Waarom mijn hart naar de zorg uitgaat deel 4: Postoperatieve prikkels

Terug op de verpleegafdeling word ik verpleegd, verzorgd, in de watten gelegd, in de gaten gehouden, gesedeerd, verdoofd, gevoerd, gewassen.

Gelukkig duurt dat niet lang: na twee dagen mag ik zelfstandig douchen, met de nodige voorbereidingen: we willen immers niet dat de wonden opengaan of infecteren; de verbanden doorweken, de infuusgaten vollopen en wat dies meer zij. Nee, dat willen we niet dus ik houd mij braaf aan de instructies.

En dan dat gevoel: helemaal alleen onder de douche met de schuifdeur gewoon dicht. Nou ja: op een kiertje want ik heb de verpleegkundige beloofd dat ik zou roepen als er iets niet goed gaat. Even boven de vloer is een draad bevestigd langs alle wanden van de badkamer zodat ik ook als ik er even bij kom te liggen alleen maar aan het touwtje hoef te trekken om hulp binnen te halen. Gelukkig gaat alles goed, hoef ik niet liggend te douchen en wat is dat lekker zeg, na alle verzorging – hoe vakkundig en liefdevol ook.

Vervlaving

Na de operatie moet ik nog een paar dagen in het ziekenhuis blijven, totdat de artsen en verpleegkundigen er redelijk zeker van zijn dat er geen ernstige complicaties zijn, zoals infecties, verwarring na de narcose of ander ongemak. In die paar dagen heb ik alle gelegenheid en tijd om te ervaren hoe het is om overgeleverd te zijn aan anderen. Ik kan erg weinig de eerste tijd. Ik ben slap, misselijk, versuft. Door de medicatie heb ik geen trek in eten terwijl mij meerdere keren per dag op het hart (!) gedrukt wordt dat ik stevig moet eten om te genezen. Dat is wel een dilemma. De voedingsassistente raadt me aan om het eens met een bakje vanillevla te proberen: iets wat ik anders nooit eet. Ik probeer het en wonderwel houd ik het binnen. Ook knap ik er in vrij korte tijd aardig van op, dat is een opsteker. Een kleine en redelijk onschuldige verslaving is geboren: de ‘vervlaving’. Ik eet het nu nog regelmatig.

Verder moet ik opnieuw leren om diep in te ademen. Dat doet pijn, dus de neiging om oppervlakkig te ademen is sterk aanwezig. Ook zit er vocht bij mijn longen – wat normaal is bij een thoraxoperatie – waardoor ik een rochelende, reutelende ademhaling heb: vrij duidelijk hoorbaar en ook wel lastig. Dat moet allemaal bijtrekken, opgehoest worden, verdampen en wat er ook maar nodig is om weer diep en ontreuteld te kunnen zuchten over zoveel moois in het leen.

Moordzucht

De eerste paar dagen na de operatie deel ik een kamer met Ruben, een jongeman van 24 jaar, die vanwege hartproblemen een pacemaker heeft gekregen van de dokter. Ruben heeft ADHD en nog wat problemen en weigert daar medicatie voor te gebruiken. Dat is uiteraard zijn goed recht en ik juich iedere vorm van autonomie ten zeerste toe. Het probleem is echter dat ik niet kan slapen – of anderszins tot rust kan komen – door de aanhoudende drukte naast me. Ruben praat, schreeuwt, bonkt, rammelt, ritselt, schuift, beweegt, trappelt, kreunt, steunt, huilt, lacht, bidt en bewondert aan één stuk door. Vierentwintig uur non-stop. Overdag en ’s nachts dus. Na twee dagen ben ik volkomen uitgeput, en ik was al niet erg fit zo vlak na het opereren. Het heeft geen enkele zin om Ruben te vragen rustig aan te doen: het is een vriendelijke jongen en hij wil zijn best wel doen. Alleen kan hij niet stil of rustig zijn. Ook als hij bezoek heeft – elke dag de volle bezoektijd – praat hij aan een stuk door; niemand komt ertussen. De paar momenten dat ik even op adem kan komen van alle lawaai is wanneer hij elders gaat roken, en gelukkig rookt hij vrij stevig.

De behandelingen die Ruben noodgedwongen moet ondergaan, zoals het verwisselen van verband en andere wondverzorging, verlopen niet zonder slag of stoot. Ieder mens heeft een eigen pijngrens en ik krijg de indruk dat die van Ruben aan de lage kant is. Zelfs de bloeddruk opmeten bezorgt hem ondraaglijk veel pijn, zo lijkt het. De verpleegkundige die de pech heeft zijn verband te moeten vervangen kan rekenen op een lange stortvloed van scheldwoorden, kreten van helse pijn en gevloek, alsmede veel dingen die door de ziekenkamer vliegen. Sussende woorden, streng toespreken, bemoedigend troosten: het haalt allemaal niets uit. Het ene “AUWAUWAUWAUW!! KUT!!! GODDOMME NOG AAN TOE DAT DOET PIJN VERDOMME KUT KUT AUWAUWAUW” is nog niet weggestorven, of het volgende koffiekopje vliegt in scherven tegen de muur te pletter. Om vervolgens, na een paar seconden rust te horen:

“Ik ben geen watje hè, dat jullie dat niet denken!”

Als Juliëtte er is, zet ze me in een rolstoel en gaan we zoveel mogelijk ergens anders in het ziekenhuis zitten, want op de kamer waar ik lig kunnen we elkaar niet verstaan: elk geluid wordt overstemd door Ruben. Het zitten in een rolstoel is een marteling, maar ver te verkiezen boven de overprikkeling in de ziekenkamer. Een aantal malen vraag ik aan verschillende verpleegkundigen of ik ergens anders kan logeren, maar het is erg druk op de afdeling en er is geen lege plek. Zul je net zien.

Ik sluit me op in een soort meditatieve toestand om het te kunnen uithouden, en zegen geheel volgens de spirituele beginselen Ruben, het ziekenhuis en de medewerkers, maar voel toch een soort moordzucht in mezelf ontstaan, die per uur groeit. Dat gaat mis als er niet gauw iets gebeurt.

De visiteronde

Gelukkig lost Ruben het zelf voor me op. ’s Ochtends komen de zaalarts en een heel team van verpleegkundigen, arts-assistenten, artsen in opleiding en nog wat anderen – meestal zo’n zes personen – bij alle patiënten kijken, vragen stellen en de genezing of het gebrek daaraan vaststellen: de visiteronde.

Na twee doorwaakte nachten en dagen zie ik eruit als een spook – en ik was al niet op mijn best – stoot korte, gejaagde zinnen uit (ik moet telkens een adempauze van Ruben afwachten om me verstaanbaar te kunnen maken) en zie tot mijn genoegen dat de zaalarts en zijn team regelmatig fronsend naar het bed naast me kijken vanwege het rumoer. Het verlossende hoogtepunt volgt wanneer Ruben uit zijn bed en in zijn kleren stapt, zijn pakje sigaretten van de vensterbank pakt en de kamer verlaat. Daarvoor moet hij tussen het visiteteam en het voeteneind van mijn bed doorlopen. Aan dat voeteneind hangt een rek met patiëntendossiermappen, wat apparatuur en nog wat kostbaar spul. Ruben heeft flink de pas erin en schat de breedte van de doorgang iets te optimistisch in. Zijn knie stoot tegen het rek, dat losschiet en met daverend geweld door de ziekenkamer klettert. Het geeft een hels kabaal. De dossiers, apparaten en ander medisch gerief liggen wijd verspreid door de ruimte. Ruben zelf lijkt het niet helemaal mee te krijgen en verlaat met een mix tussen mompelen en kreunen de kamer. De zaalarts, die net opmerkte dat hij mij nog erg versuft en moe vond overkomen, kijkt mij verbijsterd aan.

“En dat is de reden,” zeg ik tegen hem. “Dat ik nog geen kwartier ononderbroken heb kunnen slapen na de operatie en derhalve enigszins vermoeid overkom.”

Ineens blijkt er toch een kamer vrij te zijn, waar ik zuchtend van opluchting mijn intrek mag nemen. Wat eerst onmogelijk leek, is nu in drie minuten geregeld. Ruben komt na zijn sigaretje even om het hoekje kijken.

“Jammer dat je weg bent,” zegt hij. “Maar het is voor beide partijen wel goed. Je rochelt nogal en daar kon ik slecht van slapen.”

“Blij dat ik je van dienst kan zijn, Ruben,” reutel ik. Daarna zink ik weg in gelukzalige bewusteloosheid: eindelijk slapen. Als ik wakker wordt, zit Juliëtte naast mijn bed te lachen. Ik vraag wat er zo leuk is. “Dat je voormalige kamergenoot nog leeft,” zegt ze. “Je bent echt verzwakt hè?”

“Ik ben geloof ik een watje aan het worden,” zeg ik.

Twee nieuwe vrienden

Ik maak ook vrienden in het ziekenhuis: het hoestkussen en de morfinepomp. Het hoestkussen is een kussensloop met twee opgevouwen handdoeken erin, waardoor een stevig pakketje ontstaat. Dat pakketje is bedoeld om tegen mijn borst te duwen als ik hoest, lach, nies of anderszins versneld adem. Al die verschijnselen zijn erg pijnlijk en de tegendruk van het hoestkussen vangt die pijn enigszins op.

Het moment dat het kussen zijn diensten het meest bewijst komt die avond als Juliëtte smaakvol vertelt over iemand die ze in de supermarkt tegenkwam; een oude vrouw. Die liep met haar winkelwagentje door het gangpad van de winkel waar Juliëtte ook net boodschappen deed, en bleef ineens midden in het pad als door de bliksem getroffen staan. Her en der draaiden mensen zich naar haar toe om te zien waarom de vrouw zo plotseling verstijfde. Direct daarna stiet ze een angstaanjagend geluid uit, dat het midden hield tussen “EKKH!” en een soort oerkreet alsof ze een stomp in haar maag had gekregen. Iedereen in de supermarkt op gehoorafstand schrok, vertelt Juliëtte; en wachtte in angstige spanning op het verloop. Zou de oude dame in kwestie een hartinfarct hebben? Kreeg ze een epileptische aanval? Moest 112 al gebeld, of toch even wachten tot er meer informatie beschikbaar was? Kortom: men wist het niet. Toen tilde de vrouw langzaam haar arm omhoog en begon naar iemand verderop te zwaaien. Ze zag gewoon iemand die ze kende en dit was haar manier van begroeten. Daarna winkelde ze rustig verder.

Natuurlijk had je erbij moeten zijn om te weten hoe grappig het was, maar de wijze waarop Juliëtte het vertelt en de geluiden nadoet, maken dat ik de slappe lach krijg. De pijn schiet in felle scheuten door mijn bovenlijf en ik moet nog harder lachen als ik wanhopig achter me graai om het hoestkussen te pakken en tegen mijn borst te duwen. Het is werkelijk geen gezicht: ik met paars aangelopen kop en een kussentje tegen mijn borst geduwd, steeds harder rochelend. Juliëtte wordt aangestoken door mijn gereutel en dan zitten we samen met de slappe lach. De tranen lopen me langs de wangen van het lachen en de pijn. Er wordt een nieuwe patiënt binnengereden: een oudere dame, die ons blij glimlachend toeknikt vanuit haar half zittende houding in het ziekenhuisbed. De zusters die haar binnen brengen kijken verbaasd naar ons geschater (van mij was het meer een grommend gereutel) en schieten dan ook in de lach. Een voedingsassistente die komt vragen wat we allemaal graag willen drinken, kijkt even naar ons en lacht dan ook mee. De hele kamer ligt op een gegeven moment in een deuk en bijna niemand weet waarom. Dat zorgt ervoor dat ik helemaal niet meer bijkom; een soort zichzelf versterkend mechanisme. Ondanks de pijn werkt dit genezend, en vanaf dat moment heet mijn vriend proestkussen.

De pretpomp

De andere vriend in het ziekenhuis is de morfinepomp die ik van Chiel, de IC-verpleegkundige heb gekregen. Het is een bijzonder vernuftig vervaardigd apparaatje van kunststof, met maar één knop: een grote blauwe. Het ding is verbonden met mijn infuus en nog wat andere apparaten. Als ik op de knop druk, krijg ik extra morfine in het infuus, wat versuffend, pijnstillend en in mijn geval ook hallucinerend werkt. Echt een vriend dus en ik ben er enorm blij mee.

“Je kunt niet overdoseren,” heeft Chiel me uitgelegd. “na een aantal doses is de pomp automatisch geblokkeerd. Na een tijdje begint er dan een ledlampje te branden om aan te geven dat er weer een dosis toegediend kan worden. Wij zien hoe vaak je op de knop drukt, dus ook als je drukt nadat de maximale dosering al gegeven is. Zodoende kunnen wij bijhouden of je meer pijn dan gewoonlijk hebt.”

Ik vind het geweldig en maak er dankbaar gebruik van. Naast de versuffing en de pijnstillende ervaring geniet ik ook volop van de hallucinaties. In de paar dagen dat ik morfine krijg, zie ik prachtige landschappen, wolkenpartijen en dieren – heel veel dieren. Vooral hertjes, die vrolijk huppelend met hun witte bipsjes door de ziekenkamer dartelen en mij lekker afleiden van de ongemakken. Af en toe heb ik de neiging om aan een arts of verpleegkundige – die altijd wel iets te morrelen hebben aan mijn lijf – te vragen of ze even aan de kant willen gaan omdat er net een lief, klein hertje niet langs kan zo. Ik kijk wel uit om het hardop te zeggen: morfine versuft en leidt tot wanen, maar het blokkeert het gezonde verstand niet. Als ik dat vraag, krijg ik waarschijnlijk een alternatieve manier van pijnstilling en ben ik mijn vriendjes de bosbewoners kwijt. Om nog maar de zwijgen van mijn vriend de morfinepomp die dan in beslag wordt genomen. Ik houd dus wijselijk mijn mond en geniet van Bambi en zijn vriendjes zolang het kan.

Dat de pijn ook een stuk draaglijker wordt, is mooi meegenomen natuurlijk.

Hannie

Hannie, de dame die mijn nieuwe kamergenoot is en die wij zo smakelijk lachend welkom heetten, is 75 jaar. Ze heeft een paar operaties achter de rug waarbij een en ander is misgegaan. Vooral de laatste narcose heeft haar geen goed gedaan, vertellen zij en haar man, die op bezoek is. De hertjes kunnen er allemaal gemakkelijk langs en draven vrolijk de kamer rond, Ruben ligt veilig een paar kamers verderop – zo af en toe hoor ik hem vanuit de verte nog vloeken – dus een rustig gesprek is prima mogelijk, wat een verademing is. Hannie kwam destijds niet goed uit de narcose en heeft een hersenbeschadiging opgelopen. Daardoor heeft ze een jaar niet samenhangend kunnen praten en moest een lange, zware therapie ondergaan om alles weer enigszins op een rijtje te krijgen. Nu is ze weer verstaanbaar en komt haar geheugen ook langzaam weer enigszins op orde.

Als we zo naar haar luisteren, beseffen Juliëtte en ik hoeveel geluk ik heb met mijn operatie die feilloos is verlopen, inclusief de narcose, en we kijken elkaar even in dankbaarheid aan. Hannie is begrijpelijkerwijs nogal angstig voor een volgende operatie, die helaas dringend nodig is om wat fouten van de vorige operatie te herstellen. Ik leef met haar mee en zeg dat ze me wakker moet maken als ze er iets over kwijt wil ’s nachts.

Het is ontroerend om te zien hoe de verpleegkundigen en artsen hun uiterste best doen om Hannie gerust te stellen, zonder haar iets voor te liegen. Ja, het is een riskante bedoening, dat opereren, maar ze is in handen van de beste specialisten en iedereen doet zijn uiterste best. Ook haar angsten worden goed opgepakt en met een mix van aandacht, liefde en enige chemische ondersteuning heeft Hannie een rustige nacht, en ik dus ook.

’s Morgens wordt Hannie voorbereid op haar operatie en zuster Minke gaat haar douchen. De badkamerdeur staat op een kier en op een gegeven moment hoor ik zuster Minke praten.

“Lekker warm zo? Niet té?”

“Heerlijk,” zegt Hannie. “Precies goed hoor. Dank je wel.”

“Fijn,” zegt Minke. “Wat hebt u trouwens een leuke, kleine teentjes; is u dat wel eens opgevallen?”

“Ach gut,” zegt Hannie. “Nu je het zegt, nee; dat is me nooit opgevallen. Grappig eigenlijk hè?”

Ze schieten beiden in de lach. Ik lig in mijn bed zachtjes te janken van ontroering om de liefde en aandacht waarmee een verpleegkundige zo’n angstige, oude dame door een moeilijke tijd heen helpt.

Naar huis

Later die ochtend komt het visiteteam me vertellen dat ik naar huis mag. Ik ben dolgelukkig en bel Juliëtte die me komt halen. Nu kan de genezing volop verder, al komen er nog een paar kleine hobbeltjes op de weg naar volmaakte gezondheid.

Ik neem – met een grote zak medicijnen voor thuis – afscheid van iedereen en stap onwennig in de auto. Alles doet pijn, het licht is te fel, het kotsen staat me nader dan het lachen, ik voel me totaal vervreemd van de buitenwereld en thuis kan ik maar moeilijk wennen aan de rust en het comfort.

Ik ben gehospitaliseerd, al heb ik dat nog niet direct in de gaten.

Naar deel 5