Na een wandeling gingen we aan de rand van het bos zitten, vlakbij een zandvlakte die als parkeerplaats diende voor mensen die met of zonder hond wilden wandelen. Lekker zonnetje, zacht briesje, stilte. We genoten van een paar crackers en een fles koud water (lang leve de koeltas en koelblokken!) toen er een grote auto vlakbij ons stopte.

Een vrouw stapte uit, keek ons een voor een aan en draaide zich toen weer naar de auto. Uit de automatisch opverende achterklep kwam een zwarte labrador gesprongen, die het bos in rende. De vrouw keek ons nogmaals beurtelings aan en knikte kort op onze hartelijke en in koor uitgesproken groet.

Wij genoten verder; af en toe suisde een fiets langs, of soms een groepje fietsers, met allemaal dezelfde soort pakjes aan: een halve zwarte panty, een blits bloesje – ook van pantystof zo te zien – een helm met kunststof banen, halve handschoentjes, speciale schoentjes… ik vind het echt helden, zoals ze elke lubber, iedere kwab zonder gêne in het tricot persen om het vervolgens mals te walsen in een gestaag rijwielende cadans; genadeloos blootgesteld aan ons, het tweekoppige, gewandelde publiek.

Er kwam ook nog een wat oudere man langs fietsen, op een rijwiel waaraan je onmiddellijk kon zien dat het niet van carbon was en dat absoluut meer dan de zo gewenste – en voorgeschreven anders hoor je er gewoon niet bij – achtendertig gram woog. De man viel sowieso enorm uit de toon overigens: hij droeg een gewoon overhemd met de boord open, en een kakibroek. Normale schoenen, geen handschoenen of helm; geen bidon met het door echte wielrijders zo dringend verlangde vocht.

Gewoon een man op zijn fiets.

Het léf!

Hij zag er wel vredig en gelukkig uit, die man in zijn gewone kleren op zijn gewone fiets. Op zijn gemak kwam hij aangepeddeld, keek een beetje om zich heen naar de mooie natuur en neuriede wat. Om zijn mond speelde een glimlachje, dat zich verbreedde toen hij ons in het oog kreeg. Zijn gezicht opende zich in een zon van een glimlach; hij knikte ons toe en stak zijn hand op. Wij groetten blij terug, verwarmd door zijn zonneschijn. Hij fietste blij verder, wij zaten blij voort en keken naar de volgende twee fietsers: nu weer échte, met alles en fietsschoenen aan. Een van hen keek onze kant op en kreeg een geërgerde uitdrukking op zijn gezicht. Hij zette de muis van zijn hand op een zijner neusvleugels, blies een kwak van het een of ander uit het andere neusgat naar buiten, rochelde nog eens en fietste verder met een woedend gezicht. Die had het niet gemakkelijk, dat zag je zo. Zijn mederijder wielrende geconcentreerd achter hem aan. Die had ons niet eens gezien; maar goed ook, anders hadden er wellicht twee neusuitblazingen plaatsgehad, en ik weet niet of we zoveel woede en misprijzen ineens zouden aankunnen.

Na nog eens tien minuten kwam de vrouw met de labrador terug. Het dier was lekker uitgelaten in tweeërlei zin en kwam een knuffel halen bij ons, waarna hij netjes naar de auto liep.

“Wordt de rust toch verstoord hè,” zei de vrouw tegen ons.

“Geen probleem,” zei ik. “En anders hadden we elders moeten gaan zitten.”

“Ja, nou ja,” zei ze. “Zo heb je uitzicht en zo komt er een hond op je af.”

“We zijn gek op honden,” zei ik.

De vrouw keek me aan alsof ik zojuist had voorgesteld de labrador op te zetten, nog voordat hij het leven had gelaten. Op haar toch al niet zo vrolijke gelaat verscheen een diepe frons.

“Ja ja,” zei ze. “Totdat.”

Ze propte de hond achter in de auto, stapte achter het stuur en reed weg. Wij zwaaiden haar vriendelijk uit.

Alleen de hond kwispelde terug.