Vrouw Budde zeek net het tuinpad onder om het onkruid te verwijderen, toen zij in de verte een eenzame figuur aan zag komen fietsen. “Potverbulkje” lispelde ze, haastig haar broeken schikkend, “het zal domie toch niet wezen?” Ze tuurde langdurig in de verte. Ja hoor: het was pastoor Fratsema die daar in de verte aan kwam zwoegen, met één hand zijn hoed op zijn blozende kop klemmend. Al waren zij niet gelovig, pastoor Fratsema bezocht onveranderlijk eens per maand iedere hoeve in de omtrek. Op haar klompen klepperde vrouw Budde snel naar de stallen, het soppende gevoel van de toch wat te schielijk omhoog getrokken broeken negerend.”Blurke!” schreeuwde ze, “Blurke! Domie kump hierhène gleuf ‘k.”

Blurke Budde trok de achterpoten van een geit uit zijn laarzen en knoopte zijn overall dicht. “Noe, en wat zu dat?” Vroeg hij nors. Kwaad keek vrouw Budde van haar man naar de geit. “Het is moar goud dat e dat nie wiet, Blurke” viel ze uit, “wiest ja wol hoe of dat e dunk over uns krooste dat wie nie hè.” Blurke keek verongelijkt. “Luuster ies ee’m, Harkje” begon hij, “ik ken d’r ja ook niks aan help’m aj nooit uut de boks wil. En as ik ‘m dan stief heb en ik griep de geite, dan moj ook niet jaloers wezen. Elkenien ken die zo in ’t kruus kieken aj ’t pad onder struust, moar ik mag d’r nog niet an ruuk’n; wat mot ik aans?” Harkje wendde zich af met natte ogen. Blurke had gelijk: al maanden hadden ze niet meer gevreeën. Ze kon er niets aan doen. Haar man had een gezond libido, dat wel, maar hij was ruw, onbeholpen en in een oogwenk klaar, waarna hij snel in slaap viel. Dan lag zij nog uren met trillende dijen te wachten op haar hoogtepunt, dat steevast uitbleef.

Harkje was een gezonde boerenmeid van ruim dertig jaar met normale verlangens die op deze manier nooit werden bevredigd. Tot voor kort was haar dat eigenlijk nooit zo opgevallen, maar een paar maanden geleden kreeg ze een tas vol driestuiverromannetjes van vrouw Kwabje.

Lobke en Tietsje Kwabje beheerden een kapitale boerderij met -dankzij diverse erfenissen- de modernste apparatuur en veel meiden en knechten, waardoor Tietsje de nodige tijd restte als Lobke zijn personeel aan het werk hield. Zodoende was vrouw Kwabje aan het lezen geraakt. De boekjes nam Lobke mee uit de stad.

Harkje, die altijd wat opkeek tegen de Kwabjes, had aanvankelijk wantrouwend de zak met boekjes in ontvangst genomen van haar buurvrouw. “Moar vrouw Kwabje” had ze gestameld, “zo’n heule puute volle, doar heb ‘k ja hoast gien tied veur!” Vrouw Kwabje had gelachen en gezegd: “Moak oe moar gien zurg Harkje, ik huuf ze niet terogge; ie mag ze gewoon hold’n. En aj dan ’n keer tied hebt, kej ’n stukje lezen. ’t Is wel hoge toal moar dan sloa je ‘t muujlijke moar over.” Bij een kom koffie vertelde Tietsje hoe heerlijk ze het vond om in een stil hoekje weg te dromen bij zo’n boekje, waarin het rijke leven in de grote steden werd beschreven en de belevenissen van de ‘hoge’ mensen daar.
Als ze dan las over Marie-Louise die haar Kees-Willem in opperste vervoering bracht, kon ze nauwelijks wachten tot Lobke thuiskwam, waarna zij een onbeholpen imitatie gaf van de op dat moment actuele Marie-Louise of Liselore. Lobke stond aanvankelijk wat bevreemd tegenover die rare fratsen, doch kreeg allengs in de gaten dat er steevast een gezellig uurtje op volgde. Sindsdien bracht hij plichtsgetrouw zoveel mogelijk romannetjes uit de stad mee en wist zich zodoende verzekerd van een bevredigende relatie met zijn vrouw. Dit alles vertrouwde Tietsje toe aan Harkje, die met een blos op haar dijen luisterde. Toen vrouw Kwabje was vertrokken, zei Harkje haar man dat ze de slaapkamers ging schonen en ging op bed zitten lezen. Het bleek inderdaad ‘hoge taal’ en met enige moeite worstelde ze zich door de eerste alinea’s. Al snel echter, vergat ze alles om zich heen en las bevend hoe Jacques zijn zachte, warme handen om het middel van Francisca sloot en ze langzaam tot onder haar hevig zwoegende boezem bracht. Harkje dacht aan de ruw eeltige schuimspanen van Blurke, die hij in bed slechts gebruikte om haar zodanig te schikken, dat hij haar met geringe moeite kon penetreren. Snel las ze verder.

‘Terwijl Jacques haar zachtkens streelde, voelde Francisca een ongekende gloed door haar schoot trekken…’ “Mien hemel” dacht Harkje, “zu dat ’t zulfde wezen, as daj kruus begunt te lekk’n?”

Ze stelde zich Jacques voor die, na een fikse bonje met Francisca, bij haar uithuilde en háár zo’n ongekende gloed door haar schoot liet trekken. Al lezend verdween haar hand ongemerkt naar beneden.

Blurke wist van dit alles niets; hij had het veel te druk met het boerenwerk en geen tijd voor onzin. Natuurlijk vond hij het niet leuk dat zijn vrouw steeds minder belangstelling voor hem begon te krijgen in bed, maar hij gunde zich geen tijd om zich er druk om te maken. Bovendien: hij had een stal vol warme beesten, dus waar zou hij zich sappel om maken? Zijn knecht, een vrijgezel van tweeëndertig, maakte al jaren gebruik van de diensten van zijn stalbewoonsters, dus waarom hijzelf niet? Het waren per slot van rekening zíjn meisjes, nietwaar? Op het boerenland werd over zoiets niet kinderachtig gedaan. Hij was op het idee gekomen door zijn knecht, toen hij die bezig zag achter een koe, op een kistje om het hoogteverschil enigszins te verkleinen. “Zo Gurp” had hij gezegd, “bietje stief in de boks jong?” Gurp had hem glazig aangekeken. “joa boas Budde. Ik mos ee’m wat kwiet en ik gleuf dat kou ’t ok wol luste.” Blurke keek de koe eens aan, die eveneens glazig voor zich uitstaarde, rustig herkauwend. “Joa warempel, noe oe ’t zeit, ze het ‘r gien last van in elk geval” mompelde Blurke. En toen, puur uit nieuwsgierigheid: “Giet dat noe krek as bie ’n wicht?” Gurp was klaar en trok zijn boerenzoon met een slurpend geluid uit de koe. “Da wiet ‘k nie” zei hij “ik heb ja ommers nog gien wichter had” “Da’s woar” bromde Blurke, “moar vuult ’t wol eh.. joa, wat zak zeggen.. eh..” Gurp lachte. “Woarumme stop ie ‘m d’r zulf niet ee’m in, boas Budde?” zei hij, “dan wiet je geliek hoe of dat ’t vuult.” Blurke keek hem schaapachtig aan.

Hij was het niet gewend door zijn knecht te worden onderwezen. “D’r is vast nog wol wat te vurreln op ’t laand” zei hij, “goa moar ’s kiek’n of dat ’t stiekeldroad d’r nog umme zit. En dan goan wie over krek ’n halfuur ‘n komke drink’n.” Gurp vertrok met een grijns op zijn gezicht en Blurke probeerde voorzichtig of het kistje hem hield. Toen dat het geval bleek, keek hij ‘ns onder de staart van de koe. Nou, Gurp had er flink werk van gemaakt, dat mocht gezegd.

Het bleef een goed bewaard geheim tussen de beide mannen; Gurp kreeg van Blurke altijd een rol boter mee als hij zijn moeder ging bezoeken en zou alleen daarom al nimmer zijn baas verraden. Harkje was echter niet achterlijk en kwam er vlot achter. Kwaad, maar met een schuldgevoel over haar lecturale avontuurtjes, zweeg ze hierover. Behalve nu dan, met pastoor Fratsema onderweg naar hen toe. Harkje klepperde naar de keuken om de koffie op te warmen en was nauwelijks bezig of de deur zwaaide open en daar stond pastoor Fratsema.

“Vollek!” riep hij guitig en nam plaats aan de blankge‚schuurde eiken tafel. “Zo, vrouw Budde” zei hij “hoe stoat ’t met u?”

Harkje moest inwendig lachen: Pastoor Fratsema kwam uit de grote stad en woonde nu zo’n drie jaar hier in Puutjeradeel. Met enige moeite en tot grote hilariteit van de inwoners van het dorp had hij zich een taaltje eigen gemaakt, dat het midden hield tussen stads en Puutjeradeels. Het klonk nergens naar. Harkje zette kommen op tafel. “Wol goe, domie. Wol goe.” Ze knikte hem eens toe. Fratsema legde zijn hoed op de stoel naast hem en wreef zijn gepommeerde haarplak naar achteren. Vorsend bekeek hij Harkje die lichtelijk verlegen werd onder zijn scherpe blik. “Wil ’t nogal vlotten met joen huwelijk?” vroeg hij plotseling. Harkje schrok; het leek wel of die man door haar heen kon kijken. “Hoe bedoel ie dat, domie?” ontweek ze de vraag. Fratsema glimlachte. “Nou, mie dunkt, ie zien d’r goed uut als vrouw. Blurke het gien klagen zou’k zo zeggen…” Smakkend liet hij zich het beeld van de blozende Harkje welgevallen. “Ach domie” schutterde deze, “wat mooie proat, moar ik wol da Blurke ’t zo zagge; dei is ien anderhaalve minute kloar.” Verschrikt sloeg ze een punt van haar schort voor de mond. Het was eruit voor ze er erg in had. Druk met het verbergen van haar schaamte merkte ze niet op dat de ademhaling van Fratsema naar licht hijgend overloeg. In zijn mondhoek verscheen een speekselbelletje. “Ach mien wicht” hijgde Fratsema terwijl hij ongemakkelijk ging verzitten, “da’s ja krek sunde, zo’n mooi boerenwief met een kerel die da nie wiet te waarderen.” Schichtig keek hij om zich heen en vroeg: “Moar eh.. wa giet er nie hielemoal goe, dan?” Overmoedig door zijn zalvende toon, vatte Harkje moed en barstte los. “Noe kiek domie, elkenien het ja wol ies juk aan de kötte; da wiet ie wol.” Fratsema knikte glazig, hoewel hij geen idee had van dat gevoel. Het wond hem echter zo mogelijk nog meer op en hij moedigde Harkje hevig knikkend aan om verder te gaan. “Noe” vervolgde zij, “dan goan wie te bedde en dan hoal ik mie ee’m de hand deur ’t kruus, kiek zo.” Harkje haalde haar rok omhoog en streek stevig haar handpalm over de beige, gebreide broek, waardoor deze stevig tussen haar vlezige dijen werd getrokken. Haar hand plechtig voor zich uithoudend stapte ze op de nu hevig schokkende pastoor toe en wreef hem stevig over de neus. “En dan wrief ik hom zo over de neuze, zugt domie wol?” Domie echter, was niet meer in staat een woord uit te brengen. Terwijl het zweet langs zijn paarse gezicht liep en hij luidop kreunde, verliet een spaarpot van jarenlang celibatair leven zijn Rooms-Katholieke kandelaber om aldus een grote, natte plek in zijn toog achter te laten. Op dat moment kwamen Gurp en Blurke binnen. Blurke stapte uit zijn laarzen en keek naar de paarse pastoor. “Zo domie, flink deurfietst zeker?” Fratsema knikte suffig en greep bibberend naar zijn kom koffie. Harkje, zich niet bewust van de gevoelens die zij opriep bij de pastoor, stommelde heen en weer met kommetjes en koffie. Luid slurpend leegde Blurke zijn kom en veegde met de rug van zijn hand zijn lippen af. “Zo, dat smakte, zo’n komke” zei hij, “ik los d’r nog wol iene, Harkje.”

Na het onpastorale incident van daarnet, was Fratsema niet meer bij machte enige stichtelijke woorden ten behoeve van de voortplanting bij de familie Budde te spreken. Zijn hoed voor de zich uitbreidende plek in zijn toga houdend, nam hij afscheid en verliet slingerend op zijn fiets de Buddehoeve. Gurp rochelde eens flink en zei: “Noe, dei ha nie veul te vertell’n, ons domie.” “Neu” zei Blurke en haalde met zijn tong de drab onder uit zijn koffiekom, “kom Gurp, wie goan weer an ’t wark.” Nauwelijks waren zij vertrokken of Harkje haastte zich naar boven en graaide een verfomfaaid boekje uit de tas, die zij zorgvuldig onder het bed verborgen hield. Het was haar favoriete boekje en zij las het telkens weer. ‘Liefdesdroom in Papendal’ heette het. Papendal zou wel ergens in Duitsland liggen, dacht Harkje, en begon aan haar meest geliefde passage: ‘Henriette strekte zich uit op het lila hemelbed en wachtte gespannen op de zacht koesterende handen van Norbert, die haar als enige dat ongekende gevoel in haar onderbuik kon schenken.’

Daar Harkje in haar geval de enige was die dat ongekende gevoel kon oproepen, toog ze daarmee maar weer aan de slag.

‘s Avonds aan de maaltijd zaten Gurp, Blurke en Harkje zwijgzaam te eten, ieder bezig met zijn eigen gedachten. Luid soppend doopte Blurke een snee roggemikke in de balkenbrijsoep en zoog het lillende stuk deegwaar smakkend naar binnen. Hij boerde tevreden. Harkje keek naar het spoor vet dat langzaam uit zijn mondhoek naar beneden over zijn kin sijpelde en vond hem aantrekkelijker als nooit tevoren. Gul schepte zij nog eens de troggen vol en nam zich voor om het vanavond weer eens te proberen met hem. Het was ook maar niets vond ze, haar man zo achter die koeien en geiten, terwijl hij thuis een vrouw had die er, hoe had Fratsema dat ook alweer gezegd? Die er goed uitzag. Ja, vanavond zou ze hem verleiden met een van de technieken die ze in de boekjes had gelezen.

Na de afwas speelden ze ‘windstreken’; een spel dat al geslachten lang door de Puutjeradelers als opperste vorm van vermaak werd gezien. Zo kon je rustig aan een dorpeling vragen terwijl je bij de bakker wachtte: “Hej nog windstreek’n doan van de wieke?” Steevast kreeg je dan een bevestigend antwoord, plus een verslag over wie gewonnen had, wie het meest fout had, enzovoort. Zag men hierin een uitdaging en stonden de mensen elkaar wel aan, dan werd voorzichtig wel eens geopperd: “Aans kom oe mit oe man sundag moar ies bie ons speul’n.” Dit was wel het grootste eerbetoon dat men elkaar kon brengen en er werd dan ook nooit geweigerd. Andere vormen van vermaak waren nog Kiptrappen, Kötteklapper en de jaarlijkse Strontloop, doch geen van deze haalde het bij windstreken.

Vanavond speelden zij gedrieën: Blurke, Harkje en Gurp de knecht. Een jonge haan werd uit het hok gehaald, de poten en vleugels stevig vastgebonden en, gezeten rond de grote tafel, mocht Harkje als eerste. Ze gooide de haan omhoog en wachtte tot hij op de tafel kletste. Was het rug dan mocht Harkje, was het pens dan mocht de volgende gooien. Het was rug en Harkje dacht diep na over de vraag die ze zou stellen. Plotseling had ze een goed idee. “Ik heb een vroag veur Blurke” zei ze glunderend. Blurke ging er eens goed voor zitten. “joa, toe moar” zei hij.

“Wat is da, as ’n wief ’n roar jukkend gevuul in de onderbuuke kriegt?” Blurke dacht diep na en krabde zich eens goed in de liezen. Eensklaps klaarde zijn gezicht op.

“Din mot ze schiet’n.” zei hij vastberaden. Gurp grinnikte eens. “Da su ‘k krek zulfde zegg’n” zei hij. “Neu neu, ’t is ja fout” lachte Harkje. “Din is ze hiet. Dat is ‘t.”

Verbaasd keek Blurke haar aan. “As ze hiet is, din mot ze schiet’n?” vroeg hij. Harkje gierde het uit van de pret. “Welneu jong, din kriegt ze allennig ’t zulfde gevuul” hikte ze. Blurke en Gurp keken elkaar eens aan: beiden wisten ze niet dat een vrouw aandrang kreeg als ze opgewonden werd. Het leek hen knap lastig, maar aan het juiste antwoord werd nimmer getwijfeld -niemand in Puutjeradeel wist wat valsspelen was en dus moest Blurke ‘boeten’. Dit was een onderdeel wat veel vreugde bracht onder de spelers en, het mocht gezegd worden: wat Blurke aan antwoorden niet wist, maakte hij meer dan goed met ‘boeten’ want daarin was hij de ongekroonde koning van Puutjeradeel (een jaar of vijftien geleden had hij boer Platje hiermee verslagen tijdens de jaarlijkse Feestwieke).

Hij lichtte zijn achterwerk een centimeter of drie van de eiken stoelzitting en zette flink kracht. Gespannen wachtten Harkje en Gurp af; zij kenden de enorme prestaties van Blurke en hier werd niet mee gespot. Kreunend en steunend zwoegde Blurke voort totdat daar eindelijk de beloning voor zijn inspanning volgde. Een luid knetterende wind die rollend over de harde zitting van de stoel vloog. Harkje juichte en Gurp keek vol ontzag naar zijn baas, terwijl Blurke voldaan weer ging zitten. Wapperend met zijn handen probeerde hij de zojuist door hem geproduceerde geur te verspreiden zodat ook zijn medespelers konden meeproeven, wat hem goed lukte. De haan was opgehouden met kraaien en keek versuft voor zich uit. Toen de lucht van rotte eieren enigszins was opgetrokken, was Blurke aan de beurt. Hij gooide de haan en het was rug.

“Noe heb ik ’n vroag veur Gurp.” zei hij.

“Joa” zei Gurp.

“Luuster jong” zei Blurke, “het ’n peerd de titte veur of achter zitt’n?” Gurp moest hierover goed nadenken; hij was helemaal niet thuis in de paardenwereld. “Veur” probeerde hij. Blurke schudde het hoofd. “Neu, achter.” Het was duidelijk, Gurp moest boeten. De rest van het gezelschap wist het niet, maar het was een heimelijke wens van Gurp om, al was het maar eens in zijn leven, zijn baas te overtreffen met boeten. Onder het spel had hij al stiekem wat zitten persen en dacht daar nu toch wel enig profijt van te trekken. In tegenstelling tot de Puutjer gewoonte lichtte hij slechts één bil van de zitting en zette kracht. Hij voelde dat hij het zou kunnen maar er was nog teveel tegendruk. Dus lichtte hij ook maar de andere bil en stond, de knieën gebogen en het achterwerk naar achteren, te persen. En ja, nu voelde hij dat het zou gaan. Te laat echter voelde hij de extra aandrang welke zo abrupt het spel kon beeindigen. Hij kon nu niet meer terug en besloot alles er dan maar uit te halen wat hij kon. Parelend van het zweet produceerde hij wat later ‘een klassieker’ genoemd zou worden. Een luid gorgelend geluid ging vooraf aan een vettig geknetter, afgesloten met een onmiskenbaar ‘straalgeluid’ van zeker anderhalve minuut. Met open mond staarden de Buddes naar hun knecht; wie had dat verwacht, zo’n ongekend talent van Gurp?

“Potverbulkje” hijgde Harkje verrast, “da was ’n hiele beste, wat?”

Blurke knikte. “Ie bin kloar veur wedstried volg’nde moand, jong.” Gurp liet de complimenten gelaten over zich heen gaan, terwijl een geur van spruitjes, spekzwoerd en balkenbrij langzaam de boerenkeuken vulden. “Wa kiek oe verboasd, Gurp.” zei Harkje, “schrok ie d’r zulf van?”

“Nee” zei Gurp, “moar ik schit mie de heule boks volle.” Daar moesten Harkje en Blurke om lachen. “Da gef ja niks, jong” hikte Blurke, “morg’n is ’t alweer tobbe.” Het was waar: morgen was het zaterdag en kon Gurp weer een schone overall aandoen. Hij maakte zich al geen zorgen meer. Het werd een gezellige avond verder en pas laat zochten ze de bedstee op, Gurp enigszins krakend.

Vergenoegd kleedde Harkje zich gedeeltelijk uit. Haar onderbroeken en borstrok hield ze aan; dat had ze uit de boekjes, dat er nog wat te raden moest zijn. Blurke boerde, rekte zich uit en liet zich onderuit zakken in de krappe bedstee. Verbaasd keek hij naar Harkje die zich met ondergoed en al naast hem vlijde. “Is ’t sloaphemd kwiet?” vroeg hij. Harkje zweeg, pakte zijn hand en legde deze op de ruwe stof van haar borstrok, ter hoogte van haar tepel. “Hier, vuul moar ies” fluisterde ze, “goud zachte?” Blurke kneep eens in het weelderige vlees. “Joa, goud zachte” bromde hij en wilde zich omdraaien, maar Harkje liet geraffineerd haar hand onder de paardedeken glijden en begon hem zacht te strelen. Blurke verstijfde. Overal. “Wolle toch moar weer ‘s op de kötte?” vroeg hij, en maakte aanstalten om Harkje te bestijgen. Deze hield hem echter tegen en ging rustig door met strelen. “Blief noe moar stil ligg’n” fluisterde ze. Blurke bleef verbaasd liggen. Het gaf hem wel een fijn gevoel zo, dat moest hij toegeven. Hij liet er nog maar eens fijn eentje waaien. Harkje moest hier weer vreselijk om lachen; wat konden ze het toch knus hebben zo saam! “Ochodde” gierde ze “noe pis ik mie zo in boks van ’t lach’n. Hier, vuul moar ies” En ze duwde zijn hand in de druipende, geurige wol van haar broeken. Blurke begon er zowaar plezier in te krijgen en zo redden de boekjes van Tietsje ongewis het huwelijk van Blurke en Harkje, die hun knecht niet naar de stallen hoorden gaan waar hij, opgewonden door het ‘windstreken’, een jonge, stevige geit voor de nacht uitzocht en deze stiekem ontvoerde naar zijn bedstee. Ach, ’t was daar toch al vuil geworden. Het werd een lange, hete zomer op de Buddehoeve daar in Puutjeradeel…

Haarlem, 20 juni 1982.