Kanker. Het woord was gevallen. Albert en Berna keken elkaar aan. Dokter Kruis had zojuist omzichtig de uitslag van een serie vermoeiende, vernederende en soms pijnlijke onderzoeken aan hen meegedeeld.
“Zoals het zich laat aanzien is er geen mogelijkheid tot verwijdering van de tumoren en uitzaaiïngen,” had Kruis gezegd, “maar we kunnen met de juiste therapie waarschijnlijk wel een vertraging in de voortgang bewerkstelligen.”
Een paar weken geleden was Berna ’s nachts wakker geworden met een scherpe pijn in haar onderbuik. De pijn zakte na een paar uren weg, maar de volgende dag had ze bloed in haar ontlasting gezien. Hopend dat het vanzelf overging had ze – ondanks aandringen van Albert – geen afspraak bij de huisarts gemaakt. Toen de pijn haar echter een paar dagen later opnieuw en heviger overviel, maakte ze zich voldoende zorgen om toch een afspraak te maken. De huisarts had niet lang hoeven nadenken en haar na een kort onderzoek doorverwezen naar het ziekenhuis. De snelheid en acuratesse waarmee de daarop volgende onderzoeken plaatsvonden waren voor Albert en Berna reden geweest om zich nog meer zorgen te maken. Terecht, naar nu bleek.
“Waaruit bestaat die therapie precies?” vroeg Albert.
“We gaan beginnen met een chemokuur en daarna bestralen,” zei Kruis, “en tussendoor bekijken we natuurlijk of we dit moeten aanpassen. Een operatie is onmogelijk in dit stadium. We stellen een schema op en overmorgen kunt u met de afdeling bellen om de data en tijden te horen.”
“Wat kan ik zelf doen?” vroeg Berna.
“Veel rusten,” zei Kruis, “en licht voedsel gebruiken. Het is nu zaak de darmen zo weinig mogelijk te belasten. De therapie doet de rest.”
“Hoe is de levensverwachting gemiddeld voor mijn toestand?”
Kruis keek haar vriendelijk aan. Deze vraag zou aan de orde komen zo lang er kanker bestond. “Als de therapie aanslaat, kunt u nog een tijdje mee,” zei hij, “al kunnen we nooit garanties geven. Als het niet aanslaat hebt u helaas minder tijd.”
“En wat betekenen in dit geval ‘een tijdje’ en ‘minder tijd’?”
Kruis begreep dat Berna niet gesust wenste te worden maar dat ze wilde weten waar ze aan toe was. Ze wilde eerlijkheid van hem; geen tact.
“Als de therapie pakt: een jaar, twee, misschien drie jaren. Als er niets aanslaat, zo’n vijf tot acht maanden.” Hij pakte zijn pen op en draaide deze tussen zijn vingers rond. “Het gaat niet alleen om de tijdsduur maar ook om de kwaliteit van leven,” zei hij. “We zullen in elk geval zorgen dat de pijn goed bestreden wordt.”

“hoe voel je je?” Albert keek zijn vrouw aan. Ze waren naar een nabijgelegen park gegaan en zaten op een bank aan de rand van een vijver. Berna keek naar de eenden en zei een poosje niets. Toen keek ze hem met een glimlachje aan.
“Wel goed, als je de omstandigheden in ogenschouw neemt.”
“Ben je bang?” Vroeg hij.
“Nee, totaal niet. Jij?”
“Iets meer dan jij, vrees ik.”
Ze zwegen en keken over het water uit.
“Ik wil je iets vragen,” zei Berna, “en ik weet dat ik van jou altijd een eerlijk antwoord krijg.”
Albert knikte. “Vraag maar lieverd.”
“Weet je nog wat we vroeger altijd zeiden? Dat als een van ons zou sterven, de ander ook wilde?”
Albert had daar sinds de diagnose bijna voortdurend aan gedacht. “Ja, dat weet ik nog heel goed,” zei hij.
“Ik wil die afspraak verbreken,” zei Berna, “het voelt heel erg fout.”
“Fout?”
“Ja, fout. Het zou geen keuze zijn, maar een verplichting. Ik weet hoe jij met afspraken en beloften omgaat.
Albert knikte. “Ik begrijp wat je bedoelt,” zei hij, “omdat ik ooit die afspraak maakte, zou ik me nu verplicht voelen om samen met jou te sterven, en dat is niet goed. Dat bedoel je toch?”
Berna glimlachte opgelucht. “Ja, dat bedoel ik.”
“Oké, ik zal me niet aan die oude afspraak houden,” zei Albert.
“Daar ben ik echt blij om,” antwoordde ze. “Je bent tweeënzeventig en kunt nog makkelijk twintig jaar mee. Maak daar iets van.”
“Ik zal me daar niet aan houden,” zei Albert, “maar ik maak een nieuwe afspraak met je.”
“Hoe bedoel je?”
“Toen waren we jong, sterk, gezond. Ik had geen idee wat ik beloofde. Nu heb ik dat wel. Luister.”
Hij deed zijn belofte opnieuw.

* * *

Albert drukte op het rode opnameknopje en ging naast Berna op de bank zitten. De videocamera hadden ze speciaal voor dit doel gekocht en het splinternieuwe ding stond op een statief tegenover hen. Ze hadden een paar keer ‘droog’ geoefend, maar het voelde voor allebei onwennig. Eerder hadden ze overwogen om het met een webcam op te nemen: Albert was redelijk handig met de computer. Maar ze vonden dat op een of andere manier een wat goedkope oplossing.
“Staat hij aan?” vroeg Berna.
“Ja, het rode lampje brandt; daaraan kun je zien dat hij opneemt.”
“Oh, dus dit wordt nu ook opgenomen?”
“Eh… ja. Wacht: er zit een afstandsbediening bij, dat is beter denk ik.”
Albert stond op, zette de camera uit en pakte het instructieboekje. Berna bleef op de bank zitten wachten. Na een paar minuten ging Albert, gewapend met de afstandsbediening, weer naast haar zitten.
“We kunnen dit desnoods honderd keer overdoen hoor,” zei hij tegen zijn vrouw, “het is digitaal en het kan niet opraken. Dus als het fout gaat, is er niets aan de hand.”
Pauline glimlachte. “Wie had dat gedacht,” zei ze, “een carrière als acteurs op onze oude dag.”
Albert drukte de opnameknop op de afstandsbediening in en het rode lampje op de camera ging branden. Hij schraapte zijn keel, keek in de lens en zei:
“Dag lieve Carlos, Tanya en Pitta.” Hij zweeg en keek naar Berna.
“Dag lieverds,” zei ze. Ze giechelde een beetje. “We spreken jullie toe van gene zijde.” Nu schoot ze in de lach. “Dit kan echt niet,” zei ze.
“Waarom niet?” Zei Albert, “ik denk dat ze dit fijner vinden dan wanneer we huilend ons verhaal doen.”
“Ja, dat is ook wel zo. Alleen wil ik niet dat ze denken dat we gedronken hebben of zo.”
Al die tijd bleef de camera lopen. Albert en Berna waren niet aan videotechnologie gewend en begonnen gewoon weer opnieuw met hun verhaal, zonder de camera tussentijds uit te zetten. Het maakte hun verhaal authentieker en geloofwaardiger dan welk modern technisch hoogstandje ook maar zou kunnen.

Na nog een half uur waren ze klaar. Albert schakelde de camera uit, haalde de cassette eruit en deed die in een enveloppe. Hij legde deze op de eettafel bij een stapeltje andere enveloppen. Daar zaten alle belangrijke zaken in, zoals verzekeringspolissen, documenten van het notariskantoor, sleutels en nog meer dingen die belangrijk konden zijn. Ook zaten er persoonlijke, handgeschreven brieven van hen beiden in voor hun zoon, schoondochter en kleindochter. Albert was de afgelopen dagen druk bezig geweest met het schrijven van brieven, het opzeggen van abonnementen en de telefoonaansluiting en allerlei andere dingen die mensen doen als ze gaan emigreren.
Berna, die altijd hun geldzaken regelde, had contact gehad met een adviseur van de bank en met de notaris. Ze hadden flink wat spaargeld en wilden niet dat het leeuwendeel werd verslonden door successierechten. Tussen al dat administratieve werk hadden ze veel en langdurig met elkaar gepraat. Er was veel improvisatie nodig geweest om hun huisarts er van te overtuigen dat ze bedenktijd wilden.
“Hoe eerder u behandeld wordt, des te beter zijn uw kansen,” had ze gezegd. Albert en Berna zaten aan de andere kant van haar bureau. Ze had dit soort gesprekken wel vaker gevoerd in haar praktijk en wist dat het soms beter was gewoon bot en eerlijk te zijn: veel mensen dachten het kwade tij te kunnen keren door nog even te wachten. Toch was het bij deze twee oudere mensen anders dan voorheen: ze keken haar recht in de ogen, ontweken geen vragen en er straalde een vredige rust van beiden uit. Het was bijna griezelig. Ze merkte dat ze voor het eerst in jaren verward raakte door een patiënt. Dat was vreemd. Ze sprak met Albert en Berna af dat die haar binnen een week zouden bellen. Waarschijnlijk doordat ze gewend was aan patiënten die gehoorzaamden in de veronderstelling dat de dokter het wel zou weten, ontging het haar dat Berna en Albert de afspraak niet bevestigden, maar haar een hand gaven en haar bedankten voor haar goede zorgen.
“Dag dokter, een plezierige dag verder,” had Albert gezegd. Nog een poosje bleef het knagen bij dokter Brakman. Toen slokte het drukke werk in de praktijk haar op en vergat ze het verder.

Het moeilijkste was hun bezoek aan hun zoon en zijn gezin geweest. Terwijl de twee oudjes wisten wat er gaande was, hadden hun zoon, schoondochter en kleindochter geen flauw benul. Hun zoon Carlos had hen af en toe beurtelings aangekeken en een keer gezegd dat hij vond dat ze zich anders gedroegen.
“Net twee verliefde pubers,” had hij gekscherend gezegd.
“Ach,” had Berna geantwoord, “we zijn gewoon een beetje kinds aan het worden; dat gebeurt op onze leeftijd wel vaker. En we zijn inderdaad nog steeds verliefd op elkaar.” Ze hadden er samen om gelachen, maar Albert zag dat zijn zoon er het zijne van dacht. Die had altijd al een scherp observatievermogen. Nou ja: binnenkort wist hij alles.
Toch hadden ze er beiden wel wat gewetenswroeging van.
“Ik voel me wel een beetje een bedrieger,” had Berna gezegd toen ze weer thuis waren.
“Dat zijn we ook,” zei Albert, “maar het is met de meest liefdevolle intentie.”
Daar hadden ze het bij gelaten.
Nu keek hij op van de eettafel en zag dat zijn vrouw naar hem zat te kijken. Ze had een mooie glimlach.
“Wat lach je?” vroeg hij.
“Ik vind je zo lief en knap,” zei ze. “En dat heb ik altijd gevonden.”
Hij stond op, liep naar de bank toe en ging naast haar zitten.
“Ik jou ook,” zei hij zacht. “Een leven zonder jou is ondenkbaar. Ik ben zo ontzettend blij dat we dit doen.”
“Geen twijfels?” vroeg ze.
“Geen enkele,” zei hij.
“Is alles nu geregeld?”
“Ja.”
“Morgen dan?”
“Morgen.”
Het was dinsdag, 12 april 2005.
Ze namen nog een keer de checklist door, die Albert had gemaakt, en controleerden of ze aan alles hadden gedacht. Ze kwamen opnieuw tot de conclusie dat alles geregeld was. En als er iets over het hoofd was gezien, zou het niet zo erg zijn. Het belangrijkste was dat ze hun zoon niet met allerlei toestanden wilden opzadelen.
In de brief aan zijn zoon had Albert geschreven dat de overlijdenspolissen waarschijnlijk niet zouden worden uitgekeerd. Maar er was genoeg geld; het bankpasje zat in dezelfde enveloppe als de brieven en Albert had de pincode verwerkt in “het telefoonnummer van tante Ans, uit Den Haag. Misschien wil je haar ook even op de hoogte stellen; je weet dat ze alles wil weten. Dat had ze al toen ze bij de bank werkte, weet je nog? Het is 050 – 9448721.”
Er bestond geen tante Ans en ook had niemand uit de familie bij een bank gewerkt. Ook begonnen particuliere telefoonnummers met het netnummer van Groningen niet met een 9. Albert ging er vanuit dat Carlos het binnen korte tijd doorhad: die hield altijd al van coderingen, detectives en raadsels. Toen hij nog thuis woonde hadden Albert en hij er altijd lol in gehad om boodschappenlijstjes te coderen en bepaalde woorden te veranderen, waarmee ze dan Berna voor de gek hielden. Wat ze geen van beiden ooit geweten hadden was dat Berna al die tijd precies wist wat er gaande was. Berna hield van puzzelen, vooral van cryptogrammen, en vond het leuk om te zien hoe ‘haar kerels’ druk waren met codes die ze al aan voelde komen voordat Albert en Carlos ze hadden bedacht. Dat had een lastig moment voor Albert opgeleverd toen ze zijn brief aan Carlos las en zei: “Wat slim van je om de pincode in het telefoonnummer te verwerken!”
Carlos had haar bevreemd aangekeken. Hij had verwacht dat ze op zijn minst zou vragen wie hij met ‘tante Ans’ bedoelde. Ze had hem een knipoog gegeven.
“Of dacht je dat ik al die tijd gek was?” lachte ze. Albert had het fatsoen om zich te schamen. Daarna hadden ze er samen om gelachen.

Ze lagen in het bed dat al zo lang hun vertrouwde nestje was geweest. In dit bed hadden ze gepraat, gevrijd, gelachen, gehuild, uitgerust en gedroomd. Altijd samen, nooit alleen.
“Weet je zeker dat het geen rommel geeft? Ik bedoel: ik zou het zo erg vinden als Carlos en Tanya…”
“Helemaal zeker kunnen we niet zijn,” zei Albert, “maar we hebben alles zo goed mogelijk uitgezocht. Meer kunnen we niet doen. We hebben genoeg pillen, en ook primperan tegen misselijkheid. Het kan niet anders dan dat we er goed bij liggen.”
Dat was belangrijk voor hen: er goed bij liggen. Natuurlijk zou eerst de huisarts een brief ontvangen. In de brief stond – naast hun uitleg – ook waar ze een huissleutel hadden gelegd zodat de arts naar binnen kon. Maar die zou, nadat ze haar werk had gedaan, onmiddellijk Carlos en zijn vrouw bellen. Berna en Albert wilden niet dat er ook maar iets zou duiden op ongemak of last. Daar hadden ze veel zorg aan besteed. Albert, met zijn voorliefde voor codes en combinaties, had lang gezocht naar de juiste mix van medicijnen en tot zijn stomme verbazing was het veel simpeler dan hij gedacht had. Hij vroeg zich af of er niet veel meer mensen heel gemakkelijk deze oplossing zouden kunnen vinden. Albert ging daarmee voorbij aan zijn enorme vermogen om verbanden te zien waar anderen die ontgingen: voor hem was het zo normaal.
“Wat had jij nog willen meemaken, als je doorging?” vroeg hij zijn vrouw.
Berna nestelde zich in zijn armen en dacht erover na.
“Niets, geloof ik. Alles is gezegd en beleefd; ik heb zo’n fantastisch leven met je gehad. We hebben een prachtige zoon en hij heeft een heerlijk gezin.” Ze keek hem doordringend aan. “Voor mij is het echt helemaal goed zo lieverd, ik ben zo dankbaar voor alles.” Ze verschoof een beetje. “En jij?”
“Niets,” zei Albert. “Ik ben tevreden, helemaal klaar en diep gelukkig met jou. Er voelt niets verkeerd aan dit alles.”
Ze streelde zijn gezicht en lachte naar hem.

* * *

Twee dagen later stond dokter Agnes Brakman in de deuropening van een nette slaapkamer. Ze keek naar het bed en voelde zich vreemd. Naast elkaar lag het echtpaar dat een paar dagen geleden bij haar in de praktijk was geweest. Ze hadden zo’n lieve, vredige indruk gemaakt, net als nu. Ze herinnerde zich ook dat ze toen zo’n vreemd gevoel had gehad bij het afscheid. De vrouw had darmkanker in een gevorderd stadium en de behandeling die de specialisten voorstelden was niet meer dan een zoethouder, wist Agnes. Het gaf de patiënt het gevoel nog enige invloed op het leven en de ziekte te kunnen uitoefenen. Agnes wist wel beter: ze had te veel oncologen en anderen uit het medische circuit die met kanker te maken hadden, horen zeggen dat zij zelf er niet over peinsden om met radiologie of chemotherapie behandeld te worden. Ze vond het nog steeds een wrede instelling dat diezelfde medici onvermoeibaar doorgingen met het voorschrijven van de behandelingen die ze zelf zouden afwijzen. Aan de andere kant voelde ze zich ook schuldig omdat ze er hard aan meedeed.
Ze keek naar de gezichten van de twee oudjes op het bed: die hadden het anders aangepakt. Ze voelde bewondering voor hen.
De mond van de vrouw stond een klein beetje open. Haar man lag zo mooi naast haar. Ze hadden zich netjes aangekleed en een stapel enveloppen lag naast hen op een nachtkastje. Ze lagen hand in hand.
In de brief die ze twee uur geleden had ontvangen stond:

Geachte mevrouw / dokter Brakman,

We hebben niet de waarheid aan u verteld toen we zeiden dat we zouden terugbellen. Ons antwoord op uw advies staat in deze brief. De behandeling tegen mijn darmkanker, zoals u die voorstelt, is voor ons geen optie. We zijn volledig overtuigd van uw goede bedoelingen daarmee en willen u op het hart drukken dat we uw zorg enorm op prijs hebben gesteld. Onze beslissing hebben we geheel voor onze eigen verantwoordelijkheid genomen, en bij ons volle verstand.
We hebben een heel mooi leven gehad dokter, en veel liefde en plezier gekend. Moeilijkheden zijn er natuurlijk ook geweest en die zijn we nooit uit de weg gegaan. Deze laatste moeilijkheid echter, is er eentje die we niet meer gaan bevechten. We zijn klaar met ons leven en we hebben daar vrede mee.
Ondanks dat we het vervelend vinden u met deze taak te belasten, is het voor ons toch de juiste keuze omdat u daar op een professionele wijze mee kunt omgaan.
Onder een blauwe bloempot op de picknicktafel naast onze voordeur ligt de voordeursleutel. Als u het huis binnengaat, kunt u aan het einde van de gang aan de rechterkant onze slaapkamer vinden. Daar liggen wij in bed. Wilt u alstublieft zo vriendelijk zijn om te controleren of we er netjes bij liggen? Anders is het zo’n vervelende kwestie voor onze zoon en schoondochter.
Onderaan deze brief staan telefoonnummers van onze zoon Carlos en zijn vrouw Tanya. Als u ze wilt bellen, kunnen ze ook naar ons toe komen. Ook heeft mijn man de medicijnen vermeld en de dosering daarvan, mocht u dat nodig hebben voor uw rapportage.

Dokter Brakman, dank u wel voor uw goede zorgen. We hebben u altijd een fijne huisarts gevonden, al sinds u acht jaar geleden dokter Vrijst hebt vervangen. We hopen dat we u niet in moeilijkheden hebben gebracht: moreel of beroepsmatig.

Met innige dank en hartelijke groet,

Albert Versteegh en Berna Versteegh-Bakema.


Brakman keek naar de telefoonnummers en de opsomming van medicijnen die Albert in zijn schuine handschrift onderaan de brief had geschreven, en vroeg zich af hoe de man in vredesnaam achter die combinatie was gekomen: het was een goed bewaard geheim en zelfs sommige medici kenden deze dodelijke cocktail niet.
Toen deed ze was ze moest doen en wachtte tot de zoon en zijn vrouw arriveerden. Agnes Brakman was bijna veertig op dat moment.
’s Avonds vroeg ze aan haar man: “Hoe zou jij het vinden als jij doodging en ik dan niet meer wilde leven?” Haar man keek haar verbaasd aan, maar wachtte even met antwoord geven. Na een tijdje zei hij: “Ik denk dat ik het wel begrijp; en ik denk er net zo over. Heeft dat met je verhaal over die twee oudjes van vanmiddag te maken?”
Ze knikte.
Hij glimlachte naar haar. Niemand kon zo glimlachen als hij. Ze bedacht dat ze nu het gelukkigste stel op de wereld waren, na vanmiddag. Ze bedacht tevens dat het een mooi moment was voor een afspraak die ze met elkaar konden maken…