Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 2: Pyjama Party

Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 2: Pyjama Party

Na de vooronderzoeken en voor de operatie

Na de hartkatheterisatie word ik teruggereden naar de verpleegafdeling, waar Juliëtte op me wacht. Ik ben blij haar weer te zien en vertel haar wat de cardioloog heeft gezegd. We zijn het er in elk geval over eens dat het goed is dat er wat gedaan wordt aan mijn probleem, voordat het echt misgaat.

De zaalarts komt een tijdje later vertellen dat hij me in het ziekenhuis wil houden, vanwege het risico op een infarct of andere hartproblemen, zodat ik alvast binnen ben voor de operatie. Het is even slikken maar we zien de noodzaak ook hiervan in. Dus nu lig ik officieel in het ziekenhuis.

Ik kom bij een jonge powerlifter op de kamer. Een aardige vent; hij heeft teveel gesnoept van de anabole steroïden en hartproblemen gekregen; hij belooft de dokter, zijn vrouw en zichzelf beterschap en dat hij de anabolen in het vervolg laat staan. Hij mag dezelfde dag nog naar huis dus ik hoop een nacht alleen te kunnen slapen. Helaas: een nieuwe patiënt wordt binnengereden. Henk is 73 jaar en heeft een lang verleden met hart- en longproblemen. Hij is twintig jaar geleden geopereerd aan longkanker en de laatste tijd heeft hij vooral problemen met het hartritme.

Nutteloze strijdjes

Wat Henk kenmerkt is zijn gewoonte om alles te weerleggen wat een ander zegt. ‘Nee’ is bijna continu het woord waarmee hij zijn reacties begint, vaak gevolgd door ‘dat klopt niet hoor’ of: ‘dat zeg je verkeerd’. Vooral lastig voor de verpleegkundigen en artsen die alles in het werk stellen om het leven van Henk nog enigszins te verlichten. Ik ben in de drie dagen dat Henk en ik een kamer delen getuige van talloze nutteloze, onzinnige strijdjes. De verpleegkundige die de temperatuur opneemt bij Henk krijgt te horen: “Dat klopt niet hoor, 36.1 graden. Dat moet hoger zijn.” Ze legt geduldig uit dat een oorthermometer altijd een wat lager meetresultaat geeft dan een mond- of rectale thermometer, maar Henk blijft tegensputteren. Na twee heen-en-weertjes kijkt ze mij even aan met een snel lachje en zegt tegen hem: “Goed, ik zie het belang van de juiste meting in; ik zal zo even een andere thermometer halen, dan kunnen we het rectaal meten.” Henk bindt onmiddellijk in. “Nou, zo belangrijk is het ook niet, en het zal vast geen 10 graden tegelijk schelen denk ik. Dus dat hoeft niet hoor, zuster.” Ik draai me om zodat Henk mijn ingehouden lachen niet ziet. De verpleegkundige ziet het wel en glimlacht stralend naar Henk. “Prima, dan houden we het hierbij,” zegt ze. Vakmens dat ze is.

Slaapschudden

Die nacht word ik rond vier uur wakker van gerommel en gebonk. Als ik mijn ogen open kijk ik in het woedende gelaat van Henk die, slechts gekleed in een onderbroek, aan het voeteneneind van mijn bed staat te duwen en te trekken. Gelukkig heeft hij zijn gebitten in. Het bed schudt heen en weer. Ik ga rechtop zitten en kijk naar de kleine, magere bejaarde die vokomen onbewust lijkt van zijn eigen handelen. Hij is aan het slaapschudden. “Je hebt een infarct!” schreeuwt Henk ineens, terwijl hij aan het bed blijft rammelen. “En nu begint de ellende pas!” “Ga slapen Henk,” zeg ik. “Ik heb geen infarct, ook niet gehad. Ga in je eigen bed liggen.” Het lijkt alsof ik tegen de muur praat. Henk’s ogen staren door mij heen terwijl hij aan het ledikant staat te sjorren. “Eeeeeeeehhhh!” roept hij, en: “aaahhh!”. Na deze mededelingen vind ik het welletjes. Net wanneer ik op de bel wil drukken om een verpleegkundige te roepen, laat Henk mijn bed los, loopt naar zijn eigen bed waar hij inkruipt en prompt begint te snurken. Ook al heb ik niet gebeld: nachtzuster Francien komt toch even kijken en ziet dat ik wakker ben. “Alles in orde hier?” vraagt ze, met een snelle blik op het snurkende hoopje in het bed naast me. “Ja hoor, dank je wel,” zeg ik. Wat een avontuur, zo’n ziekenhuisopname.

Pleegzuster bloedneus

Een uur later, zo rond kwart over vijf in de ochtend, word ik opnieuw wakker van gestommel en gevloek. Henk heeft een bloedneus en loopt alles onder te bloeden. “Zal ik even een zuster bellen?” vraag ik. “Nee, die weten niet wat ze moeten doen,” antwoordt hij. Ik haal mijn schouders op en laat het erbij, maar als hij 20 minuten later nog staat te hannesen en het bloed inmiddels overal ligt, ben ik het zat. Ik druk op de bel en zuster Francien komt kijken. Alles wat ze wil doen of voorstelt om Henk te helpen wordt heftig door hem afgewezen: ze weten niet wat ze doen en hij – Henk – is de enige die weet hoe hij het moet stoppen. “Waarom bloedt het nog steeds dan?” vraagt zuster Francien. In gedachten overlaad ik haar met kransen en zoenen en omhelzingen en oorkondes: Francien for President. Henk is woedend. “Dat weet ik toch niet!” schreeuwt hij onbeheerst naar Francien. Die heeft wel vaker met dit bijltje gehakt, kennelijk. Ze pakt Henk bij zijn schouders, dirigeert ‘m naar zijn bed en wanneer hij met zijn knieholtes tegen de rand van het bed staat, duwt ze nog even stevig door zodat hij niet anders kan dan gaan zitten. “Rustig blijven zitten en wachten tot ik terug ben,” zegt Francien streng. Zelfs Henk is stil. Even later is ze terug met wat er ook maar nodig is om een neusbloeding te stelpen en gaat aan het werk. Alle protesten van Henk worden straal genegeerd en als ze klaar is zegt ze: “Even één ding afspreken: als je dit gaasje nou ook weer lostrekt, ben je op jezelf aangewezen: ik kan dan niets voor je doen verder. Als je slim bent, hou je het daar een halfuurtje, dan is het over.” “Dat klopt niet hoor,” neuzelt Henk door het verband heen. Francien knikt. “Zelf weten,” zegt ze. “Kijk maar wat je doet; het is jouw neus.” Henk kiest eieren voor zijn geld en houdt het verder toch maar droog. Ik pak nog een halfuurtje slaap en dan begint het drukke ziekenhuisleven van alledag weer.

Ontbijtbitch

Het ziekenhuis is een stad op zich: een soepel draaiende machine. Daar is veel organisatie voor nodig en die is hier prima geregeld.

Om zes uur komen de nachtdienst-verpleegkundigen met de eerste ronde medicatie. Pillen slikken, even suffen en tussen halfzeven en zeven uur komen de voedingsassistentes met het ontbijt om te vragen wat je wilt eten en drinken. Alles is vers, goed verzorgd en wordt geserveerd door vriendelijke, opgeruimde dames. Eentje springt eruit. Ze groet verbaal weliswaar netjes, maar je hoort de pijn eronder. Wat voor pijn het is weet ik niet, maar ik vermoed een paar enorme teleurstellingen door mensen in het algemeen en mannen in het bijzonder. Ik ken die blik: licht onzeker, maar verborgen achter een zweem van felheid. De ‘kom maar op – ik lust je rauw – blik’. Dat de praktijk naadloos aansluit bij mijn non-verbale waarnemingen blijkt al snel. “Eiersalade op brood? Dat kun je beter niet doen,” zegt de ontbijtdame tegen me. “daar zit vrij veel zout in en dat is niet goed.” En tegen mijn buurman (een nieuwe – Henk mocht naar huis): “Twee witte bolletjes? Daar zijn er niet zoveel van hoor, dus ik weet niet of dat wel kan.” En met een snelle blik op mij: “Maar misschien als u dan elk één bolletje neemt?” “Ik hoef geen bolletje,” zeg ik. “Dus kan de buurman mijn bolletje erbij krijgen.” Even kijkt ze me verbluft aan, dan schiet de woede in haar ogen. “Ja, zo werkt dat niet hè,” zegt ze. Ik knik; ik heb het begrepen. “We hebben een onvervalste ontbijtbitch,” zegt de buurman als ze weg is.

Daarna blijft het gespannen tussen ons en de volgende dag komt het tot een oplossing. Ze begint weer te sputteren – deze keer omdat ik zwarte koffie vraag, terwijl zij van mening is dat thee ’s morgens beter is. Ik besluit mijn andere ik toch maar tevoorschijn te halen voor dit moment. “Hebt u hier een opleiding voor gedaan?” vraag ik netjes. Ze kijkt me aan als een prooidier in het nauw. “Wat bedoelt u?” “Nou, ik hoor nu een paar dagen uw ontradingen, adviezen en tegenwerpingen bij wat ik vraag voor ontbijt of lunch, en niet alleen tegen mij, maar ook tegen mijn kamergenoot. Welke opleiding heeft u genoten en welke functie – naast voedingsassistente – bekleedt u hier dat u deze voedingsadviezen mag geven?” Ze trekt wit weg. “Zwarte koffie,” mompelt ze. “Ik zal het even pakken.” De buurman ligt gelukzalig in zijn bed te grijnzen. Daarna hebben we haar niet meer gezien: waarschijnlijk heeft ze geruild met een collega op een andere afdeling. Wat een kloteleven heb je dan, als je mensen die ziek in een bed liggen moet bestrijden met hun voedingskeuzen.

Prikkelmeisjes

Voor de rest een en al lof voor de mensen die zo’n machine draaiende houden. Als ik zie met hoeveel liefde en vriendelijkheid, vakkennis en –kunde de artsen, verpleegkundigen, assistenten en alle andere mensen zorgen dat alles goed verloopt, krijg ik steeds meer bewondering voor deze mensen, van wie een deel nog erg weinig krijgt betaald ook. Engelen zijn het.

Na het ontbijt komen de prikkelmeisjes, zoals ik ze in gedachten (nooit hardop!) noem: laborantes en studentes die bloed afnemen om dat te laten onderzoeken in het laboratorium. Het gebeurt allemaal snel en vakkundig: er heeft al die tijd niet eentje misgeprikt bij me, wat ik enorm waardeer.

Dan de onderzoeken: bloeddruk, hartslag, zuurstofgehalte en wat al niet meer. Voor ik het weet lig ik alweer doodmoe achterover bij te komen van het wakker worden.

Ik sta op de lijst om over vijf dagen te worden geopereerd. In tegenstelling tot bij de voorafgaande onderzoeken ervaar ik geen enkele spanning bij het vooruitzicht op een openhartoperatie. Op de een of andere manier ben ik mijn witte jassenvrees kwijtgeraakt. De aanwezigheid, liefde en ondersteuning van Juliëtte heeft daar het meest mee te maken. Ik ben klaar voor de operatie en verheug me op de tijd erna, wanneer ik voluit kan ademen, bewegen en blij zijn, zonder uitgeput te raken.

Dan, twee dagen voor de operatie, krijg ik te horen dat ik een dag eerder geopereerd ga worden. Er is iemand ‘uitgevallen’ zoals de zaalarts het eufemistisch maar met een veelbetekenende blik aan me meedeelt. Ik heb gemengde gevoelens: blij dat het eerder kan en medeleven met de nabestaanden van de patiënt die niet meer geopereerd gaat worden. Iets wat wel vaker voorkomt op een afdeling van de cardiologie uiteraard, maar toch.

Morgen de operatie dus…

Naar deel 3