Veel reactieve patronen uit de kinderjaren worden in stand gehouden, lang nadat ze hun nut verloren hebben. Is het voor een jongen van zes jaar nog leuk en charmant als hij aan iedereen zijn spierballen laat zien en vertelt dat hij het sterkst van allemaal is, bij een volwassene die continu zijn figuurlijke spierballen laat zien en voortdurend de competitie aangaat met zijn omgeving wordt het allemaal wat vervelender; vooral voor de persoon zelf.

Freud achterhaald

Een reactief patroon – of overlevingsstrategie – ontstaat vaak in de kinderjaren, waarbij per ongeluk, bij toeval of door logisch redeneren een manier wordt ontdekt om het leven wat comfortabeler te maken. Een voorbeeld hiervan is het kleine meisje dat ontdekt dat ze veel gemakkelijker dingen voor elkaar krijgt bij papa dan bij mama, wanneer ze koket gedrag vertoont. Door ‘papa’s kleine vrouwtje’ te spelen drukt ze als het ware een knopje in waardoor er een heel arsenaal aan reacties bij (vrijwel iedere) papa ontstaat.

In de – goeddeels achterhaalde – theorieën van Freud is er dan sprake van een Elektracomplex. De gedachte daarachter is dat de dochter haar vader voor zichzelf wil hebben, hem daartoe verleid, en dat moeder daarbij een ongewenste toeschouwer is, die liefst dood zou moeten. Als dit bij jongetjes gebeurt, waarbij de moeder wordt begeerd en de vader dood gewenst, heet dit het Oedipuscomplex.

Zoals gezegd is deze theorie intussen ruimschoots achterhaald en zijn we iets genuanceerder over deze gedragingen gaan denken. Blijft overeind dat zowel jongens als meisjes op jonge leeftijd kunnen ontdekken welk gedrag effectief (lonend) is bij één of beide ouders.

Mama’s grote vent

Blijkt bepaald gedrag in de kindertijd inderdaad lonend te zijn dan komt een moment in het leven van de jongen of het meisje waarop het gedrag niet meer nuttig of gewenst is. Dat zijn de momenten waarop het gedrag averechts gaat werken: de bijna-volwassene die nog steeds loopt op te scheppen, wordt veelal door zijn omgeving gecorrigeerd door de reacties van die omgeving. Met andere woorden: als hij goed kijkt en luistert, zal hij merken dat zijn gedrag niet meer het profijt oplevert dat het in zijn kinderjaren deed.

Wanneer dit wordt herkend is er niets aan de hand en houdt de betrokkene er vanzelf mee op. Wordt het patroon echter niet herkend, of is er sprake van verslaving aan het gedrag, dan is het bijzonder lastig om ermee te stoppen. In het eerste geval heeft iemand zelf totaal niet in de gaten dat hij dit gedrag vertoont, of hij ziet niet in wat er vreemd of ongewenst aan is. In het tweede geval onderkent iemand wellicht de overlevingsstrategie als zodanig, maar is er in de loop van de tijd aan verslaafd geraakt, en ziet geen mogelijkheid om er mee op te houden.

Het verschil tussen altruïsme en behaagzucht

In het bedrijfsleven zie je veel van die reactieve patronen terug, waarbij het lastig is om onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld ijver en temerigheid. Mannen die nog steeds ‘mama’s grote vent’ willen zijn, vrouwen die ‘papa’s kleine meid’ spelen. Soms zijn die gedragingen dermate duidelijk dat we niet lang hoeven zoeken. We kennen allemaal wel iemand die vaak of regelmatig loopt te pochen, in de hoop enige waardering van zijn of haar collega’s te krijgen. Ook de strebers pikken we er meestal snel uit. Het interessante is dat we deze patronen op de een of andere manier onbewust herkennen als mogelijkheden die we eventueel zelf hadden kunnen gebruiken of daadwerkelijk gebruikt hebben in onze jeugd, en dat we er daardoor niet al te veel aanstoot aan nemen (extreme gevallen daargelaten natuurlijk). ‘Zij is gewoon een streberig type,’ wordt er dan gezegd, of: ‘Hij is nu eenmaal een charmeur.’

Een probleem kan het worden wanneer de overlevingsstrategieën dusdanig zijn geslepen in de loop der jaren, dat ze niet meer als zodanig worden herkend. Er kan dan een situatie ontstaan waarbij we het gevoel hebben dat er ‘iets niet helemaal in orde is’, maar verder dan deze vage aanduiding komen we niet. Vooral voor de betrokkene zelf kan dat bijzonder vervelend zijn, juist omdat het patroon zo goed verborgen is en gecamoufleerd geuit wordt.

De collega die altijd voor iedereen klaarstaat, voor andere collega’s invalt bij verhindering, personeelsfeestjes organiseert, kleine cadeautjes meeneemt voor iedereen en nooit vergeet om kaartjes te sturen naar een zieke collega, is gewoon een prettige collega en iedereen vaart daar in het algemeen wel bij.

Voor deze collega zelf hoeft het ook helemaal niet hinderlijk te zijn om dit gedrag te hebben; er zijn genoeg mensen die het prettig vinden om voor anderen te zorgen of hen tevreden te stemmen. Niets aan de hand dus, tenzij er sprake is van een onbewust in stand gehouden overlevingsmechanisme. De psychotherapeutische praktijken zitten vol met mensen die op een punt in hun leven zijn beland waarop ze het niet langer kunnen opbrengen om voor hun medemens te zorgen, lief, voorkomend en aardig te zijn, en continu zichzelf vergeten om maar goed voor anderen te zijn. Dit zijn de mensen die weliswaar zorgzaam, aardig en liefdevol met anderen omgaan, maar dat niet doen omdat het gewoon goed voelt, maar om dat stemmetje binnen in hen tot zwijgen te brengen. Daarin schuilt dan ook het verschil tussen altruïsme en behaagzucht. Dat stemmetje kan van vader of moeder zijn, maar ook hun eigen innerlijke stem. Deze stem vertelt hen voortdurend dat ze goed voor anderen moeten zijn omdat ze anders negatief worden beoordeeld, of zelfs veroordeeld. Vaak hebben ze in hun jeugd te horen gekregen dat ze ‘lief’ moesten zijn, niet hun eigen mening mochten ventileren, en al helemaal geen negatieve emoties als verdriet, woede of angst tonen.

Een kwestie van keuzen maken Het is slechts een kwestie van tijd voordat deze mechanismen zich tegen de betrokkene zullen keren, waarbij men in een identiteitscrisis kan geraken, ziek kan worden of een flinke burn-out ontwikkelen. Gelukkig is er ook iets tegen te doen. Met een beetje zelfonderzoek kunnen deze mensen ontdekken waar ze gewoon hun behoeften vervullen, en waar ze bezig zijn om overlevingsmechanismen in stand te houden. Eenmaal ontdekt, kunnen deze mechanismen op hun bruikbaarheid worden beoordeeld en kan er een keuze gemaakt worden om ze nog langer te gebruiken of er ander gedrag voor in de plaats te zetten. Uiteraard kost dat meestal wel een beetje moeite en tijd, maar het is te doen en niet al te moeilijk. Wanneer iemand eenmaal doorziet hoeveel energie het kost om zo’n overlevingsstrategie te gebruiken, en hoe weinig positiefs het uiteindelijk oplevert, is het vaak maar een kleine stap om te beslissen het anders te gaan doen. Zeker wanneer ze ontdekken dat hun vermoeidheid, burnout, kwalen en emotionele belasting voor een groot deel uit deze strategieën kunnen voortvloeien.