Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 1: Witte Jassenvrees

Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 1: Witte Jassenvrees

Toen ik dan op aandringen van Juliëtte eindelijk naar de huisarts ging, mat hij een bloeddruk van 180 / 124; echt veel te hoog.

“Heb je klachten?” vroeg hij.

“Nah, niet echt,” zei ik.

“Niet snel vermoeid, de laatste tijd?”

“Ja, dat wel.”

“Druk op de borst tijdens en/of na inspanning?”

“Ja, eigenlijk ook wel.”

“Kortademig?”

“Niet voortdurend,” probeerde ik nog. Hij knikte, haalde het bloeddrukmanchet van mijn arm en keek me aan.

“Ik ga je doorsturen voor een bloedonderzoek, een hartfilmpje oftewel ECG, nog wat andere onderzoeken en dan wil ik je daarna weer zien,” zei hij. “En daar gaan we niet te lang mee wachten.”

Met lood in mijn schoenen en een verwijsbriefje voor de afdeling cardiologie togen we huiswaarts, waar ik in somber gepeins verzonk. Ik had nog nooit iets gemankeerd wat niet met een paar nachten doorslapen en een aspirientje op te lossen was, verdorie.

Een paar dagen later kreeg ik een uitnodiging van het ziekenhuis, of ik me de week daarna ’s ochtends om negen uur wilde melden bij de polikliniek cardiologie. “Polikliniek; dat is toch dat ik niet hoef te blijven slapen?” vroeg ik aan Juliëtte. Ik had het op dat moment nog niet in de gaten maar er was iets gebeurd wat ik al heel lang niet meer had meegemaakt: ik was bang. Bang voor het onderzoek, het onbekende, voor wat ‘ze’ allemaal met me gingen doen…

‘Ze’ waren de mensen in witte jassen.

Efficiëntie op zijn best

Wat Juliëtte en mij als eerste in het ziekenhuis opviel, was de ongelooflijk efficiënte planning. Op de uitnodigingsbrief stond een streepjescode, die moest ik voor een apparaat houden en daarna kwam er een briefje uit het apparaat waarop alle afspraken, soort onderzoek, naam van de arts en wachtruimte waar ik zou worden opgeroepen stonden: keurig gerangschikt op tijd en alle betrokkenen waren nu ingelicht dat we in de wachtruimte aanwezig waren. Dat werkte erg snel en prettig: we hoefden nergens lang te wachten.

Het hartfilmpje was snel gemaakt: een paar zuignappen op mijn bovenlijf, even rustig liggen ademen en een minuut later rolde er een printje uit een apparaat. “Sta ik er een beetje leuk op?” probeerde ik mezelf op te beuren. De verpleegkundige glimlachte: die hoort dat waarschijnlijk dertig keer op een dag.

Daarna een echo. Een echo. Echo… Terwijl ik op mijn zij lag, speurde een specialiste mijn borst en zijden af naar signalen. Die waren er gelukkig en mijn hart kwam in beeld en geluid te voorschijn op de apparatuur. Ik vond het erg bijzonder om mijn hart eens vanaf de andere kant te horen. Ook dat onderzoek was na een klein half uur klaar en ik mocht me aankleden waarna we moesten wachten tot de cardioloog ons zou roepen voor het oordeel. Ik kneep ‘m nog steeds flink.

De cardioloog, een jonge, strenge en erg serieuze vrouw met een onuitsprekelijke achternaam had goed en slecht nieuws. “Het goede nieuws is dat uw hart onbeschadigd is. Het slechte nieuws dat ik de kransslagader verdenk van een of meer vernauwingen.” Ik knikte maar eens, om aan te geven dat ik het begreep. Daarna volgde nog een reeks vragen over mijn eet- en drinkgewoonten, roken, familiegeschiedenis et cetera. Aan het eind van het gesprek gaf ze me een hand. “Ik laat u oproepen voor een CT-scan,” zei ze. “om te kijken of ze daar uw kransslagader nog wat beter in beeld kunnen brengen.” We togen naar huis; toch wat opgelaten. Het woord ‘familiegeschiedenis’ bleef rondzingen in mijn hoofd: in mijn familie is de generatie vóór mij bij bosjes overleden – allemaal voordat ze vijftig jaar waren.

“Ik heb tenminste dan nog de 56 jaar aangetikt,” mompelde ik in de auto. Een wrange overwinning.

De lieve, kleine zuster

Korte tijd later (als je eenmaal in de molen zit, draait ie vlotjes door) meldden we ons bij de afdeling radiologie in het ziekenhuis, om de scan te laten maken. Ik zag er wederom flink tegenop, maar snapte de noodzaak uiteraard. Ik werd binnengeroepen en verwelkomd door een verpleegkundige die ik op anderhalve meter lengte schatte, met een kapsel alsof er iets op haar hoofd was ontploft, en een paar enorm grote, blauwe kijkers achter een veel te grote bril. “lieve, kleine zuster,” noemde ik haar in gedachten, vrij naar het typetje van Anniek Pheifer in Jiskefet’s prachtige serie “De Hubertushof.” “Zin in?” vroeg de lieve, kleine zuster van wie ik dus geen idee had hoe ze heette omdat ik over Jiskefet stond te mijmeren toen ze zich voorstelde.

“Nee, niet echt,” zei ik. “Maar laten we het maar achter de rug krijgen.”

Ze keek me eens doordringend aan en knikte toen.

“Als straks de contrastvloeistof wordt ingespoten kan dat een wat onprettig gevoel geven – misschien krijg je een raar gevoel in je keel, je kunt een beetje misselijk worden: het wordt heel warm in je borst en buik en ook van onderen. Net of je in je broek plast, maar je blijft gewoon droog hoor!” Met de wenkbrauwen hoog opgetrokken en mij heel blij aankijkend, was ze het toppunt van lieve zorgzaamheid en ik schoot in de lach, toch wat meer ontspannen nu. Ze lachte vrolijk mee. “Hou je van koffie?” “Enorm,” zei ik. “Denk maar aan die lekkere bak koffie straks dan.”

Iemand doodkijken

Het ging verder best goed, dat onderzoek: de lieve, kleine zuster verstond haar vak en had me op precies de juiste wijze gerustgesteld. Nadat ik me had aangekleed, stond Juliëtte op me te wachten, altijd een hemels moment, en gingen we op zoek naar de uitgang. Onderweg zakte ik bijna in elkaar door een aanval van slapte. Even een plekje zoeken om te zitten, een bankje. We zaten nauwelijks of een schoonmaakster kwam uit het niets aangesneld en dweilde als een bezetene bijna onze voeten onder ons vandaan: ze moest precies op dat plekje zijn waar wij zaten. We stonden op en liepen naar een volgend bankje, en de schoonmaakster rende mee om vervolgens precies daar te gaan schoonmaken, zodat we niet even rustig konden zitten. We keken elkaar vermoeid aan: geen onbekend verschijnsel dit, gedurende de afgelopen 10 jaar.

De vaatverwijders die ik ingespoten had gekregen en de hartslagvertrager deden hun werk goed; ik voelde me zo slap als een natte krant. Nadat we dan toch even op een derde bankje konden zitten en Juliëtte de schoonmaakster had doodgekeken zodat die eindelijk de boodschap begreep en uit onze buurt bleef, kon ik weer verder. Thuis voelde ik me heerlijk ontspannen: eindelijk eens een rustige hartslag en een fijne bloeddruk en voldoende zuurstof naar het hart – voor het eerst in jaren tijd. Genieten, maar slechts voor een uurtje, daarna was het spul weer uitgewerkt. Het gaf in elk geval aan dat we in de goede richting zochten.

Tot zover het voortraject. Het echte feestje moet nog beginnen.

Een paar dagen later belt de cardioloog, met het nieuws dat de scan inderdaad bevestigt wat ze al vermoedde: een vernauwde kransslagader. Ze wil me verder onderzoeken (nog verder), zegt ze. Een hartkatheterisatie. Zo snel mogelijk. Vooral dat ‘zo snel mogelijk’ is een vrij treffende manier om me compleet te verlammen. Ik durf bijna niet meer uit mijn stoel op te staan uit angst voor hartinfarcten of –stilstanden, ontploffende aders, in het rond vliegende bloedproppen en al het andere wat ik inmiddels op het internet heb weten te vinden onder zoektermen als: ‘risicofactoren bij hart- en vaataandoeningen’, ‘coronaire hartziekten’ en meer van dat opbeurends waar je echt nooit naar moet zoeken op het internet.

Hooggevoelige aderen – de hartkatheterisatie

De dag van het onderzoek word ik opgenomen: dat is standaard, dan kunnen ze je voorbereiden. Op een bed word ik naar de katheterisatiekamer gereden en klaargelegd voor het onderzoek. Dokter Gaby (mijn ernstige, strenge vriendin de cardioloog) vertelt mij kort wat ze gaat doen, belooft mij een stevige pijn bij het aanleggen van de ingangsplug in de polsslagader en gaat aan het werk. Die belofte maakt ze waar: het doet pijn, die plug in mijn slagader. Toch vind ik dat niet zo erg. Het gevoel van die draad die door mijn ader wordt geschoven tot in mijn hartkamer – dat vind ik pas echt vreselijk. Ik voel het ding iedere centimeter afleggen en het lijkt wel of de katheter elke hoek en bocht van mijn bloedvat raakt. Terwijl me verzekerd was dat ik er niets van zou voelen omdat aderen zelf gevoelloos zijn. Heb ik weer natuurlijk: HSA – Hooggevoelige Aderen. Ik voel me slap, misselijk en duizelig. “Meneer is iemand die alles voelt bij een onderzoek als dit,” vertelt dokter Gaby met droge stem aan haar team. Niet neerbuigend, ook niet bemoedigend: gewoon een simpel vaststellen van feiten. Ik mag haar wel: ook al heb ik haar nog niet op een glimpje humor kunnen betrappen, is ze kortaf en kapt ze elke vorm tot gesprek of plezier af; ze weet wel degelijk waar ze mee bezig is. Ik voel me bij haar in vaardige en deskundige handen. Het onderzoek neemt niet langer in beslag dan nodig – ongeveer een uur – en daarna vertelt dr Gaby me dat ze aan de hand van haar onderzoek ervoor heeft gekozen om me niet te dotteren maar me aan de chirurg voor te dragen voor een openhartoperatie. “U bent veel te jong om met dat dotteren aan de gang te gaan,” zegt ze resoluut. “Dat is zonde, want dan zit u over een aantal jaren misschien opnieuw met het probleem. Ik ga een operatie voorstellen waarbij tenminste twee bypasses worden gemaakt op de vernauwde delen van de kransslagader, waarna u van uw klachten af bent, en dan nog langdurig ook; nog even los van wat de chirurg verder tegenkomt tijdens de operatie. Bent u het daarmee eens?” Ik hoef er niet lang over na te denken, en heb dit voordien al met Juliëtte overlegd: wat als ik voor belangrijke beslissingen kom te staan die geen uitstel dulden?. “Doe wat je het beste lijkt en wat de beste kansen geeft,” heeft Juliëtte gezegd. “Ik ga akkoord,” zeg ik tegen dokter Gaby. Even verschijnt er een piepklein glimpje warmte in haar ogen. “Heel verstandig,” zegt ze. En met een klopje op mijn schouder ben ik de patiënt die snel naar buiten gereden mag worden omdat er nog een horde patiënten ligt te wachten: het is een populair onderzoek.

De verpleegkundige die me wegrijdt lacht tegen me. “Viel het mee?” vraagt ze. Ze was erbij en heeft ongetwijfeld mijn groen uitgeslagen gezicht gezien toen dokter Gaby me recht in het hart raakte met haar priemende draad. “Ja, het gaat wel weer,” glimlach ik terug. “Je gaat je sowieso een stuk beter voelen, met deze operatie,” zegt ze. “Dat kan ik je alvast beloven.” Die woorden doen me goed.

Terug naar de afdeling, terug naar mijn lieverd: ik kan het nauwelijks aan om haar een uur te missen. Hoe moet dat in vredesnaam straks met die operatie?

Naar deel 2