij Pide’s cervelaat en verloor krampend en kwijlend zijn maagdelijkheid, daarbij aangemoedigd door Fokje, die al haar sappen nu de vrije loop liet. Later zou Gerard aan zijn familie verklaren dat hij een ongelukje bij het fietsen had gehad, wat verklaarde dat hij wat stram liep en de eerste zes weken moeilijk kon zitten…  Het werd een echt ouderwetse bruiloft daar in Westschieteradeel en Fokje en Pide wisten zich verzekerd van een gezegend huwelijk.         

Zondag 13 juni 1993