Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 3: openhartoperatie

Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 3: openhartoperatie

De dag voor de operatie zullen de chirurg en de anesthesist me komen vertellen wat ze de volgende dag gaan doen. De moed zinkt me in de pantoffels als een jongeman in witte jas aan mijn bed verschijnt en wat onzeker begint te hakkelen over de operatie. Juliëtte en ik kijken elkaar aan en ik neem een besluit. Net als ik hem wil onderbreken om te zeggen dat ik niet door hem geopereerd ga worden, vertelt hij dat hij assistent-arts is en dat de chirurg en anesthesist onderweg zijn om mij voor te lichten. Ik koester me in een ‘o gelukkig, ik schrok al’-momentje.

Even later stapt een jonge vrouw met een bos wilde krullen binnen. Ik ben benieuwd wie dat is. “Hallo,” zegt ze en geeft me een handdruk waar een blikslager jaloers op kan zijn. “Ik ben Aafke, thoraxchirurg in opleiding, en ik ga je morgen opereren.” Aafke straalt openheid en vertrouwen uit en ze komt op ons bekwaam over. Juliëtte en ik hebben geleerd op ons gevoel te vertrouwen en het eeuwige geneuzel van het verstand op cruciale momenten even naar de achtergrond te verbannen. Dit is typisch zo’n cruciaal moment. We vertrouwen mijn hart met een gerust hart voor een paar uren aan Aafke toe.

Om 12.30 uur op de dag van de waarheid word ik opgehaald door twee zusters, om naar de OK te worden gereden. Juliëtte mag meelopen tot aan de laatste klapdeuren voor de operatiekamers. Een vreselijk gezicht moet dat zijn: je vent die door de klapdeuren een riskante operatie tegemoet rijdt. Het doet een beetje denken aan de kist die langzaam wegschuift in een crematorium. Achteraf verneem ik van Juliëtte dat ze het inderdaad niet als een feestelijk moment heeft ervaren. Ik vond het in elk geval bijzonder moeilijk om haar daar achter te laten, zonder dat ze enig zicht had op wat er met mij ging gebeuren.

Faya sitong no brong mi so

De dames bedcoureur maken er werk van: met bloedstollende snelheid word ik een kamer binnengereden. Hier moet ik vanuit het bed op de operatietafel overstappen, die dan naar de operatiekamer wordt gereden. De OK-assistente Celia heeft een accent en ik vermoed dat het Surinaams is. Dat bevestigt ze desgevraagd en ik kwak een paar zinnen Surinaams die ik ken eruit. Ze begint te lachen en even later zijn we samen een Surinaams kinderliedje (wat ooit begonnen is als een slavenliedje) aan het zingen: ‘Faya sitong no brong mi so’. Heel gezellig allemaal en ik ben geen moment gespannen. Stef, de anesthesist, vertelt me wat hij me gaat toedienen en hoe dat zal gaan voelen, en de chirurg, Aafke, vraagt of ik haar wil vertellen wat er gaat gebeuren. “Als ik het goed heb begrepen,” zeg ik, “maak je een verticale incisie in mijn borst, en eentje in mijn onderarm of –been om daar een ader te lenen. Dan wordt mijn borstbeen verticaal doormidden gezaagd en de ribbenkast geopend, de ribben worden opzij gebracht om bij het hart te kunnen. Dan wordt een deel van het hart stilgelegd met zuignappen (octopusmethode) omdat je geen hart-longmachine gaat gebruiken, en ga je de ader uit mijn been of arm en eentje uit mijn borstholte gebruiken om de omleidingen op mijn kransslagader te maken. En dan alles weer netjes aan elkaar zetten en dichtmaken natuurlijk.” Het klopt helemaal en nu Aafke weer weet wat ze moet doen onderga ik al verder zingend met Celia de rest van de voorbereidingen, zoals infuus inbrengen en elektroden op hoofd en lichaam aanbrengen. Celia stopt even met zingen, geeft me een klopje op een stukje arm dat nog vrij is en zegt: “succes mi gudu, alles komt goed.” Ze verdwijnt zacht zingend uit mijn blikveld.

Salto achterover in de vergetelheid

Als het zover is, legt Stef een kapje los op mijn mond. “Voor wat extra zuurstof,” zegt hij. Ik mompel nog een paar noten met Celia mee: “Adjama sama, sa kiri suma pi tjien …” Dan zak ik weg in zalige vergetelheid. Geweldig om mezelf in slaap te zingen en ik geef me moeiteloos over; een salto achterover in het niets, in het luchtledige… ik voel me uitstekend. “Pa en opa even opzoeken straks,” kan ik nog net denken; dan is alles weg.

Dat ik mijn overleden vader en opa’s – en nog een paar anderen die geen aards lichaam meer bewonen – wil opzoeken heeft te maken met een langgekoesterde wens, namelijk te onderzoeken of er een vorm van bewustzijn te ervaren is op het moment van coma of narcose. Wanneer zich die gelegenheid voordoet althans, dus nu. Mocht die vorm van bewustzijn er zijn en kan ik die ervaren, dan lijkt het me geweldig om te kijken of ik kan aanhaken bij het collectief: het grote al-wat-is-bewustzijn, en van daaruit contact kan krijgen met individuele stukken bewustzijn, zoals die van overledenen. Indien en mits en eventueel en als dan et cetera: daarom wil ik het ook graag onderzoeken natuurlijk, omdat ik er niets van weet en al decennialang niet meer vertrouw op subjectief geblaat of de semi-wijze vragen als: “Wie is het die dit ervaart?” van zelfbenoemde verlichten. Mijn wens is dat ik het zelf ervaar: boeken napraten heeft geen enkele zin.

Een vreemde wens, ik weet het: ik had ook een nieuwe auto kunnen vragen of een basgitaar, maar mijn voorkeur gaat nou eenmaal uit naar het onmogelijke, zo blijkt. Want alle voornemens ten spijt weet ik helemaal niets van de periode dat ik in narcose was: ik ben dat stukje tijd volkomen kwijt. Die basgitaar heb ik overigens later alsnog van Juliëtte gekregen omdat ik zo flink ben geweest in het ziekenhuis en bijna niet heb gehuild, maar daarover later.

Een spelletje Hints

Ik doe het kalmpjes aan met ontwaken uit de narcose. Om 17.15 uur was de operatie klaar en om 23.00 begin ik pas wakker te worden: ik haal alles uit de narcose wat erin zit. Het slavenliedje waarmee ik in slaap viel is reeds lang uitgezongen en niet meer in mijn waarneming aanwezig. Chirurg Aafke zit waarschijnlijk thuis te ontspannen na een lange dag opereren, Celia neemt al neuriënd een wijntje en Stef kijkt een leuke film thuis.

Het eerste wat ik hoor is de stem van Juliëtte, die vertelt waar we wonen. Ik probeer uit te leggen dat ik me dat nog prima herinner, maar ik kan niet praten. Juliëtte heeft het trouwens niet eens tegen mij, maar tegen de Intensive Care-verpleegkundige die enthousiast reageert: zij gaat binnenkort trouwen in onze woonplaats. De verpleegkundige – Rieneke – ziet dat ik wakker word (waarschijnlijk aan de hele rits kastjes, lampjes, bliepjes en piepjes, meters, slangen en apparaten waaraan ik vastgebonden lig en zegt: “Ik zit gezellig met je vrouw te praten hoor.” Ik knik en doe mijn ogen open. Ik kijk recht in het gezicht van Juliëtte die me heel bezorgd aankijkt: ik schiet bijna in de lach van opluchting. Ze is er en het gaat goed met haar, dat is het enige wat voor mij telt.

Rieneke babbelt ondertussen nog wat door. Ik kan niet praten omdat ik nog aan de beademing lig. Als ik helemaal zelfstandig adem mag de slang eruit, wordt me verteld. Ik breng mijn hand naar boven – terwijl ik me verbaas over al die slangen en verbanden die mee omhoog gaan – en houd mijn duim en wijsvinger een stuk van elkaar; Rieneke en Juliëtte kijken gespannen toe. Dan beweeg ik mijn duim en wijsvinger langzaam (sowieso gaat alles tergend langzaam) naar elkaar toe en weer van elkaar af. Dat herhaal ik een paar keer en wijs dan op mezelf. Voor mij is de gebarentaal zo klaar als een klontje: “Haal die slang er maar uit want ik kan zelf wel ademen.”

“Harder of zachter?” vraagt Juliëtte. Ik schud nee en heb onmiddellijk spijt: mijn hersenen rollen als losse biljartballen door mijn schedel. Weer maak ik het gebaar met duim en wijsvinger en wederom wijs ik op mezelf. Tweede woord, eerste lettergreep, vier letters.

Door een kudde nijlpaarden genomen

“Dorst? Een beetje drinken?” vraagt Rieneke. Ik geef de moed op en val volkomen uitgeput in slaap. Ik zal moeten wachten tot ik weer wakker ben en daadwerkelijk zelf adem. Dat is na een tijdje. De slang mag eruitgehaald worden. Ik wordt stevig tussen Rieneke en een andere verpleegkundige ingeklemd. Heel stevig zelfs, en dat is maar goed ook, want het uittrekken van de beademingstube is geen pretje en ik heb de neiging om al stikkend en kokhalzend twee verpleegkundigen om te gooien. Gelukkig zijn ze prima getraind in het hanteren van platgespoten, zwakke en traag spartelende patiënten en maak ik geen schijn van kans. Een paar benauwde seconden later is de tube eruit en kan ik vrij ademen: heerlijk. Ik begin gelijk met een stem als een cementmolen te ratelen tegen Juliëtte: “Is alles goed met je? Gaat het wel?” Ze schieten in de lach omdat ik degene ben die geopereerd is, maar dat boeit me niet. Juliëtte is voor mij het belangrijkste: altijd. Ze knikt en ik ontspan. Dan is alles goed.

Er volgt nog een kokhalsmomentje omdat er een of andere sonde niet helemaal goed in mijn maag en slokdarm zat, maar dan is het klaar en kan ik uitrusten van het slapen.

“Hoe voel je je op dit moment?” vraagt Rieneke.

“Alsof ik door een kudde nijlpaarden ben genomen,” rochel ik.

Dat schijnt vrij normaal te zijn na zo’n operatie, al had Rieneke het nog niet eerder op die manier horen omschrijven, vertelt ze. Ik weet uiteraard ook helemaal niet hoe dat voelt met die nijlpaarden: het was maar bij wijze van spreken. Toch valt de pijn wel vol te houden: door de verdovingen is het een min of meer afstandelijke sensatie.

Juliëtte gaat weg om een paar uren slaap te pakken en ik ben ook wel weer aan een dutje toe; luie donder dat ik er ben. Het is heerlijk stil op de IC, ik krijg morfine toegediend – wat mij helpt ontspannen – en de verpleegkundigen houden me goed in de gaten.

Alfamannetje

Op een gegeven ogenblik word ik wakker en kijk recht in de ogen van een wolf, die op mij zit, met zijn voorpoten op mijn borst. Hij weegt ergens tussen de zestig en zeventig kilo maar ik heb daar wonderwel geen last van. Ernstig kijkt hij me aan met zijn felle, mooie ogen. Het is een mannetje, een alfa en ik ruik zijn wilde buitenlucht. De warmte van zijn lichaam en de druk van zijn gewicht, het geluid van zijn adem en zijn intense blik geven me een geweldig geborgen, veilig gevoel. Alsof hij over me waakt. Ik ben me bewust van wat morfine met een mens kan doen, maar geniet desondanks van de levensechte sensatie. Als dit een waan is, doe mij er dan nog maar een paar. Ik val weer in slaap: de wolf bewaakt me. Misschien heb ik ‘m aangetrokken met de tatoeage op mijn arm: een wolf.

Date met de dood

Ergens in die eerste nacht word ik opnieuw wakker. De wolf is vertrokken. Ik bemerk wat toegenomen activiteit links van me. Er hangt een gordijn dus ik kan niet veel zien, maar ik merk wel dat er veel spanning heerst. Even later zie ik wat mensen die kant op snellen en wordt het nog wat drukker. Als ik zie dat een van de verpleegkundigen om een hoekje van het gordijn naar me staat te kijken, wuif ik even met mijn hand om aan te geven dat het goed met me gaat. Hij knikt me toe en wuift terug. Hij blijft me goed observeren. De volgende dag vraagt de ochtendverpleegkundige , Chiel, of ik nog iets heb meegekregen van de nacht. De toon waarop hij het vraagt bevestigt mijn vermoeden en ik zeg; “Als je bedoelt of ik gemerkt heb dat mijn buurman of – vrouw het niet heeft gehaald: ja dat heb ik meegekregen.” “We hebben hier uitstekende voorzieningen in het ziekenhuis,” zegt Chiel. “Als je hier iets over kwijt wilt, of anderszins ergens moeite mee hebt, geef het dan aan.” “Dank je wel,” zeg ik. “Ik heb geen enkel probleem met de dood, met alle respect en medeleven voor de nabestaanden natuurlijk, maar ik heb nergens last van.” Wel mooi dat het zo goed geregeld is allemaal. En wat een prachtig beroep hebben deze mensen!

Chiel frist me lekker op – ik kan zelf nagenoeg niets – en schoon en fris mag ik naar de verpleegafdeling. Intensieve zorg is niet meer nodig – ik heb het overleefd. Ik ben me erg goed bewust van wat er is gebeurd en de boodschap die daar voor mij in zit. De patiënt vóór me overleed en de patiënt na mij ook. Ik heb een date met de dood gehad en die heeft beslist: ik blijf leven. Tijd voor een evaluatie. Die wijst uit dat ik een stuk meer zin heb in het leven dan voorheen. Alleen dat is al vette winst. Die operatie kon wel eens meer impact hebben dan ik aanvankelijk dacht.

Op naar de afdeling, waar mij nog veel meer hilarische en ontroerende avonturen staan te wachten; al was het maar vanwege het morfinepompje met mogelijkheid tot zelf doseren, dat ik heb gekregen van Chiel en dat ik nooit meer ga teruggeven. O nee; beslist niet!

Naar deel 4