Je klant wegjagen doe je zo:

Je klant wegjagen doe je zo:

by Ed

Naast het bemoeilijken van de procedure om je te kunnen afmelden voor een nieuwsbrief is de negatieve optie een van de ergernissen die regelmatig worden vermeld in internetland.

Negatieve optie?
Negatieve optie houdt in dat je ongevraagd ergens voor bent ingeschreven (nieuwsbrief, actie, onderzoek, et cetera), en als je dat niet wilt, je daarvoor actie moet ondernemen. Wat aanvankelijk wellicht een slimme truc lijkt om belangstellenden/bezoekers/klanten te werven, blijkt al snel een probaat middel te zijn om je bedrijf om zeep te helpen. Je klanten onderschatten is ronduit dom.

Een voorbeeld uit de praktijk: in mijn jonge jaren (opa vertelt…) heb ik een tijdje als verzekeringsagent gewerkt en dat als een leerzame periode ervaren. Voordat ik aan het werk mocht, kreeg ik een interne opleiding. Tijdens die opleiding werd mij een aantal dingen verteld:

  • de klant is onwetend, zwak en hulpeloos
  • je moet de klant angstig maken, zodat hij jouw verzekering wil kopen
  • om klanten te krijgen moet je jezelf opdringen
  • maak het de klant moeilijk om ‘nee’ te zeggen
  • neem geen genoegen met toch een eventueel ‘nee’

En nog een paar dingen. In het kort kwam het erop neer dat ik een kaartje naar de potentiële klant moest sturen (e-mail was er nog niet toentertijd) met de tekst: “aanstaande donderdag om 19.30 uur kom ik bij u om de map met verzekeringspolissen door te nemen. Als u dit niet schikt, belt u me dan voor het verzetten van de afspraak.”

Eenmaal bij de klant moest ik koffie accepteren, ook wanneer ik die niet hoefde, de polismap doorspitten en alle verzekeringen van concurrenten meenemen onder het motto; “U hoeft niets te doen, ik zorg dat deze polissen worden opgezegd en dan krijgt u bij ons alles in één, en nog veel voordeliger ook.” Onderstreept met een snel rekensommetje uiteraard.

De klant bang maken
Daarna moest ik de klant bang maken met statistieken over leeftijden en sterftecijfers, in welke kleine hoekjes de ongelukken allemaal zaten en wat er van sommige gezinnen verwerd wanneer vader plotseling kwam te overlijden terwijl hij had verzuimd zich goed te verzekeren (doffe ellende en schrijnende armoede!).

Ik heb dit precies één keer gedaan en ben er een paar dagen beroerd van geweest: ik voelde me een monster. Na die paar dagen heb ik de klant opgebeld, een en ander uitgelegd, mijn excuses aangeboden en gevraagd wat ik werkelijk voor hem kon doen. De goede man is klant gebleven gedurende de twee jaar dat ik als verzekeringsagent werkte en ging met me mee toen ik overstapte naar een ander bedrijf. Ik heb daar een belangrijke les van geleerd.

Voor de goede orde: er bestaan prima verzekeringsmaatschappijen. Het voorbeeld hierboven gaat over een destijds jonge maatschappij die na een paar jaar over de kop ging. Je kunt hierbij denken aan hypotheken, levensverzekeringen, lijfrentes en pensioenen.Ik ga geen namen noemen.

Telemarketing
Ik haal dit voorbeeld er graag bij wanneer ik een telemarketer aan de telefoon krijg of een marketingmail/nieuwsbrief waar ik me niet voor heb ingeschreven in mijn postvak. Ik heb er één simpel antwoord op: donder van mijn bandbreedte af. Ik geef daarbij wel grif toe dat dat een nogal directe wijze van uitdrukken is.

Mijn tip: doe het nooit. Maak het zo aantrekkelijk mogelijk voor je (potentiële) klanten om je nieuwsbrief te ontvangen, je producten/diensten te verkrijgen maar verlaag je niet tot die goedkope, ordinaire dwingelandij die negatieve optie heet: het is gewoon een te negatieve optie die je uiteindelijk je bedrijf kost.

Klein ongemak: Het open toilethokje

Klein ongemak: Het open toilethokje

by Ed

Regelmatig vraag ik me af wat iemand in vredesnaam heeft bezield om iets uit te vinden. Een van die ‘ietsen’ is het open toilethokje: een rechthoekige, kleine ruimte waarvan de muren niet tot aan het plafond reiken en met een halve deur die een halve meter van de vloer begint, zodat je keurig van buitenaf in elke bezette wc een paar schoenen of laarzen met een afgestroopte broek ziet. Met wat geluk zie je er nog een onderbroek bij gepropt: waar laat je zoiets anders?

Ik vraag me dan af wat degene die beslist dat er toiletten in die uitvoering geplaatst worden in een gebouw, heeft gedacht op zo’n moment. Het enige wat ik kan bedenken is dat het op die manier lastig is om ongemerkt drugs te gebruiken op het toilet.

Voor de rest is het een irritant ongemak waar eigenlijk verlichting geboden zou moeten worden. Je loopt zo’n hok binnen, sluit het halve deurtje achter je en kijkt net niet over het halve muurtje naast je de buurman in het gezicht. Ongemakkelijk.

Geluiden en alles
Wat ook ongemakkelijk is, zijn de geluiden die bijkans onvermijdelijk zijn. Of je nou een kleine of grote boodschap doet: er is bijna altijd geluid bij. Een straaltje urine daar, een plonzend ontlastinkje hier, een te lang opgehouden windje als voorganger… er komt praktisch altijd wat geluid bij. En dan kun je kuchjes of zelfs hele hoestbuien voorwenden, gaan fluiten, neuriën of heel hard met een plastic tas gaan ritselen: een goede wind laat zich niet overstemmen. Alsof je roept: “Ja, ik weet dat het duidelijk is dat je iets moet doen als je naar de wc gaat, maar ik wilde het toch nog even onderstrepen met wat geluid; zodat er geen misverstanden over ontstaan.”

Over dat onderstrepen heb ik het nog wel eens, maar hier gaat het dan om geluid dat men liever niet maakt, of in elk geval niet wil dat anderen het horen.

Een tijd geleden maakte ik het weer mee in een openbare gelegenheid: even voor een plas naar de toiletten: hokje in (ik ben niet zo’n man die gezelig op een rijtje met anderen in de pisbak staat te mikken) en vlak daarop betrad iemand het hokje naast me. Aan het gesnuif, gerammel en geritsel (ook van kleding) te horen had hij haast. Daarna korte stilte en daarna de pijn: hij had mij natuurlijk horen plassen en wist dat hij niet alleen zat. Maar de drukte van binnenuit nam kennelijk toe want na de obligate voorwind en nog wat loos gepruttel klonk er een flinke plons en nog een klein piepje waarvan ik niet zeker weet of het een uiting van ’s mans ongemak was of een iets te scherp aangeknepen scheetje – het is allemaal zo pijnlijk menselijk.

Doodse stilte
En daarna die doodse stilte. Je hoorde ‘m bijna bidden: “Ga alsjeblieft weg: ik heb al genoeg lawaai gemaakt dat je kon horen. Trek door en vertrek, zodat ik mijn kont kan afvegen en wachten tot je uit de toiletruimte bent, zodat je mij niet in het gelaat hoeft te kijken en denken: “Nou, dat was nog een beste joekel. Flink pijn gedaan zeker?”

Dat ongemak dus. Het moet wel een enorme calvinist zijn geweest die dat soort wc-ruimtes bedacht heeft.

Smikkeltaria

Smikkeltaria

by Ed

Het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo liefdevol en plichtsgetrouw runde keek na jaren van geoliede ervaring niet zo snel meer ergens van op. Zo ook niet toen op een regenachtige donderdagmiddag een man binnenkwam, gekleed in een te krap colbert en een terlenka broek met hoogwaterpijpen en glimmend gesleten zitvlak. Er kwamen wel vaker mannen met hoog water binnen, of met een krappe colbert, en zeker ook wel eens op een regenachtige donderdagmiddag. Maar een man met hoog water én een te krappe colbert: die zagen ze niet vaak. Zeker niet op dondermiddag en al helemaal niet als het ook nog eens net op dat moment regende.

Daar kwam bij dat de vrouw van het echtpaar van Cafetaria Zuid vermoedde dat de man bij het opstaan na een wat langduriger zit met zijn terlenka op een glad gelakte, houten zitting een bepaalde mate van broekwalm prijsgaf, zoals men dat wel zag bij vertegenwoordigers en een zeker slag kantoorbedienden. Men kon er gevoeglijk van uitgaan dat sommige mensen eerder de door de wat meer hygiënisch ingestelden zo gevreesde en node vermeden broekwalm – in de wat meer naar het noorden gelegen streken ook wel kruisdamp genoemd – ten beste gaven dan anderen. Een en ander hing – naast persoonlijke hygiëne – tevens af van aanleg, erfelijke belasting en nog wat zaken. Zo hadden meer mannen er last van dan vrouwen, en zeker de mannen die bij het minste geringste teken van broeierig weer kampten met de eveneens hinderlijke plakzak. Indien juist zij daarnaast een zekere vorm van broekwalm hadden, was dat meestal van dien aard dat omstanders er daadwerkelijk last van hadden.

Toch keken ze niet echt op van de binnenkomst der terlenka-klant; de man en de vrouw van het echtpaar van Cafetaria Zuid. Ze zagen wel eens vaker wat en als je overal een punt van maakte, hield je geen tijd meer over om fijne en exquise snacks voor je cliënten te bereiden en serveren.  Derhalve bleven de man zowel als de vrouw van het echtpaar dat Cafetaria Zuid uitbaatte rustig in de hen zo vertrouwde frituurstand staan; hij de blik peinzend naar buiten gericht, een hand op de toonbank; zij starend naar de frituur, frommelend met een theedoek.

“Een enorm goede middag gewenst, luitjes,” riep de terlenka-man, zodra hij de toegangsdeur van Cafetaria Zuid onder het ongemotiveerde en enigszins slap gerinkel van de bel, die boven diezelfde toegangsdeur was bevestigd en die al jaren de komst van de volgende snacker aankondigde, was gepasseerd. Deze wat olijke begroeting werd met een nasale, doordringende en te luide stem gegeven, en de vrouw zowel als de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo ingetogen wist vorm te geven wisselden een snelle blik; leerde hen de verkopers kennen; ze zagen ze van een kilometer afstand aankomen. Het bleef echter bij die blik: de hoogwaterbezoeker – te zeer met zichzelf ingenomen om de steelse uitwisseling tussen het echtpaar van Cafetaria Zuid op te merken – hees zich op een van de barkrukken voor de toonbank en leunde vertrouwelijk naar voren; zijn ellebogen op het glanzend en zojuist door de vrouw van het echtpaar schoongewreven formica.

“Mooie zaak hebt u,”

“Dank u,” zei de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid. “Wat mag het wezen?”

“Een kop koffie. Kan dat?”

“Uiteraard. Een kop koffie voor meneer.” De man van het echtpaar richtte zich op, keek even naar zijn vrouw die al in de weer was met een een kop en schotel, lepeltje en koekje.

“Had meneer het op prijs gesteld warme, schuimig geklopte melk bij de koffie te krijgen?”

“Nee, dank u. Ik heb mijn koffie graag zwart en heet, net als… u weet wel.” De man lachte en maakte een handgebaar.

“Nee,” zei de man van het echtpaar. Hij lachte niet mee. “Ik weet het niet. Desalniettemin wordt het zwarte koffie. Vers, want pas gezet.”

Na deze voor hem nog vrij uitgebreide respons nam hij zo terloops de frituurstand terug aan, dat het zelfs hemzelf ontging.

De koffie werd geserveerd zoals Terlenka hem had besteld: zwart en heet, en zoals de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde had beloofd: vers, want pas gezet. De klant sipte voorzichtig aan het kopje met de hete koffie met het kenmerkende gesis van iemand die gewend is hete koffie te krijgen en zich derhalve niet laat verrassen, en die lucht begint te zuigen alvorens de daarachter vloeiende scheut hete koffie de lippen te laten passeren. Luchtgekoeld drinken, zou men het kunnen noemen en wellicht is het ook wel eens zo genoemd in het verleden door de een of ander. Maar om daar nou spoorslags de auteursrechten op los te laten zou een weinig overdreven zijn. Als men zo zou beginnen, kon er geen woord meer opgeschreven worden omdat ooit iemand het al eens eerder had gebruikt.

Tijdens het genieten van zijn koffie tuurde de man over de rand van het kopje beurtelings naar de man en de vrouw van het echtpaar dat Cafetaria Zuid nu al weer heel wat jaren en zeker niet onverdienstelijk exploiteerde. Hij schatte zijn kansen in, zo wist ook het echtpaar: leerde hen hun pappenheimers kennen immers!

“Mooie zaak, zoals ik zei,” begon hij dan toch eindelijk. Het echtpaar ontspande een weinig en zeker niet zichtbaar, zonder uit de hen inmiddels en na jaren zo vertrouwde frituurstand: hij een hand op de toonbank, de blik licht peinzend en enigszins filosofisch aandoend naar buiten gericht; zij turend naar de ring van roestvrij staal die de rand van de frituur vormde, onderwijl met een theedoek frummelend.

De klant pulkte het koekje, een minispritsje, dat hij bij de koffie had gekregen uit zijn plasticje en liet het vlot in zijn mond flitsen. Hij kauwde het baksel snel tot kruimels terwijl hij gedurende dit kleine projectje de man van het echtpaar bleef aankijken.

“Ja,” zei de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid. “Dat zei u inderdaad al.”

De klant keek hem enigszins verbaasd aan: dit was kennelijk niet de reactie waarop hij gerekend had.

“Ooit over verandering gedacht?” ging hij dan toch maar dapper verder. Na een snelle slok koffie was de fijngekauwde kruimelhap van wat ooit een prachtig vormgegeven minispritsje was verworden tot een beige brij, waarvan plakkerige draden in een mondhoek en tussen een paar tanden licht meedeinden met de door spraak bewogen mond van de klant.

“Ja,” zei de man van het echtpaar. “Twee jaar geleden nog.”

“En?”

“Prima.”

“Aha. En wat hebt u toen veranderd?”
“Niets.”
 “Niets?”

“Niets.”

“Maar u zegt net dat u twee jaar geleden over verandering hebt nagedacht.”

“Dat klopt.”

“Maar dus niets veranderd, alleen erover nagedacht…”

“Nee.”

“Nee?”

“Nee.”

“Niet erover nagedacht?” Men kon zien dat de klant zijn geduld begon te verliezen en inmiddels waarschijnlijk dacht dat hij met een verbaal en verstandelijk uitgedaagde te maken had. Wellicht een werkvoorzieningproject vanuit een behandelprogramma, zag men hem als het ware denken.

“Jawel, er goed over nagedacht,” zei de man van het echtpaar.

“Maar niets veranderd?”
“Nee.”

“Alleen erover nagedacht dus.” Zei de klant nu enigszins geagiteerd.

“Nee.”
“Wat nou nee? U hebt erover nagedacht maar niets veranderd. Wat is er nog meer?”

“Ik heb er ook over gepraat, met mijn vrouw,” de man van het echtpaar wees ten overvloede met zijn kin naar zijn echtgenote, die de blik strak op de frituur gericht hield en inmiddels toch wel een behoorlijke broekwalm vermoedde, zo dadelijk bij het opstaan van de terlenka-klant.

De klant zuchtte. “Goed, nagedacht en besproken dus, maar niets veranderd.”

De man van het echtpaar van Cafetaria Zuid knikte.

“Nou,” zei de klant. “Dat komt dan goed uit.”

“O ja?”

“Ja. Het toeval wil namelijk dat ik vertegenwoordiger ben van de Holst-Brouwerijen en dat er momenteel een golf van vernieuwing door de horeca spoelt. Zij van Holst spelen daar op in, ter meerdere glorie en winst van de horeca-uitbaters, en een zeer bescheiden percentage voor de zo gul uit de beurs schenkende brouwerij.”

Na deze uiteenzetting leunde hij voldaan achterover en keek de man als de vrouw van het echtpaar beurtelings aan met een blik van ‘die zag je niet aankomen hè?’

“Nog koffie, meneer?” zei de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid. “Tweede kopje is van het huis.”

“Eh, ja, alstublieft,” de klant schoof onrustig heen en weer over de barkruk en de vrouw van het echtpaar voorzag een extra veeg met een vochtig doekje straks: broekwalm daar aan toe, maar het moest niet ook nog eens gaan kleven.

“Zwart,” knikte de man van het echtpaar naar zijn vrouw, en gaf haar het kopje met de schotel aan. Ze deed er een nieuw koekje bij, een schoon lepeltje en schonk de kop met gulle hand vol met nieuwe, hete koffie. Ze overhandigde met een vloeiende beweging het lekkers aan haar man, die het met dezelfde souplesse aanpakte en neerzette voor de klant.

“Koffie voor meneer. Tweede kopje,” zei de man van het echtpaar. “Van het huis.”

“Dank u wel,” de klant klonk inmiddels wat nijdig. Dit liep niet zoals hij had verwacht en gehoopt.

“Maar goed, zoals ik dus zei…”
 “Ja, dat zei u al,” zei de man van Cafetaria Zuid. “En wat is uw concrete voorstel?”

“Nou, we zouden kunnen nadenken over modernisering, met een mooie investering van de brouwerij, die u met een heel coulante regeling terugbetaalt over tijd en …”

“Wat had u gemoderniseerd willen hebben?” onderbrak de man van het echtpaar hem.
“Eh… nou, onder meer de naam. ‘Cafetaria Zuid’ klinkt niet echt meer van deze tijd, als u me mijn directheid niet kwalijk neemt.”
 “In het geheel niet,” zei de man van de Cafetaria. “Daar hebben we toentertijd, toen we erover nadachten en er met elkaar over spraken ook over nagedacht en gesproken.”
“Aha,” zei de vertegenwoordiger met de broekwalm – de vrouw wist het nu gewoon zeker.

“Ja,” zei de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo consciëntieus runde. “We hebben toen een paar leuke ideeën bedacht, kan ik u zeggen.”

“Kijk, dat is mooi,” zei de vertegenwoordiger. “Wat tegenwoordig in trek is, bijvoorbeeld…”
 “Restaria,” zei de man van het echtpaar. De vertegenwoordig keek hem licht gepisseerd aan: dat wilde hij inderdaad voorstellen.
“Hebben we toen eens bedacht,” zei de man van Zuid. “Maar vonden we toch niks.” Hij keek naar zijn vrouw, die knikte.

“Kwalitaria hadden we ook nog,” zei hij. De vertegenwoordiger vermoedde inmiddels waarschijnlijk een complot. “Maar dat klinkt zo pretentieus. Is de koffie goed?” vroeg hij aan de vertegenwoordiger, die het kopje niet meer had aangeroerd sinds zijn verkooppraatje in het honderd begon te lopen. Hij rukte het kopje aan het oor naar zich toe, morste een scheutje op het formica van de bar en brandde zijn lippen door het toch iets te schielijk zijn hete koffie naar binnen te werken. Hij was kennelijk van de weeromstuit de kunst van het luchtgekoeld drinken even vergeten. Met een luide tik zette hij het kopje op de schotel terug, bleef met zijn enigszins worstige vinger in het oor hangen waardoor er nog een klots over de rand van het kopje ging toen hij zijn hand wilde terugtrekken. Gelukkig morste hij deze keer op het schoteltje. Zijn humeur werd er blijkelijk niet beter op. Met een blik op onweer haalde hij adem om aan zijn volgende zin te beginnen, toen de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid het woord nam.

“Smikkeltaria kwam zelfs voorbij,” zei de man van het echtpaar. Zijn vrouw keek hem verbaasd aan. Ze kon zich daarvan niets herinneren. Ze herstelde zich echter snel: ze vond het altijd weer mooi om te zien hoe haar man elke verkoper onder de tafel wist te praten.

De vertegenwoordiger slurpte de rest van zijn koffie naar binnen, ontplasticte het koekje – een ministroopwafeltje dit keer – en propte het in zijn mond. Verwoed kauwend verzamelde hij zijn laatste beetje enthousiasme om hopelijk toch nog een uitbater voor de brouwerij te winnen, waarbij de brouwerij altijd de winnaar zou zijn: was het niet door het – aanzienlijker dan de vertegenwoordiger deed voorkomen – gedeelte van de winst dat door Cafetaria Zuid aan de brouwerij maandelijks moest worden afgedragen, dan wel door de talrijke faillissementen van horecagelegenheden van deze en ook andere aard, die onder de extra druk van de financiële wurgconstructie bezweken. Als eerste schuldeiser – sluw in het contract vastgelegd – verviel de horeca-uitbating met interieur, goodwill en klandizie zonder slag of stoot aan de brouwerij, die het dan voor een mooi prijsje kon verkopen en opnieuw won.

Voordat hij echter aan zijn slotakkoord kon beginnen – hij zag eruit of hij een hoofdpijn voelde opkomen en waarschijnlijk wilde hij gewoon weg – praatte de uitbater van Cafetaria Zuid verder.

“Ik bedoel, voor je het weet zit je met allerlei gekunstelde woordspelingen als kroketpret, hee hee, een kaassoufflé, het frikandelspel en dat soort ongein.”

De vrouw van het echtpaar draaide zich een weinig om, zodat de vertegenwoordiger haar ingehouden lach niet kon zien. De man van het echtpaar keek de vertegenwoordiger met pretoogjes aan.

“Zeg nou zelf,” zei hij tegen de ongelukkige. “Wie zit er te wachten op kreten als: ‘hier is een kop koffie altijd een boffie!’ Of  ‘Met de snacks van deze smikkeltaria, hebt u altijd genoeg varia’ en meer van dat soort onzin.”

De vrouw van het echtpaar stond inmiddels met samengeknepen dijen en nu geheel afgewend gelaat te schokschouderen. Die had andere zorgen dan de op handen zijnde broekwalm van de nu immens transpirerende vertegenwoordiger.

“Zo’n heerlijke berenklauw? Dat wil iedereen heel gauw!” dreunde de man van het echtpaar onverdroten voort. De vertegenwoordiger had genoeg gezien. Hij staarde woedend naar de vrouw van het echtpaar dat Zuid runde, en die voorover gebogen tegen het frituurblok stond te hikken, wendde zijn blik naar de man van het echtpaar en vroeg knorrig: “Goed, wellicht een andere keer dan. Wat krijgt u van me?”

“Een euro zestig, meneer. Tweede bakje van het huis hè.”

De vertegenwoordiger diepte een paar munten op uit de zak van zijn jasje, kletste een twee euromunt op de toonbank, gleed van de kruk en verliet zonder groeten de zaak.

De man van het echtpaar staarde hem nog even na, tot hij uit het zicht was verdwenen.

“Nou,” zei hij tegen zijn vrouw. “Die verkopers van tegenwoordig hebben hun praatje ook niet meer echt klaar.”

Ze draaide zich om en keek hem hulpeloos aan.

“Wat is er?” vroeg hij. “Ben ik er eentje vergeten? Hier is een broodje bal een heerlijk geval? De loempia van Zuid, gaat er heerlijk in en komt er soepeltjes weer uit?”

“Ik heb het in mijn broek gedaan,” zei de vrouw van het echtpaar snikkend van het lachen.

“Nou, ga je maar gauw verschonen dan,” zei de man. “Straks komen er klanten.”

Ze hupte naar achteren met het kenmerkende pasje van iemand die nog wel een litertje of anderhalf kon, en dit niet al te lang meer wist binnen te houden. Als dat maar goed ging.

Hoofdschuddend keek de man van het echtpaar zijn vrouw na.

“Smikkeltaria,” bromde hij. “Het mocht wat. Broodje halfom, wat ik je brom.” Grinnikend haalde hij kop en schotel van de toonbank. Straks kwamen er klanten.

Kroketpret

Kroketpret

by Ed

Sinds jaar en dag was hij klant bij Cafetaria Zuid. Meestal bestelde hij een kopje koffie, en hij nam weleens een broodje of een snack. Maar hij besloot altijd – zonder ooit te verzaken – met een kroket.

Kroket was je van het, zei hij bij zichzelf. Kroket betekende pret; ook peristaltisch gezien. Toch waren de versnaperingen niet de voornaamste reden dat hij regelmatig even binnenliep bij Cafetaria Zuid en haar zo consciëntieuze uitbaters. Het echtpaar dat Cafetaria Zuid runde kende hem weliswaar van gezicht en zo nu en dan een praatje maar, zoals bijkans met alle klanten het geval was; ze hadden werkelijk geen notie van wat er in de man omging.

En dat was maar goed ook.

De lezers die vaker in Cafetaria Zuid komen weten dat de vrouw van het echtpaar een weliswaar vriendelijk en schoon (ook op zichzelf!) maar bepaald geen uitbundig type was.  Ze was meer van beschouwende aard en monsterde haar klanten onopvallend en altijd met een opgewekt humeur. Ook uiterlijk was zij niet nadrukkelijk aanwezig; niet dat ze ronduit lelijk genoemd kon worden, maar het was meer dat men zich behoorlijk wat moeite diende te getroosten zich voor te stellen dat zij in staat was haar man te behagen op de wijze zoals God die heeft aangegeven via de kerkelijk boven ons gestelden. Anders gezegd: men kon zich in gemoede afvragen wat de man in haar zag, of ooit had gezien – daar er immers een moment moet zijn geweest waarop hij al dan niet toenadering zocht of dit op zijn minst toeliet. Het waren dit soort overpeinzingen waar de meeste Zuid-bezoekers zich bij voorkeur verre van hielden teneinde de consumptiedrang nog enigszins op peil te houden en zodoende het echtpaar te voorzien van de nodige omzet. De zaak was schoon, de snacks waren vers en de uitbaters beleefd en vriendelijk; daar kon men het mee doen en daar deed men het dan ook mee.

Zo niet de hoofdpersoon in dit verhaal. Juist hij werd wel degelijk bevangen door overpeinzingen van bovenstaande aard. Sterker nog: hij riep ze op. De koffie en de snacks – met als bekroning de kroket – waren slechts dekmantel, afleiding. Waar de man werkelijk voor kwam was weliswaar van lustige, maar tegelijkertijd geheel andere aard.

Zijn eigen verschijning riep geen heftige emoties op en kon worden afgedaan als doorsnee aantrekkelijk. Met zijn modieuze maar toch niet te uitbundige stijl van kleden, zijn leeftijd van rond de veertig en zijn regelmatige gelaatstrekken was hij een man bij wie tijdens het passeren niet veel mensen het hoofd zouden omdraaien. Desondanks bezat hij toch een rudimentair gehalte van aantrekking. Wellicht speelde ook mee dat hij er altijd op en top verzorgd uitzag en lekker rook, althans voor wie van Eau du Martin (van het huis Jean Paul Gaultier) hield; een bescheiden en toch ook zeker aanwezige geur; fris van citrus en met een toets van ceder.

Dat alles maakte hem tot een aanvaardbare partij van hen die zulks zochten.

Niet zodra zat hij aan een van de met chromen rand afgezette formicatafels of het gedonder begon al. Ten eerste was daar het treffen van voorzorgsmaatregelen betreffende het binnenbroekse bereik dat gaandeweg het snacken en vanwege de gevolgen van de aanvankelijk steelse, maar allengs indringender blikken die hij wierp, meer en meer aandacht zou vragen. Wijs geworden door ervaring verzuimde hij – na de eerste paar pijnlijk krappe keren – nooit deze voorzorg te nemen en bracht tijdens het plaatsnemen in één soepele duw met de zijkant van zijn hand de schuldige aan de dreigende krapte in de voor deze situaties gewenste positie: overlangs het binnendijbeen naar buiten wijzend. Het was een beweging die hij thuis urenlang had geoefend. Hij had er zelfs een stoel van gelijke hoogte voor aangeschaft, die hij aan het voeteneind van zijn bed had neergezet en waar hij bijna dagelijks zijn souplesse en snelheid van beweging en handeling tezamen oefende.

Aldus gezeten in de comfortabele wetenschap dat zelfs de meest dramatische wederopstanding daar beneden niet tot noemenswaardig ongemak zou leiden, wellicht zelfs enkele kneedkansen zou bieden indien onbespied, ving het zijdelings staren aan.

De vrouw van het echtpaar stond tussen de werkzaamheden door altijd op dezelfde plaats; in dezelfde houding en dat was zijn geluk. Haar positie zorgde ervoor dat hij ongegeneerd naar de menukaart – die een slordige zestig centimeter rechts van de vrouw hing – kon staren terwijl hij zich tezelfdertijd vanuit de periferie zijner blik kon verlustigen aan zijn object van begeerte. Haar kuiten, waarvan het bleekblauw lillend vlees zo smekend over de pantykousjes puilde; de zachte welvingen rond haar knieschijven; het subtiel overgaan van huid naar rok, de rondingen daaronder niet zichtbaar dan toch tenminste vermoed…

Het bracht hem in een zoet verlangen, een extatische hunker naar vereniging met dit in zijn ogen goddelijke frituurwezen; deze engel van het vet – zijn snackgodin, zijn hapjesnymph, tevens smullemeid. En deze rilling zette zich voort tot in al zijn vezels, tot het hem al voor de koffie bijna vreemd te moede werd. Dan vermande hij zichzelf en wachtte in licht sidderende stilte op actie van het echtpaar.

Het was altijd de man van het echtpaar die hem, na het vriendelijk groeten tijdens het welkom, vroeg wat hij wilde nuttigen en die, nadat hij koffie had besteld, met een hartelijk “Koffie maar weer doen?” aan de slag ging. Dat gaf onze klant ruim de gelegenheid zijn object van lustig dromen voluit te bekijken, daar zij zonder uitzondering de bewegingen van haar man met haar ogen volgde, behalve wanneer haar man in de voor hem zo karakteristieke ruststand stond: een hand op de toonbank, de blik naar buiten gericht. Dan staarde zij in het borrelend vet – onderwijl frommelend aan een theedoek.

Maar zoals gezegd keek zij oplettend naar de handelingen die haar man bij elke bestelling verrichtte; doelgericht en toch zorgvuldig, zoals het een vakkundig friteur betaamt.  En hij keek – terwijl hij zijdelings de man in de gaten hield, naar haar handen die de theedoek draaide en wrong, streelde en kneedde, en verbeeldde zich het theedoek-zijn. Het bracht hem naar eenzame hoogten, pulsgewijs, en het sprak van grootse timing dat de man van het echtpaar altijd juist voordat het wonder zich aan de inmiddels ook al wat sneller ademende klant zou gaan voltrekken met een olijk ‘meneer,’ zijn koffie serveerde. Intussen was de vrouw uit haar frituurlijke trance teruggekeerd en volgde het sierlijke, zachte maar toch van kordaatheid sprekende getik van schotel met daarop kop.  Het was die tik, in combinatie met het zachte gerinkel van het lepeltje op het schotelwerk dat de klant uit zijn extase haalde en deed terugkeren naar de grauwe werkelijkheid in Cafetaria Zuid.

“Bedankt,” zei hij dan.

Deze opbouw tot een schier onhoudbare stortingsdrang nu, herhaalde zich enkele keren, al naar de op dat moment aanwezige fitheid, aanmaak en stemming van de klant. Op goede dagen wilde deze nette klant wel eens een snack of drie nuttigen en daarbij de – metaforisch uitgedrukte – bijna doodervaringen doorstaan alvorens hij de opmaat gaf tot het eindspel: de kroket.

Hoe hij ooit gekomen was tot een vergelijking werd nooit helemaal duidelijk, ook hemzelf niet, maar de kroket (kalfsvlees; altijd kalfsvlees – nooit goulash, garnaal of kerrie) en de vrouw van het echtpaar waren in zijn beleven onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hapte hij in de kroket, dan beet hij in haar oorlelletje; brak hij met zijn tanden de kruimige korst dan petste hij haar pantykousje speels op het kuitvlees terug na een droogkomische hap in het nylon. Proefde hij de hete en tevens pittige ragout op zijn tong dan… enfin: de lezer begrijpt het al.

Daarom, en alleen daarom bestelde hij de kroket altijd pas op het laatst, met een ietwat trillend uitgesproken ‘Voor mee te nemen.’

Op een van die avonden, toen de klant Cafetaria Zuid verliet – het papieren zakje met daarin de dampende kroket in zijn hand, en na het mistroostig getingel van het belletje boven de deur, keek de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde hem door het raam na.
“Aardige man,” zei hij; meer tegen de ijsmachine dan tegen zijn vrouw. “Wel een stille.”

“Volgens mij heeft hij last van homo,” zei zijn vrouw.

Hij keek haar fronsend aan. “Hoe kom je daar dan bij?”
“Nou, ik weet niet. Hij is altijd netjes gekleed en ruikt ook fris, dat kan ik van achter de toonbank altijd al ruiken. En hij kijkt nooit rechtstreeks naar mij.”

“Daar hoef je geen last van homo voor te hebben,” zei haar man.
Ze dacht even na.
“Nee, dat is eigenlijk ook wel zo,” zei ze.

Kaassouflé

Kaassouflé

by Ed

Het echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde zag hem niet vaak: de man die altijd een kaassoufflé bestelde – hier opeten. Toch was het iemand die opviel, onder meer door zijn gemakkelijke manier van praten of, zoals de vrouw van het echtpaar zei als ze aan haar theedoek stond te frommelen: ‘Het is een beetje een makkelijke prater, die man.’

En dat klopte: het was een makkelijke prater. Je merkte tijdens het gesprek dat hij zich er comfortabel bij voelde, bij het praten. Hij stuurde met kleine correcties de onderwerpen waarover het zoal ging wat er besproken werd en leidde zodoende met een natuurlijk elan het gesprek. Niet dat het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde daar bezwaar tegen had: integendeel! De vrouw zowel als de man van het echtpaar vonden het juist prettig dat de man zo’n makkelijke prater was en zo vanzelfsprekend het gesprek leidde. Zij pasten zich graag aan bij het verloop zoals dat door de klant werd bepaald.

Als je de mensen voor wat betreft het voeren van gesprekken kon verdelen in volgers en leiders, zou je de man van de kaassoufflé onder de leiders kunnen scharen en het echtpaar dat Cafetaria Zuid uitbaatte onder de volgers, en dan zou je een behoorlijk correcte weergave van de feiten geven.

Hoe dan ook, de gesprekken gingen ook nog eens ergens over, in plaats van het onbezielde gemurmel over weer of vakantie. De man die een kaassoufflé bestelde bij Cafetaria Zuid was iemand met een verhaal. Beter gezegd was hij iemand met een heleboel verhalen. Elke kaassoufflé een ander verhaal, alsof hij in een klein, onzichtbaar notitieboekje opschreef: “Verhaal van de autoaankoop verteld op 12-05-2012” en voordat hij zijn bestelling – altijd een kaassoufflé – doorgaf aan het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo liefdevol beheerde, even snel in zijn notitieboekje keek om te zien wat daar nog aan onvertelde verhalen stond.

Natuurlijk weet niemand of dat ook daadwerkelijk zo ging, maar dat het altijd echt ergens over ging en geen twee keer ooit hetzelfde verhaal is verteld door de kaassoufflébesteller staat buiten kijf. Of, zoals de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid had zo treffend kon zeggen over wat de klant die altijd een kaassoufflé bij Cafetaria Zuid bestelde, “Het gáát ergens over.”

Daar kwam bij dat het echtpaar van Cafetaria Zuid het tevens als noodzakelijke en gewenste klantenbinding en derhalve als hun frituurlijke plicht beschouwden om – al dan niet geveinsde – interesse in het door hun clientèle vertelde te tonen. En waar zij vaak enigszins gematigd betrokken luisterden naar de eindeloze en stroperige sliert soms ellenlange verhalen van hun snackers, zonder ooit de frituur geheel uit het oog te verliezen – het was hun vak! – daar raakten zij daadwerkelijk geïnteresseerd wanneer de man van de kaassoufflé aan het woord kwam. Zoals eerder gezegd: het gíng ergens over!

Een van de meer gedenkwaardige avonden en waarvan het verhaal ook nog enige tijd bleef hangen bij het echtpaar dat de clientèle van Cafetaria Zuid zo consciëntieus bediende, vond alweer enige tijd geleden plaats. De man die altijd een kaassoufflé bestelde kwam binnen en bestelde een kaassoufflé. Dat dit allang geen verrassing meer mocht heten voor het echtpaar behoeft hier geen betoog. Het was het praatje, het verhaal waar het om ging. Het besprokene waarin de klant zich zo soepel ontpiep als leider en het echtpaar geheel onbewust en dus moeiteloos de hun toebedeelde rol van volgers/luisteraars speelden.

Op deze gedenkwaardige avond nu, draaide het verhaal van de klant om iets waar veel mensen wel eens mee te maken krijgen. Nadat de klant onder het ongeïnspireerde geklingel van het belletje boven de deur die hem toegang verschafte tot Cafetaria Zuid binnen was gekomen, en de kaassoufflé had besteld (hier opeten), liet de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde de betreffende snack met een roestvrijstalen mand in het precies tot de juiste temperatuur verhitte frituurvet zakken, waar de aanstaande lekkernij lustig begon te dansen en te borrelen, kleine belletjes van puur horecatief genoegen naar het oppervlak van het glanzend vet blazend. Dit alles onder het immer toeziend oog van de vrouw van het echtpaar dat eigenaar was van Cafetaria Zuid.

Niet zodra hadden de man zowel als de vrouw van het echtpaar de hun inmiddels geheel aangegroeide frituurstand weer aangenomen in afwachting van het krokanteren der hap, hij een hand op de toonbank en de blik enigszins filosofisch aandoend naar buiten gericht; zij wriemelend met een theedoek, starend naar het bruisend vet, of de klant begon zijn verhaal van die avond. Verder waren er op dat moment geen klanten in Cafetaria Zuid aanwezig.

“Ongelooflijke graaier hè, die Wouter Bos?” Begon de klant. De man van het echtpaar van Cafetaria Zuid had allang geleerd dat hij slechts het gesprek gaande moest houden en geen standpunt voor of tegen moest innemen. De vrouw van het echtpaar hield sowieso meestal wel haar mond. Die liep immers ook alweer een aardig tijdje mee.

“Wouter Bos, de politicus?” vroeg de man van het echtpaar. Hij verschoof zijn hand een weinig op de toonbank, waardoor het gesprek levendiger aandeed dan het in dit vroege stadium was.

“Ja die,” zei de klant. “Die zogenaamd meer tijd voor zijn gezin wilde.” De klant snoof. Hij was een forse man; tegen het corpulente aan, maar hij wist het nog onder controle te houden, leek het. Hij droeg een combinatie van een grijze broek en een blauw jasje. Een buttondown shirt; openstaand aan de bovenste twee knopen en een paar zwarte, goed verzorgde instappers aan zijn voeten. Opvallende zegelring aan een pink, horloge met gouden band en kast en een sleutelbos waaraan een leren hanger met een metalen mercedes-logo hing.

“Nou,” vervolgde de klant. “Waarschijnlijk was het toch wat teveel tijd die hij overhield want hij heeft nu een nevenfunctie bij dat ziekenhuis gekregen; in Utrecht, geloof ik. In de raad van bestuur.”

“Zo,” zei de man van het echtpaar. Hij keek de klant neutraal aan, wetend dat zulks exact de juiste manier was om zoveel mogelijk aan de weet te komen.

“Ja,” zei de klant. “Kleine twee ton per jaar erbij.” Hij leunde over de toonbank totdat hij zich binnen de persoonlijke zone van de man van het echtpaar bevond, die zich op zijn beurt genoodzaakt voelde zijn hand terug te schuiven naar de uitgangspositie van de hem zo vertrouwde frituurstand; hetgeen de klant in zijn ijver van een en ander kond te doen overigens volkomen ontging. Hij keek overdreven onopvallend achtereenvolgens naar links en rechts, plaatste zijn rechterhand naast zijn linkermondhoek, met de handpalm naar buiten, als om een denkbeeldig publiek te verhinderen mee te luisteren.

“En hij had er al dik vier per jaar,” lispelde hij vertrouwelijk en een ietwat sproeierig tegen de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde, welke laatste met zijn ogen knipperde bij deze onvermoede speekseltraktatie.

“Vier?”
“Ja. Vier ton.” Een volgende snelle blik links en rechts. “Met die twee erbij is dat zo’n zes ton per jaar.” Met een enigszins voldane blik richtte de klant zich op en maakte de toonbank vrij. De man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid bezat draaide zich om, greep het koudgreep handvat van de roestvrijstalen mand en wipte die laatste met een soepel gebaar omhoog, waarna hij het ding aan de haak boven de rand van de friteuse hing zodat de kaassoufflé – inmiddels goudgeel gebruind – even kon uitdruipen.

“Zes ton,” zei hij over zijn schouder tegen de klant.

“Zes ton,” antwoordde deze. “Je verzint het niet.”

De man van het echtpaar pakte het bakje dat zijn vrouw even daarvoor had klaargezet, en waarin met enig gevoel voor decor een wit papieren servet was gedrapeerd en legde met een tang de kaassoufflé op het servet in het bakje. Hij deed er een plastic vork bij, zo een met een zaagrandje aan één kant, en zette het bakje met inhoud op de toonbank voor de klant.

“Kaassoufflé voor meneer, hier opeten,” zei hij. De klant wreef zich in zijn handen.

“Lekker,” zei hij en pakte het bakje aan. Met het zaagrandje van het witte plastic vorkje maakte de klant een hoekje van de kaassoufflé los, stak het in zijn mond en begon het in land en streek bekende ritueel van het kauwen met de mond open, met veel tandvertoon; zoals men dat doet als een snack eigenlijk nog te heet is om te eten maar eenvoudigweg niet langer weerstaan kan worden. Het open-mond-kauwen is het mooist vertoond bij bitterballen en bovendien voegt daar het ontploffingsgevaar van het bijten in een omsloten heteluchtbel, net als bij kroketten of andere ragoutmatig gevulde en paneermeelgewijs omsloten snacks, een niet te verwaarlozen spanningsfactor toe. Vaak heeft de snackelaar de ogen een weinig toe, als was hij beducht voor de plof die kon komen en die al zovelen vóór hem had verwond.

Maar met een kaassoufflé zag het er ook al heel mooi uit, vonden zowel de man als de vrouw van het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo plichtsgetrouw voor haar clientèle openhield op de daarvoor bestemde en van gemeentewege aangewezen tijden.

De klant was smullenderwijs aan de helft van de kaassoufflé toegekomen. Hij zwaaide met de nu even lege vork in de ruimte.

“Week je wak hek if?” zei hij, al hittekauwend, maar al met iets meer gesloten mond.

“Nou?” vroeg de man van het echtpaar.

“Je doek er nikf tege.” Hij knikte wijs terwijl hij met de nog immer functionerende zaagrand van het vorkje probeerde omhulsel zowel als vulling in één hap te combineren. Gesmolten kaas liep tussen de tanden van de vork terug naar het bakje en trok prachtig glanzende volgele draden over zijn kin, hand, de vork en het bakje. Het echtpaar dat Cafetaria Zuid uitbaatte keek ademloos toe: het was altijd weer een prachtig gezicht.

“Nikf,” zei de klant. “Helemaa nikf.”

“Nee,” zei de man van het echtpaar. “Doe je niks tegen.”

De klant knikte en concentreerde zich op het nog lekker warme restant van zijn soufflé. Met een paar happen werkte hij dit weg, trok zorgvuldig de inmiddels gestolde draadjes kaas van kin, hand, bakje en vork, rolde de gevonden schat op tot een hartig balletje en stak dat genietend in zijn mond bij de half verkauwde rest; dit alles belangstellend gadegeslagen door het echtpaar van Cafetaria Zuid.

De klant veegde met het servetje handen en mond af, wierp vork, bakje en verfrommeld servet in de afvalbak en keek de man van het echtpaar aan.

“Zeg het maar,” zei hij.

“Twee dertig, alstublieft.”

“Dat zijn er twee, en dit is vijftig. Zo is het goed hoor.”

“Dank u wel meneer.”

“Graaiers zijn het. Allemaal. Maar goed, ik ga er eens vandoor. Fijne avond; u ook mevrouw.”

“Plezierige avond meneer,” zei de man van het echtpaar. Zijn vrouw mompelde een hartelijk goedenavond. De klant vertrok onder het zeurderig gerinkel van het belletje dat boven de deur van de cafetaria hing.

Er was nog niemand anders binnengekomen.

“Aardige man,” zei de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde.

“Ja,” zei zijn vrouw. “Hij geniet ook echt van zijn kaassoufflé, dat vind ik altijd mooi om te zien; als klanten van hun eten genieten. Daar doen we het toch voor, denk ik altijd maar.”

Haar man knikte. Daar deden ze het voor, inderdaad.

“En graaiers heb je altijd,” zei ze.
“Ja,” zei de man. “Misschien graai ik vanavond wel even onder de dekens: wie weet wat voor lekkers ik daar nog vind.”

Ze giechelde en bedekte snel haar mond toen er een jong stel Cafetaria Zuid binnenkwam. Ze kende ze wel. Patatje met en patatje oorlog, voor mee te nemen.

“Patatje met en patatje oorlog,” zei het meisje van het stel. “Voor mee te nemen.”

De vrouw van het echtpaar van Cafetaria Zuid nam de haar zo vertrouwde frituurstand aan, terwijl haar man anderhalve schep frites in het goudgele vet liet glijden.

Ze dacht aan graaien.

En aan Wouter Bos.

Niet aan geld.

Frikandelverheug

Frikandelverheug

by Ed

Elke vrijdag, zo rond half zes. Het echtpaar dat de cafetaria runde wist het precies en deed ook geen moeite meer om te vragen wat hij wilde. Wanneer hij binnenkwam met een licht geklingel van het belletje boven aan de toegangsdeur zag je het echtpaar – nooit de man of vrouw alleen – denken: “O ja, vrijdag, half zes.” Ze lazen als het ware aan hem de dag van de week en de tijd af, en zaten er nooit meer dan vijf minuten naast.

Zij groetten hem dan vriendelijk, lieten de frikandel in het hete frituurvet glijden en namen hun lang getrainde en de henzelf geheel eigen gemaakte frituurstand weer aan: hij een hand op de toonbank, de blik naar buiten gericht; zij frommelend met een theedoek, starend naar het borrelende vet.

Jaren geleden, toen het echtpaar nog maar pas de cafetaria had overgenomen van de vorige eigenaar en man en vrouw dus nog niet op de hoogte waren, wilden ze nog wel eens een praatje  aanknopen. Och, en het was niet dat hij ze had afgeblaft of dodelijk verschrikt had aangekeken, maar zijn vriendelijke knikje en het uitblijven van een verbale reactie had ervoor gezorgd dat ze al snel wisten dat hij niet om een babbel verlegen zat of een uitwisseling over het weer wilde houden. Hij noemde zijn bestelling, stak zijn handen in zijn zakken en staarde naar een punt in de verte; ver voorbij de menukaart aan de witbetegelde wand, die eenmaal per week door de vrouw van het echtpaar werd afgenomen en zodoende nooit al te vettig werd. Sowieso betrof het een vrij propere uitbating en het vermoeden rees al snel dat de vrouw ook vrij schoon op zichzelf was. Van de man kon daar nog aan worden getwijfeld, al wist men zulks natuurlijk niet zeker.

Het echtpaar was zoals gezegd snel aan de rust, de stilte gewend geraakt en na een aanvankelijk maar allengs minder voorkomend: “Hetzelfde maar weer?” bleef het verder stil. Het was eigenlijk wel aangenaam zo, die stilte; slechts doorbroken door het dof geborrel der bruingele bellen, van de frikandel die door de hoge temperatuur en ook door de samenstelling van het frituurvet werd voorzien van een knapperig, maar niet al te krokant korstje waardoor de binnenkant smeuïg en lekker warm bleef. Vaag klonk er wel eens een geluid van buitenaf maar dat drong nauwelijks tot de vredige stilte in Cafetaria Zuid door.

Je zou het bizar kunnen noemen, of gewoon dom toeval, maar hij stond er elke vrijdag rond half zes als enige klant. Op een of andere gekke manier kwam er nooit iemand als hij er stond. Of eigenlijk: één keer was de deur onder het inmiddels familiaire geklingel opengegaan, waarna een vrouw haar hoofd om de hoek stak, even rondkeek en met een zacht: “O sorry” weer verdween. Het echtpaar zowel als hij waren licht verbaasd geweest maar het ritme was ondanks de onderbreking niet noemenswaardig verstoord.

Verder stond hij er altijd alleen. En hij was er de frituurklant niet naar om nietszeggende stiltevermijdingsgesprekken op gang te brengen als: “Rustig zeker?” of: “Zo, weer bijna weekend, mensen.” En dus bleef het stil, op het zachte borrelen van de frituur en – voor wie goed luisterde – een licht gezoem van de ijsmachine na.

Vrijdags om half zes was Cafetaria Zuid het heiligdom van hem, het echtpaar en de frikandel; een beheerst soort heiligdom, zonder de fratsen en het drama van de katholieke kerk of van de tegenwoordig zo talrijk aanwezige new-age bewegingen, maar met een soort verstilde eerbied: alsof het leven even stilstond voor deze drie mensen, de frituur als altaar en de frikandel als heilig relikwie. Het was een devotie van bescheiden aard, die niet hoefde te worden benoemd, wat dan ook niemand deed.

Na het vereiste aantal minuten werd de frikandel in een vloeiende beweging van schuimspaan en knijpvork uit het vet gelicht, met vier middelsterke zwiepen van druipovertol ontdaan en in het zakje gelegd; het zakje dat al die tijd al zwijgend had liggen wachten, vakkundig en routineus opengesperd door de vrouw. Zij was van het zakje, het theedoekfrommelen en de witte tegelwand; haar man regelde frituurbeheer, frikandelinpak en het afrekenen.

De frikandel werd met een beheerste presentatie op de toonbank gelegd, waarop hij geld – altijd gepast – neerlegde.

“Eet smakelijk,” zei de man van het echtpaar dan, waarop hij “Dank u. Een plezierig weekend,” antwoordde, waarna de man knikte en de vrouw een ingehouden, “Insgelijks,” mompelde. Hij pakte het zakje met de frikandel voorzichtig met zijn rechterhand op aan de dichtgevouwen bovenrand, schulpte zijn linkerhand om de onderkant zodat er een soort omvatting ontstond die wel wat leek op een lectuurbakje, waarbij het zakje met de frikandel als opgevouwen krant figureerde. Genietend van de door het knisperende zakje heen dampende hitte op zijn hand, opende hij de deur van Cafetaria Zuid en belklingelde naar buiten, de wereld in; op weg naar huis, een krappe twee minuten lopen vanaf de snackbar.

Thuisgekomen trok hij zijn jas uit, pakte een Brabants boerenbont boterhambordje uit de kast, legde mes en vork klaar, waste zijn handen, deed de frikandel uit het zakje op het bord, vouwde het zakje op en gooide het in de prullenbak. Dan nam hij plaats aan de kleine eettafel van licht grenen.

Eerst keek hij. Altijd. Hij nam de diepbruine kleur van de snack in zich op; de rimpelige huid die de zachte, beige binnenkant verborg – nu nog althans – en dan rook hij. De pittige, kruidige geur van het mengsel waaruit de frikandel bestond vulde zijn neus en hij snoof altijd graag een keer extra om te genieten van deze ervaring. Ook ried hij dikwijls de kruiden die in de lekkernij waren verwerkt, en het deerde hem niet of hij de juiste kruiden en specerijen wist: hij voelde geen enkele behoefte om informatie daarover in te winnen. Kruidnagel, vermoedde hij, nootmuskaat en peper; wellicht een accent van kerrie, maar daar wilde hij van af wezen. Hij genoot, dat was de hoofdzaak.

Na het kijken en proeven – wat hij uiteraard tijdens het nuttigen van de langwerpige hap bleef voortzetten – verlegde hij de nadruk op het aansnijden van de frikandel; en hij genoot intens van de tactiele gewaarwordingen: de vork die aanvankelijk enige weerstand ondervond bij het prikken door het wat taaiere huidje, waarna een bijkans zinnelijk glijden door de zachtere binnenkant volgde. Het exact op tijd inhouden van gewicht, massa, druk op de vork zodat deze in het midden van de frikandel tot stilstand kwam en niet – zoals men dat wel zag bij de minder ervaren of aandachtige smikkelaars – door de staaf heen schoot met een afstotelijk piepen van metaal op Brabants boerenbont.

En dan. De subtiele trilling die zich vanuit de ribbeltjes, vooraan in de snijkant van het mes voortzette tot in zijn hand als hij met zachte, beheerste beweging een dun schijfje van de frikandel schuin en dus langer afsneed, deed hem huiveren van genot. Het geleek een schier sensuele streling, al zou hij deze sensatie niet verwarren met het eveneens vervullende seksleven dat hij had.

Dat eerste schijfje: het kontje met aan één kant – maar ook rondom – het donkere velletje. En aan de andere kant de zo weerloos dampende beige substantie met wederom een versterkte stroom van geursensaties. En al die tijd, gedurende de gehele reis langs de volledige lengte van de frikandel, de wetenschap – het vertrouwen zelfs – dat daar aan het andere eind van de smulreis, de opposant, de antagonist van het eerste kontje, zich bevond. Het tweede kontje en tevens de afsluiting van het heilig maal der vrijdagmiddag.

Maar voor het zover was moest er nog een hele frikandel worden gegaan; zowaar geen geringe maar nochtans bijzonder aangename opgave!

Iedere hap een hemels gerecht. Het zacht spuiten van gekruid sap bij het terugverend vlees tegen de bijtende tanden. Die ene zoute druppel, verloren tussen binnen en buiten, in mondhoek of op lip, schielijk bijgezogen met een vlotte lik. Het zachte binnenwerk dat zich gaandeweg gekauwd mengde met de wat krachtiger huidstructuur dat door het op ambachtelijke wijze verhitte bakvet van stevigheid was voorzien; in culinair verantwoorde banen geleid door de zo liefdevolle verzorging uit handen van het zojuist al genoemde echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde.

Flinterdun genot in schuins afgesneden schijfjes hartelijkheid, onbevlekt door mayonaise, uitjes of ander begeleidend garnituur. De pure frikandel, en niets dan dat.

Soms huilde hij bijna. Van puur genot. Een sentiment dat hem niet in het minst verontrustte of zelfs verstoorde. En natuurlijk kende hij alle verhalen van de zogenaamd deskundigen, over paardenogen en schapenoren, en zo nu en dan een verloren slachthuismedewerkersvinger. Maar die verhalen gingen aan hem voorbij.

Dit was vrijdag.

Dit was frikandel.

Dit was genot.

Berehappy

Berehappy

by Ed

Het echtpaar dat de cafetaria runde had werkelijk geen idee van wat er zich bij deze klant achter gesloten deuren afspeelde, en dat was maar goed ook.

Soms kwam hij dagen achtereen niet opdagen, en dan weer drie keer in een week. De ene keer was het om een frietje, de andere keer een broodje kroket, maar altijd – nooit overgeslagen – een berehap om mee te nemen.

Niet zodra dartelde de snack in het borrelend heet en had het echtpaar dat de cafetaria runde de hun zo gewoon geworden frituurstand aangenomen – hij een hand op de toonbank en de blik peinzend naar buiten gericht ;zij prutsend met een theedoek, starend naar de pruttelende frituur – of hij begon een praatje.

Nu was het echtpaar in het geheel niet verlegen om een praatje, maar ook zeker niet afkerig daarvan. De man zowel als de vrouw van het echtpaar beseften dat ook in de frituurderij enige klantenbinding geen kwaad kon, en veinsden gepaste belangstelling in wat de klant vertelde.

Dan ging het eens over het weer, of soms ook over de politiek – dan had die of deze politicus weer een uitspraak gedaan waar iedereen over viel, en nu was er weer een bonnetjesaffaire van de ander; het hield maar niet op.

Het echtpaar luisterde gematigd betrokken zonder ooit de frituur volledig uit het oog te verliezen – het was hun vak, verdorie! – en timede de antwoorden juist en gedoseerd.

Dat was allemaal helemaal niet zo belangrijk verder. Waar het werkelijk om ging bij deze afnemer was de bestelling die hij altijd op het laatst deed. Na lange tijd dit ritueel te hebben meegemaakt leefden de man zowel als de vrouw van het echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde inmiddels toe naar dat moment, met een bepaald soort gretigheid die in andere omstandigheden ongepast had kunnen heten. Het kwam altijd, dat moment. Er kon een frikandel of een slaatje aan voorafgaan, smakelijk genuttigd in de met knus formica beklede tafels onder het warme licht van witte tl-buizen, maar uiteindelijk klonk altijd het verwachte: “Doe nog maar een berehap voor mee te nemen.”

Men kon de toch licht opgebouwde spanning van echtpaars respectieve vier schouders zien glijden na deze woorden: alles klopte nu weer.

“Saus bij, meneer?”

Het hoorde gewoon om het te vragen, maar klant en uitbaters wisten dat er nooit saus bij zijn berehap kwam.

De berehap, in Cafetaria Zuid bereid van mevrouws eigen gehaktrecept, balgewijs geschijfd en gealterneerd aan een daartoe bestemde prikstok met rode ui. Het mocht gezegd: de berehap van zuid was lekker en goed.

“Ik weet het niet,” zei de vrouw als de klant dan was vertrokken; de berehap in een leuk zakje met kittig motief met zich meenemend, “volgens mij is er allemaal niks van aan wat ‘ie zegt.” Daarna viel ze terug in de frituurstand.

“Wat bedoel je?” vroeg haar man. “De man maakt een praatje over het weer, de sport… dat is toch niet zo raar?”

“Ik weet het niet,” zei ze weer. “Hij heeft een blik in zijn ogen die ik niet vertrouw. Het zou me niets verbazen als dat heerschap een wat minder vlekkeloze reputatie onder zijn verder onberispelijke kleding verborg.”

De man van het echtpaar staarde haar verbijsterd aan. “Minder vlekkeloze reputatie?,” vroeg hij. “Onberispelijk?” Hij schudde zijn hoofd. “Zit je weer in die flutdetectives te lezen?”

“Thrillers.”

“Wat?”
“Thrillers. Geen detectives.” Ze had een rood hoofd gekregen omdat ze zich betrapt voelde. Een groot deel van haar vocabulaire, en dan vooral het wat deftiger gedeelte, kwam inderdaad uit de boekjes uit de serie ‘Inspecteur Flauwke Matzenga’.  De aflevering die ze nu aan het lezen was, ‘Flauwke Matzenga en de geelbevlekte sofa’, bevatte inderdaad exact de zin: “Het zou inspecteur Flauwke Matzenga niets verbazen als dat heerschap een wat minder vlekkeloze reputatie onder zijn voor het overige onberispelijke kleding verborg.”

De vrouw had het ademloos gelezen en herlezen, keer op keer, en een nat soort huivering gevoeld toen ze het zachtkens in de schemer van de achterkamer voor zich uitprevelde. Haar man was dan altijd net naar de groothandel voor disposables en aanverwante zaken zoals die in de friteerbusiness gretig aftrek vinden, en menig keer verdween haar hand al lezend naar… enfin; dat deed er verder niet toe.

“Goed,” zei haar man. “Thrillers dan. Maar dan nog: je weet toch niet wat die man bezielt? Het is gewoon een klant; iets om hier op te eten en wat voor mee te nemen. That’s all.” Bij dat laatste keek hij een beetje trots: ook hij kende zijn talen! Een kleine ijdelheid die nochtans door de vingeren gezien mag worden.

“Nou,” zei de vrouw. “Ik denk dat het mijn vrouwelijke intuïtie is, maar ik weet zeker dat er meer achter zit bij die vent. Ik krijg in elk geval de rillingen van ‘m. Heb je die oogjes wel eens gezien als hij zijn bestelling afrekent en aanpakt?”

“Vast wel. Wat is er met die oogjes?”

“Die verbergen iets.”

“En vertelt je intuïtie ook wat hij verbergt?”

“Nee, dat weet ik niet.”

“Dat dacht ik al. Nu we het er overigens toch over hebben…” Hij verschoof iets, waardoor zijn hand wat verder aan de rand van de toonbank kwam te liggen. “Hoe lang is het eigenlijk alweer geleden dat ik aan jouw intuïtie heb gezeten?”

Ze giechelde en frommelde iets heftiger met haar theedoek.

We zullen overslaan wat er die nacht – al dan niet intuïtief – in het huis van het echtpaar dat Cafetaria Zuid runde gebeurde, maar het hele gebeuren liet de man in elk geval niet los. Niet dat hij er dagelijks mee bezig was, maar zo nu en dan sprongen zijn gedachten weer naar wat zijn vrouw had gezegd. En de middag voor de avond dat de desbetreffende klant terugkwam – hetgeen toeval was: ze wisten nooit wanneer de man zou komen – rees er tijdens het zorgvuldig paneren der garnalenkroketten een plan. Rudimentair weliswaar, maar toch een plan. Hij besloot zijn vrouw er nog niet over te vertellen, die zou de boel alleen maar verpesten. Zichzelf vond hij na jarenlang de meest intieme snackverlangens te hebben vervuld wel aardig onderlegd in de psychologische beschouwingen van de onderliggende motivaties in het gedrag der mensen.

Die avond kwam de man rond half acht binnen, bestelde een patatje pinda en ging aan een van de tafeltjes zitten.

“Let maar eens op die blik straks,” lispelde de vrouw net iets te hard tegen de man.

Nadat de klant het patatje op had draaide hij zich naar de man die allang weer in zijn frituurstand stond en zei: “Doe nog maar een berehap voor mee te nemen.”

De man knikte. “Saus bij, meneer?”

“Nee, bedankt.”

Soepel en vaardig liet de man een berehap in het hete vet glijden en ging een paar spannende momenten tegemoet. Na het krokanteren van ui zowel als gehakt en met de zekerheid dat bij een vettemperatuur van exact 185 graden de hap goed was doorgewarmd, exact op het moment dat de buitenkant knapperig bruin was geworden, viste hij met de roestvrij stalen griptang de snack uit de olie en deed hem in het openkelkende zakje dat zijn vrouw had klaargelegd. Zijn vrouw stootte hem nog eens naar zij dacht onopvallend aan en waarvan hij maar hoopte dat de klant het niet zag, waarna hij zich omdraaide en zei: “En een berehap voor mee te nemen.” De man stond op en kwam naar de toonbank.

“Wat krijgt u?”

“Vijf euro zestig, alstublieft.”

De klant legde zes euro op de toonbank.

“Het is goed zo.”

“Dank u wel.”

Dit was het moment. De man pakte het zakje op en hield het de klant voor, die het wilde aanpakken. De man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde echter, liet niet direct los, waardoor hij en de klant een paar ogenblikken via het zakje met elkaar in contact stonden, alsof de man van het echtpaar daarmee hoopte een telepathische boodschap te ontvangen. De klant liet even zijn wenkbrauwen omhoog veren, glimlachte toen vriendelijk alsof hij wist dat er nu dan toch eindelijk eens duidelijkheid verschaft diende, en zei: “Mijn vrouw. Die is gek op berehap. Altijd zonder saus.”

“Aha,” zei de man. “Nou, een smakelijk voor mevrouw dan maar.”

“Dank u, en goedenavond.”

“Goedenavond.”

De klant verliet de winkel onder het lusteloos getingel van een belletje boven de deur dat best eens een stofdoek zou mogen zien, en toog huiswaarts; het hete en bezakte kleinood nauwlettend geschulpt tegen weder en wind, in zijn beschermende hand. Thuis draaide hij de sleutel in het slot, trad binnen, legde het zakje op de long John in de hal en hing zijn jas aan de kapstok. Dan pakte hij het zakje en liep naar de woonkamer, waar zijn vrouw zat.

Hij moest nieuwe kamferballen kopen, bedacht hij. Ze was goed geprepareerd maar na verloop van tijd rook je het toch altijd een beetje.
“Dag schatje,” zei hij, en ging tegenover haar zitten. “Ik heb je lievelingssnack meegebracht.”

Schatje staarde met dode ogen in de verte: het ontzielde lichaam dat ooit zijn vrouw was, leek er niet eens meer op.

Hij peuterde het zakje open en keek naar zijn vrouw terwijl hij de berehap met smaak verorberde. Geen saus bij. Nooit.
En als ze er zin in had konden ze wellicht nog wat lol hebben, later op de avond. Ze sprak eigenlijk nooit tegen, bedacht hij grijnzend.

In Cafetaria Zuid keek de man van het echtpaar dat de cafetaria uitbaatte zijn vrouw aan. Er was net een klant – vier kaaskroketten, twee friet met en twee friet  joppiesaus voor mee te nemen – vertrokken.

“Ik heb niets raars gezien, jij wel? Die man neemt gewoon elke keer wat lekkers voor zijn vrouw mee.”

“Nou, misschien had ik het dan fout,” mompelde de vrouw van het echtpaar.

De man knikte tevreden.

“Met je intuïtie,” zei hij.

Windgemiddelde

Windgemiddelde

by Ed

Als kleine jongen – ik zal een jaar of dertig geweest zijn – las ik in een pseudowetenschappelijk artikel dat een mens gemiddeld vijftien windjes per dag laat. Op zich niet zo’n wereldschokkende mededeling: ik werd niet van de sokken geblazen zeg maar, maar het zette me aan het denken.

Ik vroeg me af hoe en waar en wanneer die gemiddelde mens dat dan deed, die vijftien windjes laten. En hoe is dat onderzoek verlopen, dat zulks heeft aangetoond? Hebben ze tweehonderd proefpersonen langdurig opgesloten in een kamer, voorzien van een microfoon in de broek en genoeg te eten en te drinken? Werd er wellicht gebruik gemaakt van richtmicrofoons, snuffelpalen of ander technisch vernuft ter opsporing van de ruft?

Ik kwam er niet achter en navraag bij familie en bekenden wees uit dat zij allemaal niet tot de doelgroep behoorden: niemand liet ooit windjes.

Ik besloot om me er verder niet meer mee bezig te houden en leefde mijn leven gewoon verder. Toch bleef het zingen in mijn achterhoofd en zo nu en dan dacht ik er weer eens aan: vijftien windjes per dag. Ik bedacht dat de nacht dan niet was meegerekend en er dus zo’n zestien uur overbleven om het kostbare strooigoed te verspreiden. Trek er een uurtje vanaf voor lunch, diner en andere bezigheden waarbij het als maatschappelijk en sociaal gewenst wordt geacht de kringspier te bedwingen, en je houdt één windje per uur over.

Soms betrapte ik me erop dat ik langdurig naar mensen zat te staren, in de hoop zo’n flatulente verlossing te bespeuren. Ik lette dan speciaal op de gelaatsuitdrukking en ander non-verbaal werk. Hoe ik het wist, wist ik niet, maar er hoort een heel scala aan lichaamstaal bij zo’n windje, waarvan de meest duidelijk waarneembare zijn dat de wenkbrauwen een weinig worden geheven, men onopvallend om zich heen kijkt en dat er vaak één schouder naar beneden gaat. Dat van die schouder begreep ik aanvankelijk niet, maar later besefte ik dat het was om de opgeheven bil aan die kant te compenseren.

Maar goed: hoe ik ook oplette, geen windje te bekennen. Jaren gingen voorbij waarbij ik steeds minder bezig was met de vraag hoe men in vredesnaam aan zo’n gemiddelde was gekomen.
Tot het probleem zich geheel onverwacht oploste op een moment dat ik er totaal niet mee bezig was. Dat ging als volgt.

In ons dorp staat een winkel, die oorspronkelijk was bedoeld als drogisterij. In de loop der jaren echter heeft de eigenares – Dirkje Schrappenmat – de winkel voorzien van allerlei koopgoed waar de klanten eventueel om zouden kunnen vragen. Met als gevolg dat er nu in het inmiddels toch veel te krappe winkeltje een uitdragerij te vinden is die zijn weerga niet kent. Je kunt het zo gek niet bedenken of het is er te koop: van elektrische straalkacheltjes tot beddengoed, van snoep en ook hartelijke snacks tot personenweegschalen, en ga zo maar door. En uiteraard de drogisteratieve artikelen voor welke de winkel oorspronkelijk was bedoeld, zoals middeltjes tegen van alles en nog wat, nagelknippers, kunstwimpers, bruispoeders en alles, en nog veel meer.  Je kunt er bijna geen stap verzetten vanwege de aan beide kanten van wat vroeger het gangpad was opgetaste artikelen en men dient zich dan ook zijdelings schuifelend door de rijkdom der goederen te bewegen teneinde na lang zwerven en met veel te veel onnodige koopwaar de kassa te bereiken, alwaar een immer glunderende Dirkje haar rouwgerande nagels in een glazen pot stopt, een dropje uit de nooit slinkende voorraad daarin eruit vist en met bulderende stem roept: “Lus je zeker wel ’n dropke, niet?!” Geen mens die ooit weigert (u zou Dirkje een keer moeten zien en onmiddellijk weten waarom) en menigeen heeft met lichtgroen gelaat hevig slikkend de winkel verlaten. Toch bleven de mensen komen, al was het maar vanwege de bereikbaarheid en schier onuitputtelijke voorraad artikelen waar een andere winkelier niet opgekomen was.

Regelmatig donderde zo’n manshoge wand van spullen omver wanneer iemand weer eens onvoorzichtig met een slip van zijn jas tegen een doos met friteuse en extra mandje aantikte, waardoor met wild geraas het gangpad voldenderde met artikelen waarvan men het bestaan niet eens vermoedde.
“Laat maar ligg’n!” brulde Dirkje dan. “Pak ik straks wel op. Je weet toch niet waar het ligg’n moet en ik wel!”

Enfin, het beeld zal u met dit intermezzo ongetwijfeld helder zijn nu, wat betreft winkel en eigenares.

Onlangs had ik een zeurende en niet wijkende hoofdpijn. Ik stelde het zo lang mogelijk uit maar wist dat het moment zou komen waarop ik dan toch naar Dirkje moest, voor een doosje aspirine.  Enigszins onvast begaf ik me op weg en stapte Dirkjes uitdragerij binnen. De hitte sloeg me om het hart, bij zoveel verwarming en het was helaas nog druk ook. De aspirine werd aan de kassa verkocht vanwege geneesmiddel zonder recept, maar om daar te komen moest ik de Ikeagewijze route door het gangpad volgen. Gelukkig tikte ik niets aan en bereikte heelhuids het heiligdom van Dirkje. Vóór mij stonden drie mensen: een jonge knul die batterijen voor het een of ander behoefde, een man die om neusspray vroeg en een oude vrouw met dikke, afgezakte kousen, versleten schoenen en een jas van een onbestemd materiaal waaraan van alles kleefde wat een mens zo onderweg naar de drogisterij kon tegenkomen. Ze deed enigszins morsig aan, zou men kunnen zeggen.
Dirkjes hand met rouwnagels en een plukje van een mij onbekende substantie aan haar duim klevend, schoot bij iedere klant in de pot en drong een dropje op, onder het eeuwige: “Lus je wel ’n dropke zeker, niet?!”
De vrouw voor me vroeg om een gorgeldrankje om slijm los te maken en aan de manier waarop zij sprak was dat geen moment te vroeg. Dirkje leverde, rekende af, greep in de pot en drukte de vrouw het drankje en dropje in de uitgestoken hand, gevolgd door de uitgebrulde vraag of ze wel een dropke zeker niet, lustte. De vrouw pakte beide aan, stopte het dropje in haar mond en begon in de richting van de uitgang te sloffen.

En net toen Dirkje mij vorsend aankeek, als wilde ze op paranormale wijze ontdekken welk artikel ik van node zou zijn, bleef de vrouw halverwege kassa en uitgang stilstaan, deed haar hoofd omlaag, mompelde wat en verstrakte, wat zelfs met jas en aanklevend ongerief zichtbaar was.
“Nou zal je ’t hebb’n,” brulde Dirkje tegen mij. “Vast een broerte, of hartintakt; en altied weer bie mie in de winkel!”
Ze had het echter mis, ons Dirkje. Na haar verstijving ontspande de vrouw een lichtelijk, hief haar hoofd op en produceerde een geluid dat zacht pruttelend begon, allengs aanzwol tot een scherp geknetter en eindigde in een vettig geblubber dat ruim dertig seconden aanhield. “Hè hè,” zei ze, slofte naar de uitgang en verliet de winkel, Dirkje en mij verbijsterd achterlatend.  En terwijl de immens volgepakte ruimte zich vulde met een geur van zure zult, spekzwoerd en zwavel, keek Dirkje me glunderend aan. “Vast boon’n gegeet’n,” brulde ze. “Wat mag ’t weez’n?” Ik vroeg en kreeg de aspirine, rekende af, nam het vast wel ’n dropke zeker in ontvangst en verliet eveneens de winkel, waarna ik de verlossende buitenlucht met liters tegelijk naar binnen liet stromen.

Het was een zware middag, en niet alleen vanwege dat hoofdpijntje, maar het probleem dat mij jarenlang had bezig gehouden was opgelost. Gemiddelden worden bepaald door mensen als de klant die voor mij stond in Drogisterij Dirkje.

Het woud der verdoolden

Het woud der verdoolden

by Ed

Ik herinner mij een fietstocht door de Drentse bossen. Gabriël, Theodoor, Benjamin , Carel  en ondergetekende: uw auteur. Wij noemden ons De Jongensclub, wat op een weinig ironie wees daar wij allen de middelbare leeftijd al hadden bereikt. Onze echtgenotes bleven thuis: waarschijnlijk verheugd een dag verlost te zijn van de eeuwige jongensachtigheid die ons zo kenmerkte. Soms wil een echtgenote gewoon dat ze met een volwassen man is getrouwd. Vrienden als wij sedert lange tijd waren, hadden we toentertijd bij onze gemeente bedongen op een mooi pleintje met een rij huizen, en dit ook voordelig kunnen betrekken. Dat wij goede vrienden zowel als buren waren, stemde ons vrolijker dan onze levensgezellinnen, hoewel ook zij immer naar elkaar toe trokken.

Hoe dan ook: hoezeer wij mannenjongens ook verrast waren door het enthousiasme waarmee het voorstel een fietstocht te gaan houden door onze meisjesvrouwen werd ontvangen, wij lieten ons elk stilzwijgend het accuraat en zorgvuldig inpakken der reisbenodigdheden en overvloedige proviand welgevallen. Opvallend was ook dat elk van ons precies de leeftocht kreeg ingepakt, die eerder appelleerde aan wat de respectieve echtgenotes raadzaam achtten dan aan wat wij uit voorkeur verkozen zouden hebben. In plaats van het rulle wit, door bakker Knedens zo eervol gebakken en belegd met lardant orgaanvlees, moesten wij het gaan doen met mueslibollen en graskaas. Mineraalwater spoelde onze bierale visioenen spoorslags weg en fruit duwde bollend in het tascanvas. Het ware zo.

Eindelijk waren we dan gereed om te vertrekken en na de nauw verholen schamper van tenminste twee der echtgenotes benevens een kort doch hartelijk gemeend afscheid van de andere drie, togen wij op weg. Het kostte mij zoals gewoonlijk moeite om recht op de fiets te komen, maar uiteindelijk lukte dat toch. Mijn altijd aanwezige jicht liet zich jammerend vernemen, zij het nog achtergronds. Daar gingen we dan.

Niet zodra waren wij goed onderweg of er klonk een zacht gekerm in de achterhoede van ons groepje. Carel, die sedert enige tijd werd geplaagd door een protesterend prostaat, had het in zijn broek gedaan.

“En ik was net nog geweest, vooraf,” mompelde hij beschaamd.

Benjamin en Theodoor hielpen hem bij het verschonen waarna wij het oponthoud achter ons lieten en welgemoed verder peddelden.

Het eerste uur werden er onderling nog wat woorden gewisseld maar naarmate wij ons dieper in het bos begaven werd het allengs stiller. Zelfs Benjamin was gestopt met praten, wat een klein wonder mocht heten. De begroeiing aan weerszijden van het pad waarlangs wij fietsten werd voller en dichter, terwijl het leek alsof de boomtoppen in een groene vertrouwelijkheid naar elkaar neigden. Een en ander had tot gevolg dat het een weinig schemerig aandeed, in weerwil van het vroege middaguur.  Een enigszins stemmig verlangen maakte zich van mij meester en een steelse blik op mijn metgezellen vertelde me dat ook zij onderhevig waren aan zulk een gemoedswisseling. Rond Theodoors vierkante kaak glansde een milde glimlach en Carel keek alsof hij bij toverslag was genezen van zijn prostatieve klachten. Ook de anderen zagen er anders uit: jonger, leek het wel. Zelf voelde ik me fitter dan in jaren, de jicht was in slaap gevallen en een onverklaarbare vreugde zinderde aan de rand van mijn stemming. Wat was hier aan de hand? Ik besloot net de stilte te verbreken, toen Gabriël me voor was.

“Even een plekje zoeken, jongens?” vroeg hij met zijn mooie bariton. “Een ietwat nuttigen alsmede een wijle rusten?” Wij allen stemden onmiddellijk in en al gauw vonden we een geschikte rustplaats binnen de cirkel van een paar oude bomen, van welk het gebladerte gelijk engelenmuziek ruiste in een toverlijke cadans. Carel begaf zich terzijde om zich – uit gewoonte eerder dan nood – te verlichten en wij keken belangstellend toe.

“Da’s nog een flinke guts,” zei Theodoor. “Voor een prostaatpatiënt.” Carel glunderde.

“Het is lang geleden dat het zo soepel de buis verliet,” zei hij. “Het voelt ook fijn; een beetje als vroeger.” Daarna werd het stil. Allen vertoefden wij in gedachten bij het door Carel zo terloops genoemde ‘vroeger’ en al kon ik voor de anderen niet spreken: zelf bemerkte ik toch ook enige beroering op de plaats die de laatste jaren nog slechts met water zeep en – sporadisch – eigen hand in contact kwam. Om me heen kijkend naar mijn peddelvrienden zag ik dat ook zij min of meer geraakt werden door dergelijke gevoelens. Bij Gabriël tekende zich vaag een verdikking af langs het bovenbeen en Benjamin wipte van de ene op de andere bil. Theodoor was de eerste die het fenomeen hardop te berde bracht.

“Ik weet niet hoe het met jullie zit, beste vrinden,” zei hij. “Maar ik herontdek zojuist een paar gevoelens waarvan ik dacht dat ze tot mijn verleden behoorden. Links en rechts klonk instemmend gemompel en sommigen van ons knikten dromerig. Plotseling schoot ik in de lach en de anderen keken mij met milde verwondering aan.

“Ik moet ineens denken aan toen we net onze vriendenclub hadden opgericht,” zei ik. “Hoe oud waren we: een jaar of zestien?” Het klopte inderdaad, zo bevestigden mijn vrienden. Ruim vijfendertig jaar geleden waren we tot de slotsom gekomen dat we veel gemeen hadden en vanaf dat moment kwamen we wekelijks meermalen bij elkaar. In die begintijd hadden we al nooit moeilijk gedaan over wat ons zoal bezighield, en onze destijds ontluikende seksualiteit vormde daarop geen uitzondering. Als zestien- en zeventienjarigen vonden we het aloude jongensspel ‘ruk-in-de-kring’ een prima uitlaatklep voor de polluties van ons puberaal hormoonstelsel. Lieten we in die tijd de endocriene uitspattingen nog lustig vieren, later werd dat minder vanwege relaties met echte meisjes. Ook wij zouden daaraan geloven.

Maar op dat moment, tussen dat groepje mooie bomen en met mijn vertrouwde vrienden om me heen, gevoelde ik toch die oude, vertrouwde drang weer. Het was een plezierige zowel als spannende gewaarwording. Ik besloot de knoop door te hakken en los te maken en was niet echt verrast toen mijn goede makkers in navolging daarvan ook hun inmiddels toch wat bekneld zittende roedes bevrijdden. Alsof er nooit een jaar was verstreken sinds onze eerste sessie, zetten wij optimistisch het vertrouwde ritme van toen in en bereikten om beurten een uitstorting zoals we die in jaren niet meer hadden beleefd. Alles zat onder.

“Me dunkt dat hier iets vreemds aan de hand is,” zei Gabriël na een tijdje, het handmatig uittreksel negerend. Geen van ons was buiten adem, had trekkramp of andere ongemakken. Sterker nog: ik zou onmiddellijk opnieuw kunnen, moest het verlangd worden. Vreemd inderdaad. Het vermoeden rees dat er hier een onkenbare, of althans buitenbevattelijke kracht aan het werk was. Het stemde naast vrolijk ook tot overpeinzing. Een diepe stilte daalde over het woud en ons neder. Zelfs de vogels werden rustig en de bladeren hielden hun geruis tot achter de nerven stil.

In die wonderlijke sfeer nu, verscheen te midden van ons een lichte cirkel op de mosgrond, die van een luttele tien centimeter dra in diameter groeide tot ruim anderhalve meter. De grond opende zich met veel vertoon van mosuitrek en aardegespetter, terwijl wij, het reeds verkoelend lid nog zachtkens napulserend op het dijbeen, verbijsterd toeschouwden. Uit de grond verscheen een lichtend wezen; zo ongelooflijk fraai van uiterlijk, dat wij het slechts met geknepen ogen konden aanschouwen. Bedremmeld gingen wij staan: niet dat het wezen daartoe had opgedragen maar het was ondenkbaar anderszins te handelen.

Het wezen was vrouwelijk. Hoe wij dit wisten was een raadsel, of het moest zijn vanwege haar duidelijk zichtbare borsten. Hier en daar begon een mannenwapen alweer blijk te geven van viriliteit, en de lichtende vrouw keek spottend naar deze opstandelingen. Toen opende ze haar prachtige mond en begon te spreken.

… wordt vervolgd

Het woud der verdoolden (2)

Het woud der verdoolden (2)

by Ed

Wat vooraf ging:

De vrolijke vijf van de jongensclub worden tijdens een fietstocht door de Drentse bossen bevangen door een mysterieuze energie waardoor zij een enorme toename in kracht, potentie en geestelijke scherpte ervaren. Ternauwernood bewust van deze ervaring, verschijnt aan hen een wezen: verleidelijk en gevaarlijk. Wat wil dit wezen van de goedlustige mannen?

Het lichtende wezen sprak tot ons in een toon die onaards was, en die ons tot diep in de organen raakte. We waren enigszins van slag en konden slechts ademloos luisteren. Bedremmeld stonden wij in een halve cirkel om haar boodschap te ontvangen. Ze was zo prachtig om te zien dat we moeite hadden om te blijven kijken. Haar huid was als romige zijde, haar borsten vol en troostend; de gouden driehoek van haar vrouwelijke ontvangenis een poort naar verlichting. Tevens had zij mooie voeten.

“Ge zijt uitverkoren; o pentagram van mangeslachten,” sprak het wezen. “En ge zult de zegen ontvangen. Doet ge mij uw belofte, volvoer uw zinnelijk werk aan mij en ge zult gezegend blijven voor de rest van uw lange, zeer lange leven.”

We stonden als kleine jongens te knikken terwijl we geen notie hadden van wat de nimf, of wat voor wezen het ook was, wilde.  Ze sloot haar ogen en wachtte. Wij keken elkaar eens aan en haalden de schouders op in onwetendheid. Na een wijle opende ze haar ogen en wees naar Gabriël.

“Gij,” zei ze. “Komt nader tot mij, prepareer uw geslacht en los uw dienst in. Voed mij met het semen der mensheid en laaf mij met uw sterfelijkheid.”

Als in een somnambulische trance schuifelde Gabriël naar het wezen en bleef vlak voor haar staan. Het prepareren van zijn geslacht bleek geenszins van node, daar hij meer dan gereed leek voor welke dienst dan ook. De nimf spreidde haar armen, omvatte Gabriël en leidde hem met één soepele beweging naar binnen. Ze gooide haar hoofd in haar nek, zodat haar lange haren de bosgrond achter haar beroerden en hief een gezang aan – zó schoon, zó etherisch en zó helder, dat wij vier toeschouwers van dit wonderlijke tafereel allen een ferme scheut voorvocht verloren. Gabriël echter, kromde zijn rug, gromde en begon te schreeuwen. Aanvankelijk waren wij in de veronderstelling dat hij pijn had – hoewel geen van ons ook maar een moment aanstalten maakte hem te helpen – maar al gauw bleek dat het de opmaat was van innig genot. Zijn kreet werd hoger en hoger en voegde zich naadloos bij het gezang van de nimf, waarna zij paarden in een harmonie van tonen; een akkoord van zinnelijkheid met de aarde als contrapunt. De bomen rondom ons ruisten hevig, de grond waarop wij stonden trilde en ik werd bevangen door een dringend heimwee naar een wereld waarvan ik het bestaan nooit had vermoed.

Na momenten die eeuwigheden leken, liet de nimf Gabriël los. Hij zakte ineen op de grond voor haar voeten en zij hurkte schrijlings over onze vrind, waarna zij een weinig van haar sappen op hem liet stromen. Gabriël opende zijn ogen en het leek alsof hij dertig jaar jonger was geworden. Met een vage glimlach krabbelde hij van de grond overeind en fatsoeneerde zijn kledij. Zwijgend liep hij een eindje tot buiten onze halve cirkel en zette zich neder aan de voet van een spar. Ik vermoed dat we ons allen een lichtelijk jaloers gevoelden over de vleselijke zegen die hi j zojuist had ontvangen. Onterecht, zo bleek. De nimf wees Benjamin aan en wenkte hem toen. Hij keek vragend van mij naar de nimf, alsof ik enig idee had wat er gaande was. Ik haalde mijn schouders op en de nimf zeide met enige spot in haar stem: “Wel, gaat ge u onttrekken van uw goddelijke gelegenheid?”

“Ik wist niet dat ik ook…” begon Benjamin, maar hij werd onderbroken door haar kristallen stem.

“Of dacht ge dat ge immer aan het handmelken kon blijven? Nou?”

Schoorvoetend trad Benjamin op haar toe. En zo volgden allen van ons gezelschap, met uw schrijver als laatste. Ik kan u uitleggen noch duiden wat er precies plaatshad, maar het was in geen enkel opzicht te vergelijken met welke eerdere ervaring dan ook. Zelfs nu, decennia later, kan ik me lijfelijk herinneren dat alles samenkwam op het moment dat mijn geheven slaghout haar vochtighete valies betrad. Mannelijk en vrouwelijk, groot en klein, heet en koud, alle polairen kwamen samen in een kosmisch orgasme; een dans van hormonen, moleculen en atomen – gevoed door een heiligheid die ver voorbij menselijke seksualiteit ging. Alles viel op zijn plaats; alles was in harmonie.

Toen wij dan eindelijk allen neerzaten; vervuld en ontspannen, sprak wederom de nimf tot ons en gaf ons de volgende boodschap.

“Ge zijt nu in ziel verbonden met de kracht van het bos. De belofte die ge zojuist met uw zaad hebt gedaan, zal tot in eeuwigheid gelden. Denk daaraan, gij nietige menswezens, als ge geroepen wordt.”

En met die woorden verdween zij als een sluier van rook. Wij bleven achter, pas veel later tot spreken in staat en zelfs toen vermeden wij het om de even daarvoor geleden ervaring te berde te brengen. Er had in ons allemaal een drastische verandering plaatsgevonden, ten goede zowel als ten kwade. Wij beseften dit weliswaar in een diep, rudimentair weten doch plachten erover te zwijgen. De mutatieve gevolgen ten goede waren ten dele reeds merkbaar: we gevoelden ons allen vitaal en bruisend, vervuld van levenskracht en verlangens; ons zaad drong zich dra opnieuw aan de poorten van onze degens, doch wij besloten dit pas bij thuiskomst uit te storten, gelijk de heilige geest en het dienovereenkomstig te delen met onze menselijke echtgenotes.

De verandering ten kwade beseften wij slechts bij concept. De wijze waarop dit zich zou manifesteren, daarvan hadden wij nog niet het geringste vermoeden. We wisten niet wat dit, deze ontmoeting, uiteindelijk met ons had gedaan.

Dat zou echter niet zo lang meer duren.

…wordt vervolgd