Uit de krant van maandag 10 september 1990:

meisje overleeft brute mishandeling en verkrachting

Een 15-jarig meisje uit Revelen heeft ternauwernood een verschrikkelijke verkrachting overleefd. Ze werd door een medewerker van Staatsbosbeheer gevonden bij het Baanse bos. Ze was zwaar gewond en buiten bewustzijn. Het meisje is naar het ziekenhuis gebracht, waar na onderzoek bleek dat ze zwaar is mishandeld en verkracht. Volgens de artsen is haar toestand zorgwekkend, maar verkeert ze buiten levensgevaar. Van de dader ontbreekt elk spoor.


Carola’s kamer was sober maar leuk ingericht, met kleurige kaarten op de kast en een paar persoonlijke spullen. Alleen de steriele, witte muren en de tralies van sierlijk smeedwerk voor de ramen verrieden dat het geen huiskamer was. Ze zat aan de tafel op een rechte stoel. Op de tafel lag een schetsboek met een paar grafietpotloden in verschillende hardheden. De tekening waaraan ze werkte blonk uit in zwartheid: grote vlakken en dikke lijnen, hoekig. Niemand, behalve zijzelf misschien, wist wat het voorstelde. En zij zou het niet vertellen. Zoals ze al acht jaar niet sprak. Wie kon weten wat er in haar hoofd omging? Ze was zelfs een raadsel voor de psychiater. Elke week sprak hij met haar – althans: hij sprak en zij keek hem rustig aan – en nooit was er een woord over haar lippen gekomen. In feite had iedereen die haar kende intussen de hoop laten varen, dat ze ooit nog zou spreken. Ze stond elke ochtend exact om zeven uur op, douchte langdurig, ruimde haar kamer op en ging dan uit het raam zitten kijken of tekenen. Soms ging ze naar buiten, het mooie park in dat om de villa heen lag, en liep tot aan de poort waar ze door de spijlen naar de openbare weg keek. De beveiligers kenden haar, groetten haar vriendelijk en probeerden allang geen gesprek meer met haar te voeren. In het begin, toen ze hier pas verbleef, kwam er nog wel eens een begeleider om haar terug te brengen naar de openbare ruimte of haar kamer, maar toen bleek dat ze geen pogingen deed om te ontsnappen, lieten ze haar begaan. Ze was een voorbeeldig patiënt, die zichzelf goed verzorgde en niemand tot last was. Alleen praten deed ze niet en een paar keer per week had ze vreselijke aanvallen van paniek. Dan rende ze de openbare ruimte in, klampte zich vast aan een tafel of een deur en krijste zo hard dat alle andere patiënten wegvluchtten, op eentje na; een oudere vrouw die haar zacht mompelend aanmoedigde met kreten als: “Goed zo, gooi het er maar uit,” en: “Laat je maar horen meid!” De laatste tijd nam de frequentie van die aanvallen af en de psychiater had goede hoop dat Carola binnenkort gewoon thuis kon wonen, bij haar moeder. Met haar drieëntwintig jaar had ze nog een leven voor zich.

* * *

Uit de krant van dinsdag 14 april 1998:


Lijk ligt drie weken in bos

Van onze verslaggever. In een afgelegen gedeelte van het Baanse bos hebben wandelaars het stoffelijk overschot van een man aangetroffen. De identiteit van de man is bij de politie bekend. Hij lag vlakbij zijn auto en heeft waarschijnlijk drie weken daar gelegen voordat zijn lichaam werd ontdekt. Eerder was al uitgebreid naar hem gezocht nadat zijn vrouw hem als vermist had opgegeven. De politie sluit een misdrijf niet uit, maar wil nog geen nadere details verstrekken.


Eenentwintig. Maar dat gaf je haar niet. Zonder make-up, met het haar in een staart, haar borsten gecamoufleerd door een slobbertrui, en de bril die haar zus acht jaar geleden droeg – maar nu voorzien van vensterglas, leek ze nauwelijks vijftien.Ze fietste wat sneller. De man die achter haar reed in zijn zwarte BMW kon nog niet in de gaten hebben dat ze hem had gezien, maar dat zou niet lang meer duren.
Ze reed door en wachtte tot hij zo dicht achter haar reed dat hij haar goed kon zien. Ze keek over haar schouder met een blik van wantrouwen en het begin van angst: het signaal. De jacht was begonnen. Ze versnelde nu merkbaar en reed naar het einde van het pad waar nooit iemand kwam. Daar sloeg ze af en fietste over de mosgrond het bos in. Wat ze hoopte gebeurde: de automobilist keerde, reed snel om de rand van het bos heen naar een plek waarvan hij hoopte dat ze daar het bos uit zou komen. In een kalm tempo fietste ze precies die kant op. Hij was uitgestapt en keek snel om zich heen, om zich ervan te vergewissen dat er verder niemand in de buurt was. Toen loerde hij naar haar. Hij was gedrongen en droeg een donker kostuum met een lichtblauw overhemd en een stropdas. Ze kende hem niet: hij kwam niet uit deze buurt.
Ze fietste door tot de afstand tussen hen zo’n acht meter was. Hij had de motor van de BMW afgezet en begon op haar toe te lopen. Ze wachtte tot hij op drie meter afstand was, keek angstig om zich heen en deed alsof ze verstijfde. Zijn mond hing een stukje open en ze zag de glinstering van zonlicht op een speekseldraadje in zijn mondhoek; viezerik.
Schuin achter hem bewoog iets. Ralph. De man had niets door en zij zorgde dat ze haar blik niet over zijn schouder liet dwalen, want dan zou hij omkijken. Niet dat het Ralph iets zou uitmaken, integendeel. Maar zij nam liever geen onnodig risico.
“Zo meisje, weet je niet dat het gevaarlijk is om hier zo alleen te fietsen?” Hij hijgde nu een beetje.
“Alleen als je je slachtoffer niet kent,” zei ze. Iedere schijn van angst was nu uit haar ogen verdwenen en ze keek hem koeltjes recht in zijn ogen. Hij raakte in de war.
“Wat…”
De hand van Ralph vleide zich in zijn nek en kneep in de zenuw die achter het sleutelbeen over de schouder loopt. Aandachtig keek het meisje naar de man, wiens adem van schrik stokte. Hij draaide zich langzaam om – Ralph stond dat toe, zoals altijd: Ralph wilde dat zijn slachtoffers hem zagen – en keek in de vriendelijke grijns van haar broer. Ralphs greep verstrakte zich en de knieën van de man knikten.
“Laat hem nog even heel Ralph,” zei ze rustig. Ralph knikte. De blik van de man schoot van het meisje naar haar broer en terug.
“Wat… waarom… ik wilde…”
“Ja,” zei Ralph, “je wilde. En dat is nu net het probleem. Je hebt de verkeerde uitgezocht deze keer.”
Hij zette meer kracht en de man viel op zijn knieën. Het meisje wist waar haar broer op hoopte: dat de man zich eindelijk zou gaan verzetten. De man was erg bang maar deed toch een poging. Hij had Ralph geen groter plezier kunnen doen. Terwijl de man zijn hand op die van Ralph wilde leggen, zette Ralph zijn andere hand op de andere schouder van de man en kneep. De man kreunde van pijn. Ralph lachte.
“Je hebt er geen flauw idee van wat je nog gaat krijgen,” zei hij, “als je dit al vervelend vindt.”
Het meisje zag hoe de broek van de man rond zijn kruis donker werd en een steeds groter wordende natte plek ontstond. Het wond haar op: niet seksueel maar met een diep gevoel van voldoening. Ralph sloot even zijn ogen: ook hij genoot hiervan.
“Ze moeten in hun broek pissen van angst,” zei hij altijd, “tot de laatste druppel. En dan is het goed geweest.”
Het was nu goed geweest. Hij voltooide het karwei bijna achteloos. Toen het klaar was, keek hij zijn zus aan. Hij knikte en zij glimlachte. Hij wachtte tot ze was weggefietst en verliet toen zelf de plek in het bos. Naar de auto keek geen van beiden om. Sita was de naam van het meisje. Het was 23 maart 1998.

* * *


Sita en Ralph zaten op een terras in de binnenstad. Het was een zonnige lentemorgen en zo op het eerste gezicht zagen broer en zus er ontspannen uit. Ralph had een cola en Sita een cappuccino. Op het plein voor het terras passeerden de mensen en het was duidelijk te zien dat het een van de eerste zonnige dagen in dit jaar was: sommigen waren te dik gekleed, anderen waren te enthousiast geweest die ochtend bij het uitzoeken van hun kleding en liepen stevig door om warm te blijven. Ralph zwaaide naar iemand in de verte.
“Ik denk dat hij het door heeft,” zei hij, “en zich wijselijk niet laat zien in het bos. Hij leest natuurlijk ook kranten en snapt vast wel dat die kerels die daar zijn gevonden er niet zomaar lagen.”
Sita tuurde naar de mensen op het plein en roerde afwezig in haar cappuccino.
“Ik voel dat hij eraan komt,” zei ze zacht. Ralph zweeg. Zijn zusje had een griezelig goede intuïtie en als ze iets aanvoelde, klopte het altijd.
“Binnenkort?” Vroeg hij.
“Snel,” antwoordde ze. Ze keek haar broer doordringend aan. “Die anderen zijn niet voor niets geweest toch?”
“Absoluut niet,” zei hij, “ze kregen wat ze veroorzaakten. Heb je spijt?”
“Nee, zolang het zin heeft, is het goed.”
“Het heeft zin.”
“Goed.”
Ralph boog zich naar haar toe. “Ik ben er eentje op het spoor, en dat zou hem wel eens kunnen zijn.”
“Waarom denk je dat?”
“Ik weet het niet. Ik heb niet zo’n goede intuïtie als jij, maar ik voel iets heel duisters bij hem en ik heb nog nooit zo’n zin gehad om iemand te grazen te nemen.”
“Bij het bos?”
“Ja. Misschien komt het ook doordat hij zo enorm op zijn hoede is: als hij het inderdaad is heeft hij geluk gehad acht jaar geleden. Dat beseft hij wellicht.”
“Ik wil hem zien,” zei Sita, “ik ga met je mee om hem te zien. Als hij het is, zal ik het voelen.”
“Oké, vanmiddag ga ik weer posten, dan kun je mee; ik hoop dat hij komt. Nu eerst naar Carola.”

* * *


Groot Bosch en Heide stond op een heuvel, met aan de achterkant heideveld en aan de voor- en zijkanten een park met vijvers. Het geheel werd omzoomd door een onopvallend aangebracht hekwerk, waarachter het bos begon. De toegang bestond uit twee grote hekdelen, geflankeerd door een wachthuisje. Ralph en Sita meldden zich bij de beveiliger, die even met het hoofdgebouw telefoneerde en hen doorliet. Ralph parkeerde de Toyota op een bezoekersplaats en ze gingen naar binnen. Nadat ze zich bij de receptie hadden ingeschreven en een bezoekerspasje hadden gekregen, zoemde de deur en liepen ze de sluis in. De deur achter hen klikte dicht, de volgende zoemde en ze stonden in de gang. Het was een lange gang met vier zijgangen en twee glazen kamers waarin personeel bezig was. Ze namen de tweede zijgang rechts en Sita klopte aan bij de eerst deur aan hun linkerkant. Geen antwoord, maar dat hadden ze ook niet verwacht. Na een paar seconden gingen ze naar binnen.
Carola zat, zoals bijna altijd, aan haar tafel, met haar schetsboek voor zich. De tekening leek op de honderden die ze daarvoor al had gemaakt. Ze keek even op, en een blik van herkenning verried dat ze wist wie Sita en Ralph waren. Ralph kuste haar op het voorhoofd en Sita knuffelde haar. Het waren de enige twee mensen die Carola konden aanraken zonder dat ze een paniekaanval kreeg. Nieuw personeel werd altijd uitgebreid ingelicht dat ze Carola onder geen beding mochten aanraken, tenzij er een levensbedreigende situatie was. Een eigenwijze verpleegkundige had die raad ooit in de wind geslagen en het moeten bekopen met donkerblauwe striemen op haar keel. Carola had haar keel vastgegrepen en met alle kracht toegeknepen tot de collega’s – die het vanuit het glazen hok zagen gebeuren – haar handen los konden wrikken, wat nog meer paniek gaf en er toe leidde dat Carola werd platgespoten. De verpleegkundige was toen al bewusteloos en kwam nadat ze hersteld was niet meer terug.
“Hi lieverd,” zei Sita, “ik heb gevulde koeken meegebracht.” Ze legde het pakje op de tafel. Carola keek er naar en glimlachte naar Sita. Ze was erg mooi maar als ze glimlachte straalde ze helemaal. Toen keek ze weer naar haar tekening. Ralph vroeg: “Mag ik kijken?” Carola schoof het schetsboek naar hem toe en hij pakte het op. Bij het raam bladerde hij door de tekeningen: zwarte vlakken, kubussen, lijnen… het meeste erg hoekig. De lijnen waren nauwkeurig in rechtheid en de vlakken zorgvuldig gearceerd. Heel donker allemaal. Ralph legde het schetsboek terug op de tafel en zei zacht: “Binnenkort komen we je ophalen, als het van je arts mag, voor een weekendbezoek aan huis. Misschien hebben we dan een verrassing voor je.” Hij keek even om zich heen in de kleine ruimte. In het begin waren ze bang dat er misschien microfoons of verborgen camera’s in de kamer waren, maar ze hadden als snel door dat het een paranoïde gedachte was. Toch spraken ze altijd op zachte toon tegen Carola. Hij keek naar zijn beide zusjes en vervolgde: “Kun je je het Baanse bos nog herinneren?” Het was een gevaarlijke vraag en hij wist het. Toch moest hij hem stellen. Carola keek hem aan zonder glimlach en gaf geen enkel teken van herkenning. Haar ademhaling versnelde iets.
“Ik ben daar vaak gaan kijken en ik denk dat ik iemand op het spoor ben. Die iemand gaat boeten voor zijn daad. Snap je wat ik bedoel lieverd?”
Carola bleef hem strak aankijken en hij zag dat haar ogen vochtig werden. Ze pakte zijn onderarm en trok hem naar zich toe.
“Ik wil hem zien,” zei ze.
Sita sprong overeind en Ralph deinsde achteruit, terwijl Carola hem met onverwachte kracht vasthield. Hun zus had voor het eerst in acht jaar gepraat. Beiden probeerden ze koortsachtig te bedenken wat ze nu konden zeggen. Sita kwam niet verder dan: “Lieverd, je praat!” Ralph zei niets.
Carola liet haar broer los, pakte haar schetsboek en begon te tekenen.
“Wat fantastisch,” zei Ralph zachtjes, “Kon je al die tijd praten?” Carola zei niets.
“Car, als je niets wilt zeggen, is het oké,” zei Sita, “maar ik ben zo blij dat je kunt praten!” Hun zus bleef zwijgen, en keek niet op van haar tekenwerk.
Ralph dacht na over wat ze gezegd had: “Ik wil hem zien.” Ze bedoelde haar verkrachter, dat was duidelijk, en Sita en Ralph beseften dat hun zus al die tijd prima geweten had wat er plaatsvond. Misschien kon ze ook al die tijd wel praten maar wilde of durfde ze niet. De psychiater had gezegd dat het vaker voorkwam na een schok of trauma en dat Carola waarschijnlijk leed aan een dissociatieve persoonlijkheidsstoornis. Aanvankelijk werd gedacht dat er een hersenbeschadiging was opgetreden, maar uitgebreid medisch onderzoek met onder meer scans had niets aan het licht gebracht. “De schok is zo groot geweest dat de spraakfunctie niet zozeer is verstoord maar ook niet wordt gebruikt,” had de psychiater destijds aan hen uitgelegd. Met andere woorden: de psychiater wist het ook niet goed en was daar gelukkig eerlijk in. Hun moeder kon erg slecht met de situatie omgaan en praatte al die jaren nooit meer over Carola. Wel ging ze eens per twee weken naar haar toe. Ralph bracht zijn gezicht tot vlakbij zijn zus. “Wil je nog iets zeggen lieverd?”
Carola keek op van haar tekenwerk. “Later,” zei ze, “ga nu en doe wat je moet doen.”
Hoezeer Sita en Ralph ook verder wilden praten met hun zus, ze beseften dat ze niets moesten forceren en ze vertrokken.


* * *


Het was half drie, dinsdagmiddag. De Toyota hadden ze een heel eind verderop uit het zicht achtergelaten. Ze zaten achter dichtbegroeid struikgewas. Ralph had een rugzak over zijn schouder. Hij wees. “Dat is ‘m,” zei hij, “let goed op want ik wil zeker weten of het de viezerik is die we zoeken.”
“En als het hem is?”
Ralph keek haar aan. “Dan is het nu of nooit, denk ik. Misschien krijgen we deze kans na vandaag niet meer. Durf je het aan?”
Sita grijnsde. “Al durfde ik het niet, dan deed ik het nog. Bovendien vertrouw ik blindelings op jou; je zult op tijd zijn toch?”
“Ik ben geen seconde uit je buurt, al zie je me niet.”
De blauwe Volvo kwam duidelijk in het zicht en reed langzaam tot vlakbij de plek waar Sita en Ralph zaten.
“Ik ga nu,” zei Ralph, “doe je best zusje, ik ben op tijd.”
Hij glipte achter de bosjes langs en was verdwenen. Sita verbaasde zich er nog steeds over hoe stil hij zich kon verplaatsen en hoe enorm sterk en vaardig hij was bij het ‘straffen van de viezeriken’, zoals ze het noemden. Ralph was dodelijk, als hij dat wilde. Op momenten als deze wilde hij dat.
De Volvo stopte en een man stapte uit. Het viel Sita op dat hij zich nogal omzichtig gedroeg. Hij keek voortdurend om zich heen en achterom. Toen kreeg ze de schrik van haar leven: hij draaide zich naar het bosje waarachter ze zich verschool, keek haar recht in de ogen en liep naar haar toe. Sita verstijfde van schrik. Hij had haar gezien! Nog een paar keer keek de man achterom en om zich heen terwijl hij snel op Sita afliep. Even overwoog ze weg te vluchten, maar haar vertrouwen in Ralph deed haar besluiten te blijven zitten. De man stond nu recht voor het bosje, ritste zijn gulp open, haalde zijn geslacht te voorschijn en begon te plassen. Sita moest een zucht van opluchting onderdrukken: hij had haar helemaal niet gezien, maar vond het gewoon een goed bosje om tegenaan te plassen. Ze zat diep weggedoken en zo’n anderhalve meter van de plaats waar de man stond. Ze bewoog niet en bad dat hij haar niet opmerkte. Heel voorzichtig draaide ze haar hoofd iets omhoog om zijn gezicht te bestuderen. Terwijl zijn straal in de bosjes kletterde keek hij schuin de andere kant op, dus ze kon hem ongemerkt bekijken. Toen ze zijn gezicht zag, kreeg ze een misselijk gevoel en haar maag trok samen. Haar intuïtie vertelde haar dat het in elk geval goed mis was met deze kerel, al zag hij er vrij normaal uit: donkere broek, wit overhemd, geen stropdas, donker krullend haar; zijn schoenen kon ze vanuit deze positie niet zien.
Maar het was hem, ze was er gewoon zeker van.
En hoe bang ze ook was, ze wilde dit doen. Met een klein geluidje verried ze bewust haar schuilplaats en de man draaide zijn hoofd met een ruk in haar richting. Ze ging staan. Hij keek haar verbaasd aan, maar herstelde zich snel. Zijn penis hing uit zijn broek; hij was uitgeplast. Hij deed geen moeite om zich te fatsoeneren en bleef gewoon staan kijken. Sita besefte dat ze haar gewone kleding en make-up droeg, en er dus uitzag als de eenentwintigjarige die ze was. Te laat om daar nog aan te denken.
Hij bleef zwijgen terwijl ze elkaar aanstaarden. Dat was vreemd, want alle anderen waren altijd begonnen met praten.
“Sorry meneer,” zei Sita met een klein stemmetje, “ik was aan het wandelen en wilde u niet begluren.”
De man keek nog eens snel om zich heen, borg zijn penis op, ritste zijn gulp dicht en bleef haar toen staan aankijken. Sita wist niet goed wat ze er mee aan moest. Ze deed een stap achteruit. Deze kerel maakte haar doodsbang. Hij was op zijn hoede, maar niet angstig; argwanend, maar niet schrikkerig. Dat was anders dan anders. Ze hoopte dat Ralph snel zou toeslaan, maar dan zou de man toch eerst iets moeten doen.
Ze deed nog een stap naar achteren en de man kwam in beweging. Nog steeds zwijgend stapte hij in haar richting. Sita draaide zich half om en begon te lopen, eerst in een rustig tempo maar steeds een beetje sneller. Hij volgde haar. Ze moest nu zelf ontzettend nodig plassen, merkte ze. En waar bleef Ralph toch verdomme?
Ze besloot dat ze genoeg had gezien, hoopte dat Ralph op tijd zou zijn en begon te rennen. De man was in twee grote stappen bij haar en greep haar bij een arm. Nog nooit was ze vastgepakt door een van de viezeriken. Waar bleef Ralph?
De man trok haar naar zich toe en ze voelde hoe sterk hij was. Ineens verslapte zijn greep en viel hij op zijn knieën.
Ralph. Eindelijk.

Ook Ralph had in de gaten dat deze man anders was dan de anderen, en hij maakte niet de fout zijn tegenstander te onderschatten. Dat was een goede gedachte, want de man probeerde zich razendsnel om te draaien op zijn knieën.
“Niet doen,” zei Ralph, “heel ongezond.” Hij pakte met zijn vrije hand een hand van de man, zette zijn duim in de handpalm en boog de hand naar de pols. De man kreunde van pijn en hield zich verder rustig.
“Goed zo,” zei Ralph, “er is nog veel meer van deze pijn, en veel erger, dus denk goed na voor je iets probeert.”
Hij hield de hand van de man vast in de greep die hij ‘apepootje’ noemde en plukte met zijn andere hand zijn rugzak van zijn schouder, en gooide hem op de grond. “Pak de rol tape er even uit,” zei hij tegen Sita. Die pakte een rol duct-tape uit de tas, terwijl Ralph de andere pols van de man pakte en beide handen bij elkaar hield. De man zweeg nog steeds maar keek woedend over zijn schouder naar Ralph. Toen richtte hij zijn blik op Sita.
“Doe het eerste stuk tape om zijn polsen,” zei Ralph, “dan doe ik de rest verder wel.”
Sita trok een halve meter tape los, plakte het begin op een pols van de man en draaide de rol er een paar keer overheen. Ralph hield met één hand de polsen van de man vast en pakte met zijn andere hand de rol aan van Sita, die direct weer een paar stappen achteruit deed. De man rook een kans en probeerde op te staan. Hij was erg sterk maar Ralph liet zich niet afleiden. Hij trok met zijn ene hand beide polsen hoog op waardoor de schouderbladen van de man in de knel kwamen.
“Zitten,” zei Ralph. De man knielde weer neer.
Ralph wikkelde de tape zo’n acht keer om de polsen van de man en scheurde toen de tape los van de rol. Hij gooide Sita de rol toe, die ‘m  terug deed in de rugzak. Ze hees de rugzak, die vrij zwaar was, op haar schouder. Ralph zetten een hand onder een oksel van de man en trok hem overeind.
“Lopen,” zei Ralph. Ze liepen naar de Volvo van de man, die al die tijd bleef zwijgen.

“Jij rijdt,” zei Ralph tegen Sita, “maar pak eerst even handschoenen uit de rugzak.” Hij had de man achterin de Volvo gezet en was er naast gaan zitten. Sita pakte een paar zwarte  huishoudhandschoenen uit de rugzak, trok ze aan en moest lachen om de absurditeit daarvan. Ze schoof op de bestuurdersplaats. De sleutel zat in het contact en de auto startte probleemloos. Ze keek achterom en vroeg: “Waarheen?”
“Rij maar,” zei Ralph, “ik zeg wel waar je langs moet. Je doet het helemaal fantastisch; ik ben hartstikke trots op je.”
De man maakte een schamper geluid en Ralph gaf hem een klap met zijn vlakke hand in zijn gezicht.
“Uitkijken,” zei hij, “maak niet nog een fout.” De man zweeg en keek stuurs uit het raam.
“Moeten we hem niet blinddoeken?”
“Niet nodig, hij zal het zich nooit meer herinneren.”
Nu gebeurde eindelijk waar Ralph op wachtte: de man keek met een ruk om en staarde hem aan. “Ben jij wel goed bij je hoofd?” vroeg hij. “Mij vastbinden en ontvoeren. Heb je enig idee wie ik ben?” Het was de eerste keer dat ze zijn stem hoorden: hees en vrij hoog.
“Dat is juist de reden waarom we je meenemen,” zei Ralph, “omdat we enig idee hebben wie je bent. En nu je bek verder houden.”
Sita trok op en Ralph dirigeerde haar via een paar binnenwegen naar een secundaire weg. Ze was hier nog nooit geweest.
“Zo meteen links,” zei haar broer, “goed opletten want je rijdt er zo voorbij.” Na een kleine honderd meter was er een onverharde weg aan de linkerkant, waar ze in gingen. Met een  slakkengangetje reed Sita verder. De auto hobbelde en bonkte: dit pad werd niet veel gebruikt en ze reden een onbekend bos in. Na zo’n anderhalve kilometer hield het pad op.
“Zet de motor maar af,” zei Ralph. Ze deed het en stapte uit.
Ze hielp Ralph, die de man uit zijn auto trok. Toen ze alledrie naast de auto stonden, gaf Ralph de man een duwtje en ze begonnen te lopen. Het bos was hier erg dicht begroeid maar Ralph wist precies waar ze zijn moesten. Na tien minuten lopen hield hij stil. Hij liet de man los en zei: “Een verkeerde beweging en je bent bewusteloos.” Hij bukte zich en trok onder het gebladerte aan een stuk touw, dat verborgen had gelegen. Een groot luik kwam omhoog en Sita hield verbaasd haar adem in. Ze zei niets. Er bleek een trap naar beneden te lopen en Ralph duwde de man voor zich uit naar beneden. Hij pakte de rugzak van Sita over, haalde er een zaklantaarn uit en gebaarde dat ze achter de man aan moest lopen. Hij liep als laatste de trap af en sloot het luik achter hen. Even was het aardedonker en toen knipte hij de zaklamp aan. De man was vlak voor hen stil blijven staan.
“Doorlopen,” zei Ralph, “anders kun je de rest rollend afleggen.”
De man liep door en ze kwamen in een betonnen gangetje dat net hoog genoeg was om in te staan. Ralph wurmde zich langs Sita, reikte met zijn hand langs de man en opende een deur. Sita vroeg zich af of hij dit allemaal had gebouwd, zonder dat ze het wist. Ralph raadde haar gedachten.
“Een soort bunker,” zei hij, “uit de oorlog. Of een opslagplaats. In elk geval zo goed als onvindbaar. “Ze stonden in een lage ruimte van beton waar het muf rook. Ralph gaf de zaklamp aan Sita.
“Schijn me even bij,” zei hij. Hij haalde een aansteker uit zijn zak, bukte zich en rommelde wat. Sita kon niet goed zien wat hij deed. Hij gebruikte de aansteker en stak een olielamp aan, die op de grond stond. De ruimte werd nu verlicht en Sita kon de omtrekken zien. Ook de man keek om zich heen. In een hoek lagen een paar oude dekens, nog een olielamp en er stond een houten kist. In die hoek waren in het beton drie grote stalen ringen bevestigd. Ze glansden en zagen er nieuw uit. Dat waren ze waarschijnlijk ook. Bovenin de ruimte zaten in één muur een paar sleuven; waarschijnlijk voor de luchttoevoer.

Op dat moment waagde de man zijn volgende en laatste poging om te ontsnappen. Hij beukte zijn schouder in Ralph’s borstkas. Ralph was slechts heel even overrompeld, toen greep hij de man bij zijn haren, gaf hem een flinke tik achter zijn oor en vlijde hem bijna liefdevol op de grond. De man ademde snel en oppervlakkig: hij was bewusteloos.
“Sukkel,” zei Ralph, “dat had je nou niet moeten doen.”
Hij sleepte de man naar de hoek van de ruimte, haalde uit de houten kist een paar stalen kettingen met grote handboeien eraan. Snel en zeker trok hij de kettingen door de ringen in de muur en bevestigde de boeien aan de polsen en enkels van de man, die nog steeds bewusteloos was. Al die tijd stond Sita te kijken. Ralph had er goed over nagedacht en zich voorbereid, dat was duidelijk. Ze had het allemaal niet geweten.
“Kom,” zei Ralph en trok zijn zus aan haar arm mee naar de deur. “We gaan even naar buiten: het is hier erg bedompt.”
Ze gingen door het gangetje terug en klommen de trap op. Toen Sita haar hoofd boven de grond stak, zoog ze de frisse lucht diep in. Wat zou die man het benauwd krijgen daar beneden, dacht ze.
“Kan ik de handschoenen nu uit doen?” vroeg ze aan haar broer.
“Nog niet,” zei hij, “we moeten zijn auto nog wegbrengen en mijn auto ophalen.” Sita vroeg zich af wat hij met ‘wegbrengen’ bedoelde.
“Luister,” zei Ralph, “ik weet dat je bang was en vind dat je het fantastisch hebt gedaan. We gaan morgen naar Carola en vragen wat zij wil. Ik denk dat het goed is als zij de man ziet, al zal het traumatisch zijn voor haar. Wat denk jij?”
Sita dacht er over na. “Ik denk het ook,” zei ze uiteindelijk. “Misschien komt ze weer helemaal terug. Ik vond het zo goed dat ze gepraat heeft!”
“Ik ook,” zei Ralph. “Oké, dan gaan we het haar vragen. Wacht hier even, ik ben zo terug.”
Hij verdween weer onder de grond en kwam een paar minuten later weer boven. Zorgvuldig sloot hij het luik en verstopte het stuk touw onder de bladeren.


“Is hij alweer bijgekomen?” vroeg Sita.
“Bijna.”
“Hoort niemand hem hier?”
“Onmogelijk.”
Ze stapten in de Volvo van de man, reden terug naar de plek in het bos waar Sita in Ralphs Toyota stapte. Haar handschoenen gaf ze aan Ralph, die ze in zijn rugzak stopte.
“Ik zie je straks thuis,” zei hij, “rij voorzichtig.” Hij gaf haar een zoen op haar wang en liep terug naar de Volvo.

Uit de krant van vrijdag 3 september 1999:

Gevilde man gevonden In een bos ten Noorden van Leverveld is een lugubere vondst gedaan. Medewerkers van Domeinen troffen bij een inspectie van een munitiedepot uit de tweede wereldoorlog, een stoffelijk overschot aan. Sectie heeft uitgewezen dat het om een man van middelbare leeftijd ging. Het lijk lag vastgeketend met handboeien aan ringen in een betonnen muur. Macaber detail is dat de man waarschijnlijk is gevild totdat hij stierf. De identiteit van de man is bij justitie bekend maar men wil geen verdere mededelingen doen.